Ex-procureur-generaal veroordeelt ex-eerste voorzitter cassatie

 Leestijd: 3 minuten4

Op 7 maart bracht Canvas een uitzending over het Fortis schandaal. Prominente figuren als ex justitieminister Jo Vandeurzen, Inge Vervotte, Patrick Dewael en ex-premier Leterme gaven er hun zienswijze op wat er toen gebeurde om Fortis te redden van de ondergang. Hun verklaringen kunnen als openhartig worden omschreven – Leterme bekende zelfs een politieke inschattingsfout te hebben gemaakt. Maar niemand van hen sprak zich uit over wie er schuld had aan het debacle.

Yves Liégeois (Foto: ID Photo Agency © Jimmy Kets)

Yves Liégeois (Foto: ID Photo Agency © Jimmy Kets)

Publiekelijk veroordeeld

Daarvoor deed het programma beroep op een hoge magistraat, de toenmalig procureur-generaal Yves Liégeois. Hij deed wél waarvoor de anderen pasten: hij deed zijn hoed af voor premier Leterme, noemde justitieminister Vandeurzen de beste justitieminister ooit en vooral: hij veroordeelde de toenmalige eerste-voorzitter van het hof van cassatie, Ghislain Londers door zijn fameuze brief aan de Kamervoorzitter te omschrijven als “ not done”: je moet eerst onderzoeken en pas dan een uitspraak doen en dat deed Londers niet door zich zonder onderzoek uit te spreken over de aanwijzingen van politieke inmenging in de rechtsgang van de Fortis zaak.

Dat een gewezen procureur-generaal de ex-premier en de ex-justitieminister, woordelijk in ere herstelt is op zich al merkwaardig. Dat hij bovendien de gewezen eerste-voorzitter van het hoogste rechtscollege publiekelijk veroordeelt en hem de schuld geeft voor de val van de regering roept nog meer vragen op: waar haalt de heer Liégeois de bevoegdheid om een ander magistraat, en dan nog de hoogste rechter van dit land, openbaar te veroordelen? Op grond van welke opdracht en welk onderzoek deed hij dat en welke procedure werd bij deze uitspraak gevolgd zodat de rechten van de veroordeelde werden geëerbiedigd?

Privilege

Als procureur-generaal in functie had de heer Liégeois een persoonlijk privilege: hij alleen kon beslissen of een ander magistraat moest worden vervolgd. Van die bevoegdheid heeft hij meermaals en op zijn eigen manier gebruik gemaakt. Zo oordeelde hij onder meer dat de substituut in het onderzoek naar de dood van Jonathan Jacob in de politiecel te Mortsel niet moest worden betrokken. Tegelijk opende hij wel meerdere onderzoeken naar de werkwijze van faudejager, substituut Peter Van Calster.

Meer nog, hij zette Van Calster van de diamantdossiers en stuurde een medewerkster van Van Calster de laan uit, nog voor enig onderzoek had aangetoond dat daar redenen voor waren. Exact wat Liégeois vandaag “not done” noemt. Liégeois veroordeelde bij die gelegenheid meermaals publiekelijk zijn substituut. Nooit maakte hij aanstalten om deze in eer te herstellen.

Dat laatste had hij om meerdere redenen wel kunnen doen. Vooreerst omdat de procureur-generaal zelf tot het besluit moest komen dat alle door hem tegen de substituut gevoerde onderzoeken niets hadden opgeleverd zodat ze moesten worden geseponeerd. Maar vooral omdat door de afkeuring van de afkoopwet door het Grondwettelijk Hof substituut Van Calster volledig gelijk kreeg en de stelling van de procureur-generaal volkomen onderuit werd gehaald.

Natrappen

Bovendien moest er volgens Liégeois nog stevig worden nagetrapt: Van Calster werd door een tuchtvonnis afgezet omdat hij zijn rechten blijft verdedigen door te beweren dat hij illegaal werd getapt. Over de wijze waarop de procureur-generaal tijdens de uitoefening van zijn hoog ambt handelde kunnen ernstige vragen worden gesteld. Maar blijkbaar is dat onvoldoende gebeurd zodat de heer Liégeois zich nu hetzelfde privilege aanmatigt, ook al oefent hij vandaag niet langer de functie uit die hem de mogelijkheid geeft om aldus te handelen.

Blijkbaar heeft de heer Liégeois nog steeds niet begrepen waar hij zo grondig fout zat bij de voorbereiding en de uitvoering van de afkoopwet: een procureur is geen rechter. En dus blijft de heer Liégeois zich gedragen als rechter en veroordeelt hij zelfs, los van enige opdracht en buiten enige procedure maar wel publiekelijk een ander magistraat, zonder dat deze de kans heeft gekregen om zich te verdedigen.

Eigen boezem

Wat bezielt deze man? Waarom ontketende procureur-generaal Liégeois tijdens zijn ambtstermijn een ware diamantoorlog en zette hij de Antwerpse en de gehele Belgische justitie op zijn kop door allerhande acties die tot allerlei betwistingen, onderzoeken, en procedures aanleiding gaven?

En wat was uiteindelijk het gevolg van dit merkwaardig optreden? Dat hij over de grond van dit alles fundamenteel fout zat, kan niet meer worden betwist: “zijn” afkoopwet werd afgekeurd door het Grondwettelijk Hof. Dat maakt de vraag naar wat hem dreef enkel relevanter.

Maar ook in dat verband zijn intussen elementen naar boven gekomen die tot verder onderzoek zouden moeten leiden. Uit op Apache gepubliceerde documenten van het parket blijkt immers dat de ex-procureur-generaal andermaal een wel heel eigen invulling gaf aan zijn opdrachten en bevoegdheden: advocaten van de diamantsector aansturen om bij de parlementairen te lobbyen om de afkoopwet erdoor te krijgen, maakt niet meteen deel uit van de wettelijke rol van een procureur-generaal.

Kazachgate

Het zal het voorwerp uitmaken van het tweede deel van de parlementaire onderzoekscommissie Kazachgate die moet nagaan hoe de afkoopwet kon worden voorbereid en gestemd. Zoals uit de eigen parketstukken blijkt, heeft procureur-generaal Liégeois daarin een erg belangrijke rol gepeeld: hij was er de gangmaker van.

De vraag waarom hij dat was is dus gewettigd: nogmaals wat bezielde deze man? Het is dezelfde vraag die moet gesteld worden over de publieke veroordeling van ex-eerste voorzitter Ghislain Londers in het Canvas programma: wat gaf de heer Liégeois het recht om dat te doen en waarom deed hij het? In ieder geval voldoende reden om ernstig na te denken over het nut van het voortbestaan van het “privilege” van een procureur-generaal, zowel het wettelijk erkende als het feitelijk uitgeoefende.

Auteur: Walter De Smedt

Is gewezen raadslid van Comité I en Comité P