Democratie als dialoog – een denkoefening

 Leestijd: 15 minuten1

Als ons huidig politiek systeem van democratie niet in staat is om onze complexe sociale problemen aan te pakken en eerder politiek wangedrag, politieke hoogmoed, polarisatie en populisme stimuleert, wat is dan het alternatief? In deel 6 van de reeks OCCUPY REFLECTION SPACE zijn we aanbeland bij een grote denkoefening: onze zoektocht naar ‘een alternatieve vorm van politiek overleg die, voorbij de strijd tussen partijdige visies en beloftes, op zich door haar methode vertrouwen wekt’ richt zich nu op de theorie en de mogelijke praktijk van deliberatieve democratie.

Gaston Meskens

Gaston Meskens

Deliberatieve democratie is een democratie van burgers, maar dan niet in de populistische interpretatie van ‘directe democratie’ maar wel als een formele vorm van democratische dialoog die via haar praktische methode vertrouwen wekt: politiek moet niet meer georganiseerd worden als strijd tussen oude politieke ideologieën of binnen oude historische geografische grenzen, maar als een continu overlegproces rond neutrale thema’s (sociale zekerheid, energie, voedsel, transport, …) waarvoor burgers en middenveld hun moderatoren kiezen en waarin ze vervolgens met elkaar in debat gaan. Om vertrouwen te wekken moet dat debat zo georganiseerd worden dat het tegelijk confronteert en emancipeert en geen comfortzones meer toelaat. Maar omdat er nooit kan aangetoond worden wat de juiste vorm van dat overlegproces zou moeten zijn impliceert vertrouwen ook de mogelijkheid van overleg over de vorm van dat politieke debat zelf. Deliberatieve democratie is daarom een vorm van democratie die niet alleen op een vertrouwenwekkende manier over inhoud debatteert, maar die ook een permanent proces van deliberatie over haar eigen methode onderhoudt.

Verder bouwend op de vorige essays in deze reeks werk ik de argumentatie rond noodzaak en mogelijkheid van deliberatieve democratie in drie teksten uit. In de vorige tekst van deze reeks (Weg met de democratie (als onbeschaafd conflict)) heb ik uitgebreid geargumenteerd waarom ons huidig politiek systeem van democratie, op basis van partijpolitiek en verkiezingen, en georganiseerd binnen de natiestaat, niet in staat is om de complexiteit van onze maatschappelijke problemen op een vertrouwenwekkende en efficiënte manier aan te pakken, en dit niet alleen omwille van het feit dat het systeem zelf faalt, maar ook omdat het geen betekenisvolle kritiek toelaat of stimuleert en omdat het eerder politiek wangedrag, politieke hoogmoed, polarisatie en populisme stimuleert. In deze tweede tekst formuleer ik mijn visie op het basisprincipe van deliberatieve democratie en stel ik een mogelijke praktische interpretatie ervan voor. Maar een praktische interpretatie is niet voldoende, want de mogelijkheid van deliberatieve democratie zit niet alleen vervat in haar praktische ‘doenbaarheid’, maar ook en vooral in de gezamenlijke bereidheid die we in onze samenleving zouden hebben om deliberatieve democratie als principe in de praktijk mogelijk te maken. Daarom zal ik mijn bedenkingen over deliberatieve democratie eindigen met een hierna volgend derde deel dat reflecteert over die (eventuele) gezamenlijke bereidheid, en dit vanuit het idee van solidariteit.

