Toen waren ze met 8

 Leestijd: 2 minuten0

Sinds vorige week stierven er meer en meer bewoners. Achteraf beschouwd was de stijgende lijn al langer zichtbaar maar met jaarlijks 1,3 sterftes per dag en een schommeling van 0 tot 4 valt dat niet zo meteen op. De Coördinerend Raadgevend Arts (CRA) had vorig weekend nog gezegd dat er in 2018 nog altijd meer mensen waren gestorven op 28 maart, toen nog de dag met het grootste aantal covid-overlijdens.

Zeker in een griepseizoen, zelfs met nauw opgezette griepvaccinatie, zie je een sterftestijging. Dat vraagt extra inzet van het personeel dat nu al overbelast is en waarvoor men al jaren aan de alarmbel trekt. “Maar in de winterperiodes kan men een beroep doen op een gepensioneerde palliatief verpleegkundige die vrijwillig bijspringt en wat vergoed wordt via ons spaarpotje”, schalkt de hoofdverpleegkundige wat bitter.*

De laatste dagen was er al wrevel rond de opgelegde beperkende mogelijkheden bij afscheid, het gebrek aan personeel, de moeilijke bereikbaarheid van huisartsen, de beperkte medicatievoorraad, de nood aan mondmaskers en andere medische bescherming, en de testmogelijkheden. Maar ook is er de angst rond het besmettingsgevaar van en voor zichzelf, en bij uitbreiding de huisgenoten, de collega’s, en niet het minst de bewoners. En de schuldvraag.

Overlijdensaangiften

De acht overlijdensaangiften liggen op het bureau klaar om definitief in te vullen door de CRA. Op het prikbord hangen de coronamaatregelen uit in woord en beeld, de telefoonnummers voor dringende contacten met de CRA, de hoofdverpleegkundige, de directie en de technische hulp. Een krantenartikel met foto’s waarop kleinkinderen zwaaien voor het raam bedekt gedeeltelijk een artikel over de undercoverreportage van Pano over commerciële woonzorgcentra. De oproep van een verpleegkundige om ook te applaudisseren na de coronaperiode, en gepaste maatregelen te treffen vooral inzake extra personeel. Een postkaartje vanuit een skigebied met een vraagteken dat de uitsteeksel van een virus draagt, in dikke zwarte stift erop getekend. Een cartoon van Lectrr met een bejaarde in een stoel voor zijn raam: dat eenzaamheid voor en tijdens corona niet veel verschil maakt.

Alle administratieve gegevens zijn ingevuld op de aangifte door de verpleegkundige die als eerste het overlijden heeft vastgesteld. Op zes aangiften staat een ‘ja’ aangekruist bij ‘bezwaar vervoer zonder kist’ en ‘bezwaar tegen schenking lichaam’ vanwege covid-19. Bij vier patiënten was er niemand aanwezig bij het sterven. Een bewoner stierf bij de verzorging en een ander bijna meteen na het inspuiten van 10 cc morfine onderhuids.

Het zijn zes overlijdens met een wrang gevoel. Anders gebeurt dit ook wel eens, maar dan sterk gespreid in de tijd. Verpleeg- en zorgkundigen voelen zich schuldig als ze, door tijdsgebrek, niet aanwezig kunnen zijn bij die laatste adem. Zij zijn vaak het enige ‘familielid’ dat nog zorginteresse heeft voor die bewoner. Bij veel bewoners met vergevorderde dementie ziet men de echte familie pas na de dood, vaak in financiële slagorde.

Ethische discussie

Bij alle acht bewoners was er lang voor de coronatijd een overlegd comfortdossier opgemaakt met beperkende maatregelen betreffende ziekenhuisopname en reanimatie. Voor dit woonzorgcentrum is vroegtijdige zorgplanning een erezorg.

Zowel de administratieve als de zorgverantwoordelijken waren verontwaardigd over de ethische geriatrische richtlijn. ‘Alsof die ethici denken dat men in een woonzorgcentrum nu nog terminale patiënten richting ziekenhuis dumpt!’ ‘Anderzijds verplicht men ons levenslustige bewoners die nu toevallig covidziek worden, de dood in te jagen omwille van hun leeftijd (en omdat ze niet meer productief zijn en alleen maar geld kosten aan de maatschappij!)’

Bij een van de acht overlijdens waren twee broers en een dochter afwisselend ter ondersteuning aanwezig. Ze hadden de toestemming gekregen om zonder masker hun mama nog te knuffelen. Een broer was thuisgebleven om niet besmet te geraken en achteraf de begrafenis te kunnen regelen.

Het achtste overlijden was een gepland sterven zodat de dochter, die zelf in de zorgsector werkt, erbij kon zijn. Het was besproken met de hoofdverpleegkundige. “Gebruik je morfine of wil je thiopenthal?”, had ze gevraagd. Zij zorgde voor de flacon thiopental, die als ‘overschot’ van een vorige euthanasietoepassing in de vergrendelde medicatiekast stond. Zij kende nog de tijd voor de euthanasiewetgeving waarbij artsen uit mededogen in samenspraak met familie en zorgverleners de ‘goede dood’ bezorgden door hoge dosissen morfine te geven. Het veroorzaakt een ademhalingsstilstand met een gelukzalige glimlach op het gelaat van de overledene.

Al meer dan dertig jaar werkte ze in de ouderenzorg. Ze had nog vijf jaar in een verpleeghuis gewerkt in Zeeland. Daar was een verpleeghuisarts samen met een zorgteam verantwoordelijk voor het reilen en zeilen van het tehuis en zijn bewoners. “Veel efficiënter dan de meer dan 120 huisartsen die hier over de vloer komen en moeten afspreken met de CRA. Deze coronaperiode zal hopelijk hier ook verandering in brengen”, zucht ze. “Maar het allerbelangrijkste is extra personeel en middelen, dan zullen wij vanuit deze zorgsector ook kunnen applaudisseren.”


* Er worden geen namen vermeld en sommige situaties en tijdstippen werden wat gewijzigd voor het bewaren van de anonimiteit

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst. Zelf een bijdrage insturen, doe je hier.

Auteur: Marc Cosyns

Marc Cosyns is huisarts, pleitbezorger van patiëntenrechten, en academisch consulent Volksgezondheid en Eerstelijnszorg aan de UGent.