De geheime diensten van het kalifaat

0

Terreurgroep Islamitische Staat beschikt over verschillende geheime diensten. De structuur en werkwijzen ervan zijn fel geïnspireerd en gebaseerd op de geheime diensten van de staten die ze aanvallen. In een vierdelige reeks doet het Franse onlinemagazine Médiapart uit de doeken hoe deze diensten essentieel zijn voor het uitvoeren van aanslagen in Europa.

Vanaf de creatie van kalifaat stelde de terreurgroep alles in het werk om de veiligheid van zijn leden, maar ook de controle op hun territorium te kunnen garanderen. De dreiging en aanvallen van de internationale coalitie versnelden enkel de consolidatie van verschillende structuren die de interne veiligheid en controle moesten verzekeren. Eén daarvan is AMNI, kort voor Amniyat wat ‘veiligheid’ betekent in het Arabisch.

De veiligheidsdienst werkt gedecentraliseerd, onafhankelijk en parallel met de militaire en administratieve organisatie van IS. De AMNI is onderverdeeld in vijf afdelingen, waarvan de twee belangrijkste zich spiegelden aan Westerse voorbeelden. De Amn Al-Dawla was net als de Amerikaanse FBI, Britse MI5 of Israëlische Shin Bet verantwoordelijk voor contraspionage, terwijl de Amn Al-Kharji zich bezighoudt met clandestiene operaties buiten het kalifaat, en zich dus spiegelde aan de CIA, MI6 of Mossad.

Saddam

IS is lang niet de eerste islamistisch-jihadistische terreurgroep die zich bezighoudt met inlichtingen en (contra)spionage. Ook Al Qaeda, of de Somalische Al Shabaab zetten hun eigen diensten op. Daarbij deden ze beroep op de knowhow van de Egyptische dubbelspion Ali Mohammed die in de jaren negentig tijdens zijn dienst in het Amerikaanse leger een volledige handleiding bij mekaar stal. Dat de leiding van Al Qaeda zich had bekwaamd in de kunst van de contraspionage werd de Amerikanen heel duidelijk tijdens hun tienjarige klopjacht op Osama Bin Laden.

IS vond dus het warm water niet uit, maar het gaf wel als eerste dergelijke prominente plaats aan de veiligheidsstructuren, vertelt terreurexpert Kevin Jackson tegen Médiapart. De aanwezigheid van een aantal voormalige Saddam-medestanders in de top van IS is daar wellicht niet vreemd aan. Der Spiegel duidde eerder al Haji Bakr, kolonel onder Saddam Hoessein aan als brein van “de stasi van IS”.

Mollenjacht

Médiapart heeft in het eerste deel van de vierdelige reeks nog aandacht voor de invloed van de hoofdzakelijk Amerikaanse drone- en andere luchtaanvallen op strijders, hoofdkwartieren en militaire basissen van IS. “De gerichte bommenregen doet een sfeer van paranoia ontstaan, en veroorzaakt een intensieve jacht op mollen binnen de organisatie”, schrijft Médiapart.

Er ontstaat bij verschillende jihadisten bijvoorbeeld paniek over het planten van elektronische chips die mogelijks hun positie kunnen verraden. Het verklaart waarom de Belgische terrorist Mohamed Abrini, die verdacht wordt van betrokkenheid bij aanslagen in Parijs en Brussel, bij een bezoek aan Syrië slechts één dag doorbrengt met Abdelhamid Abaaoud, zijn vriend en het vermoedelijke brein van de aanslagen van 13 november 2015 in Parijs. Abrini had zijn gsm bij en Abaaoud was bang voor een drone-aanval.

De bombardementen leidden uiteindelijk tot een nog intensievere uitbouw van de binnenlandse veiligheidsdiensten die op zoek moeten gaan naar infiltranten en spionnen. De gemaskerde mannen van de AMNI worden berucht en gevreesd en kunnen ongestraft hun gang gaan in de kelder van een oude kliniek, de catacomben van het oude voetbalstadion van Raqqa of een oude snoepfabriek.

Hun gedetineerden zijn van divers pluimage, hun veronderstelde misdaden al even uiteenlopend. Te veel geld hebben is soms al voldoende. De meeste gevangenen weten echter niet waarom ze vastgezet worden. Alle methodes zijn goed om mollen te ontmaskeren.

Het eerste deel van vier is te lezen op de site van Médiapart.

Opgemerkt

Apache Nieuws