Sfeerbeeld klimaatconferentie Lima (Foto: Gaston Meskens)

Sfeerbeeld klimaatconferentie Lima (Foto: Gaston Meskens)

Democratie als dialoog is mogelijk – een theoretische stellingname

Deliberatieve democratie is een normatieve theorie, of dus een theorie over hoe de democratie ‘zou moeten zijn’ of ‘zou kunnen zijn’. Alle voorstanders van het idee zijn het er over eens dat ‘politiek meer omvat dan een competitie gedreven door eigenbelang opgezet als onderhandeling en aggregatie (‘samenvoegen’) van belangen’(Bohman and Rehg 1997 (mijn vertaling)) en dat ‘democratische besluitvorming het resultaat moet zijn van een redelijk, publiek en inclusief debat waarin burgers vrij en gelijk kunnen deelnemen’  (Geenens and Tinnevelt 2007, 17). Over het waarom daarvan en op welke manier deliberatieve democratie dan ‘meer’ is dan competitie zijn er verschillende academische meningen die elkaar niet echt tegenspreken maar eerder op andere referenties gebaseerd zijn. De drie grote academische strekkingen zijn dat deliberatieve democratie (1) empirisch gezien ‘betere’ besluiten oplevert (bijvoorbeeld volgens David Estlund), (2) pragmatisch gezien de ‘beste’ politieke omgangsvorm is (bijvoorbeeld volgens Joshua Cohen) of (3) de meest ethische vorm van politiek overleg is (bijvoorbeeld volgens Amy Guttman & Dennis Thompson, John Rawls en Seyla Benhabib).

Mijn motivatie is gegrond in een ethisch perspectief. In de derde tekst van deze reeks (Er is geen logica (van complexe sociale problemen)) argumenteerde ik dat de complexiteit van onze sociale uitdagingen van die aard is dat niemand politieke of wetenschappelijke autoriteit kan claimen bij het betekenis geven aan die complexiteit. Het is niet alleen de interne logica van ons systeem van representatieve democratie die faalt, maar ook die van de wetenschap en de markt: een wetenschap die ‘objectiviteit’ nastreeft ziet zich in het geval van complexe sociale problemen genoodzaakt om te werken met toekomstgerichte hypothesen die niet ‘bewezen’ kunnen worden en een competitieve vrije markt is niet in staat om haar eigen ethische grenzen te bepalen. Daaruit volgt (samengevat) dat alle betrokkenen bereid moeten zijn om tegenover elkaar en in samenspraak met de maatschappij in het publiek te reflecteren over de manier waarop zij het probleem, hun eigen belang, het belang van de andere actoren en het algemeen belang rationaliseren. Die bereidheid is essentieel een ethische houding, en vanuit die visie (en met referentie naar mijn observaties van de praktijk en naar het academische debat) formuleer ik alvast drie motivaties voor het idee deliberatieve democratie:

1. De publieke redelijkheid is superieur aan de ‘redelijkheid’ die ontstaat uit een debat opgezet als formeel conflict tussen ideologische maar essentieel strategisch voorbereide posities.

2. Deliberatie tussen actoren met verschillende interpretaties van wat er op het spel staat en van hun belangen daarbij, leidt niet alleen tot confrontatie van die interpretaties, maar werkt ook als collectief kritisch-reflexief leerproces, zowel voor elk deelnemend individu (stimulatie van zelfreflectie) als voor de gemeenschap (verwerven van kennis/inzicht in een betere organisatie van de samenleving).

3. De formele mogelijkheid van deelname aan besluitvorming is een reële kans en daardoor ook een bron van vertrouwen voor de burger, maar ze appelleert tegelijk ook aan zijn verantwoordelijkheid: ondoordachte stoere uitspraken vanuit de huiskamer of van aan de toog volstaan niet meer, cynisch en gefrustreerd stemgedrag kan vermeden worden.

Sceptici kunnen zich echter afvragen waarom betrokken actoren bij het omgaan met complexe sociale problemen bereid zouden zijn om zich ‘zwak op te stellen’ door publiek te reflecteren over de manier waarop zij het probleem, hun eigen belang, het belang van de andere actoren en het algemeen belang rationaliseren. Met deze bedenking raken we aan een centrale politiek-filosofische vraag in verband met democratie die ik als volgt wil formuleren: moet, in het ‘algemeen belang’, een systeem van democratie fundamentele meningsverschillen die in de samenleving bestaan ‘kanaliseren’ en ‘representeren’ of eerder overleg mogelijk maken dat stellingname rond fundamentele meningsverschillen vermijdt? De vraag kan geherformuleerd worden als de vraag of democratie representatief of eerder deliberatief moet zijn. Een dominant uitgangspunt van het hedendaagse politieke en politiek-filosofische denken is het idee dat onze maatschappij inherent antagonistisch is, in de zin dat ‘onze samenlevingen worden gekenmerkt door een veelheid aan onverenigbare levensbeschouwingen’(Geenens and Tinnevelt 2007, 27), dat ‘verdeeldheid tussen mensen niet kan overstegen worden’ (Mouffe 2013, XIV) en zelfs dat ‘een maatschappij niet zonder onenigheid kan bestaan’ (Terpstra 2012, 27). Vanuit deze visies wordt democratie gezien als een ‘beschaafde’ manier om met die onvermijdelijke onenigheid om te gaan.

We kunnen ons echter afvragen op welke manier een samenleving dan wordt gekenmerkt door onverenigbare levensbeschouwingen en ons vragen stellen bij de politieke theorieën die op basis van dat idee stellen dat politiek daarom noodgedwongen altijd een dynamiek van conflictueuze krachtsverhoudingen zal zijn. Veel van die theorieën baseren zich op historische kritieken op de klassenmaatschappij en op de noodzaak van een permanente (overlevings)strijd van het proletariaat tegen de elite. Maar deze kritiek is een (terechte) kritiek op kunstmatig onderhouden machtsverhoudingen en geen ‘bewijs’ van de stelling dat verdeeldheid tussen mensen niet kan overstegen worden en dat politiek daarom niets anders dan een politiek van conflict kan zijn.

We kunnen de stelling dat onze samenleving wordt ‘gekenmerkt’ door onverenigbare levensbeschouwingen en dat politiek daarom noodgedwongen altijd een politiek van conflict zal moeten zijn weerleggen vanuit een redenering over complexiteit.

De karakterisatie van complexiteit van complexe sociale problemen voorgesteld in de derde tekst van deze reeks (Er is geen logica (van complexe sociale problemen)) ondersteunt in eerste instantie de stelling dat die complexiteit vandaag inherent is aan de ‘conditie’ van onze maatschappij, in de zin dat ze onvermijdelijk is en niet kan vereenvoudigd worden door ‘deconstructie’ of door een thematische of geografische ‘afbakening’. Maar die karakterisatie helpt ons ook om in te zien dat inherente complexiteit niet ‘spontaan’ leidt tot conflict tussen onverenigbare levensbeschouwingen. Wat zijn onverenigbare levensbeschouwingen? Als twee mensen zouden vaststellen dat ze ‘onverenigbare levensbeschouwingen’ hebben (bijvoorbeeld over het al of niet bestaan van God of over iets meer werelds zoals het al of niet noodzakelijk zijn van een vermogenstaks) en vinden dat hun beschouwing politiek relevant is en ze zich in die zin willen engageren dan kunnen ze twee dingen doen: ze kunnen aansluiting zoeken bij gelijkgezinden in een politieke beweging of zelf zo’n beweging van gelijkgezinden oprichten. Ze zouden niet noodzakelijk op zoek moeten gaan naar die gelijkgezinden, want in de meeste gevallen zouden ze moeten toegeven dat hun eigen levensbeschouwing niet via solitaire reflectie maar wel ‘in interactie met de maatschappij’ tot stand is gekomen, wat zou betekenen dat ze die gelijkgezinden dus (al dan niet persoonlijk) kennen. Met de specifieke karakterisatie van complexiteit kan men op die manier inzien dat een mening over een complex sociaal probleem gedeeld binnen een groep die zich organiseert rond een bepaald gemeenschappelijk belang in verband met dat probleem op zich altijd een strategisch ‘pre-democratisch’ politiek product is. Met andere woorden: een mening rond een gemeenschappelijk belang ‘bestaat’ niet a-priori in de maatschappij maar komt zelf via politiek discours in de publieke en politieke ruimte tot stand. Daarom ‘bestaan’ er in de maatschappij ook geen ‘a-priori’ fundamentele meningsverschillen tussen groepen onderling die politiek gekanaliseerd en gerepresenteerd zouden moeten worden. Op basis van vorige redenering kunnen we dus inzien dat fundamentele meningsverschillen tussen groepen onderling niet ‘spontaan’ ontstaan maar net veroorzaakt en geconsolideerd worden door strategische stellingnames in de politiek van representatieve democratie. Het is als het ware net het systeem van representatieve democratie zelf dat met haar politiek van conflictueuze krachtsverhoudingen die fundamentele meningsverschillen triggert en consolideert.

Vanuit de redenering rond complexiteit heb ik het idee voorgesteld dat het systeem van representatieve democratie een eerlijk omgaan met die complexiteit eerder verhindert dan mogelijk maakt, en wil ik nu aanvullen dat (een specifiek begrip van) deliberatieve democratie in die zin meer wenselijk is. Op basis daarvan kunnen we argumenteren dat deliberatieve democratie gefundeerd is op morele principes, maar dan in die zin dat ze enkel kans maakt als we eerst vanuit een gezamenlijk ethisch engagement de aard van de complexiteit van onze socio-economische problemen aanvaarden en daaruit conclusies trekken over de vorm van overleg en onze eigen rol, verantwoordelijkheden en mogelijkheden daarin. Als alternatief voor de klassieke visie op politiek als dynamiek van conflictueuze krachtsverhoudingen kan deliberatieve democratie bijgevolg gezien worden als een vorm van democratie die ‘pre-democratische’ strategische stellingname en dus polarisatie kan ‘ontrafelen’ en ontkrachten, maar ook kan anticiperen en vermijden. Echter, uit het praktische model van deliberatieve democratie dat ik hierna schets zal blijken dat dit niet betekent dat mensen zich niet meer rond een gemeenschappelijk belang zouden kunnen organiseren of niet meer zouden kunnen opkomen voor onderdrukten of minderheidsgroepen.

Democratie als dialoog in de praktijk – een denkoefening

Ik laat het hierbij voor de theorie en nodig u – met de drie gesuggereerde motivaties voor deliberatieve democratie in de achtergrond – uit voor een denkoefening.

Gegeven voor de volgende denkoefening: een lijst met neutrale maatschappelijke thema’s zoals voedsel, water, energie, gezondheid, cultuur, onderwijs, onderzoek, huisvesting en urbanisatie, mobiliteit, tewerkstelling, pensioenen, belastingen, …. De thema’s zijn ‘neutraal’ omdat het ‘functionaliteiten’ of voorzieningen zijn waar op zich niemand ‘voor’ of ‘tegen’ is terwijl er ‘binnen’ het thema typisch verschillende visies over de goeie aanpak en organisatie ervan kunnen bestaan.

Denkoefening: kies een thema waarmee u begaan bent, hetzij vanuit een professionele rol, hetzij als vertegenwoordiger van een middenveldorganisatie, hetzij als geëngageerde burger, en denk mee na over de mogelijkheid van het volgende democratische overlegmodel:

Algemene organisatie

[1] U kiest samen met uw medeburgers uit een pool kandidaten een aantal mensen, niet als uw ‘vertegenwoordigers’ om het debat rond uw thema te voeren en zelf beslissingen te nemen, maar als de organisatoren van het debat waarin zij u vervolgens uitnodigen om deel te nemen. Dat debat zou parallel op twee sporen verlopen: een spoor over de inhoud en een spoor over vorm (de organisatie van het debat en de besluitvorming in dat debat zelf). Die twee sporen zouden natuurlijk op elkaar ingrijpen, want het debat over inhoud moet gevoerd worden in verschillende werkgroepen die zich richten op deelaspecten van het thema en op synthese en evaluatie van het werk en de voorstellen van die verschillende werkgroepen. Het spreekt vanzelf dat die syntheses en evaluaties onderwerp van verder debat kunnen zijn.

[2] De organisatoren van het thematische debat richten zelf regelmatig verkiezingen van moderatoren in, want binnen uw thema zijn er veel moderatoren nodig, zowel voor het overleg van werkgroepen rond die deelaspecten als voor de synthese en de evaluatie van dat overleg. Iedereen kan zich kandidaat stellen als moderator. Mensen met een grote betrokkenheid bij het thema (professioneel en/of vanuit een maatschappelijk engagement) kunnen kiezen of ze de rol van moderator willen opnemen of eerder inhoudelijk mee willen debatteren. Moderatoren worden door de deelnemende burgers geëvalueerd en eventueel herkozen, of niet. Ondersteunend personeel voor de organisatie van de debatten wordt aangeworven via vacatures, op dezelfde manier zoals nu ambtenaren worden aangeworven.

[3] De overlegprocessen rond de thema’s zijn zo georganiseerd dat ze onafhankelijk van de besluiten die ze genereren op zich kunnen ‘blijven bestaan’ en continu kunnen doorgaan, maar de groep van organisatoren per thema wordt om de zoveel tijd (bvb drie jaar) herkozen, en een kandidaat-organisator mag maximaal twee opeenvolgende termijnen doen.

[4] Aangezien geen enkel thema nog op een betekenisvolle manier binnen een gesloten lokale context kan beschouwd worden wordt elk thematisch debat zo opgezet dat parallelle processen van lokaal overleg (met aandacht voor lokale omstandigheden) gekoppeld worden aan een globaal proces dat dynamiek en impact op globaal niveau beschouwt. De koppeling wordt zo georganiseerd dat de invloed in twee richtingen mogelijk en betekenisvol is.

[5] Bepaalde thematische processen dienen onderling te overleggen rond ‘gezamenlijke’ problemen (bvb klimaatverandering is een belangrijk aandachtspunt voor de thema’s voedsel, energie, urbanisatie en mobiliteit). Dat overleg wordt geregeld door de verschillende organisatoren van de thematische debatten. Deze coördinatie gebeurt zowel op globaal als op lokaal vlak.

[6] Belangengroepen uit het middenveld blijven een rol vervullen. Afgevaardigden nemen deel aan de debatten en worden per thema geregistreerd. De organisatoren, moderatoren en deelnemende burgers van het ‘tweede spoor debat’ (het debat over vorm) waken mee over de ‘balans’ van gerepresenteerde belangen in de inhoudelijke debatten. De aanwezigheid van belangengroepen in (en hun gewicht op) de debatten is onderwerp van het debat zelf.

[7] Wanneer ze dat nodig vinden kunnen werkgroepen van een thematische debat in samenspraak met de moderatoren en organisatoren referenda opzetten rond bepaalde vragen waarrond ze van de bevolking duidelijkheid willen. Omdat het debat zelf publiek, open en transparant is, zijn die referenda als ‘momentopnames’ zinvol. De vraagstellingen focussen op details, zijn informatief en hebben geen bindend karakter. Ze dienen om het debat bij te sturen en de werkgroepen inzicht te geven in ‘de algemene opinie’ rond bepaalde zaken. Dankzij de technische mogelijkheden van internet en sociale media kunnen deze referenda zonder veel kost en moeite praktisch georganiseerd worden, en kan de bevolking op eenvoudige wijze uitgenodigd worden om mee te doen. Na het referendum geeft de verantwoordelijke werkgroep on-line duiding bij de manier waarop ze het resultaat in rekening brengen.

[8] Bestaande gemeenten, regio’s en landen moeten niet verdwijnen, maar hun rol en betekenis verandert: in plaats van territoria met een politieke structuur en ‘identiteit’ worden het bestuursorganen belast met het uitvoeren van besluiten: de ‘ambtenarij’, als logistiek systeem dat via eigen overlegstructuren besluiten in de praktijk omzet en zelf bepaalde diensten verleent, wordt zo de ‘vertegenwoordiger’ van een bepaalde regio. Ze kan zelf in de debatten deelnemen en zo eigen interpretaties van die praktische realisaties en diensten voorstellen. Haar bestuursleden worden gekozen door de burgers die de thematische debatten voeren en aangesteld voor een bepaalde periode. Ondersteunend personeel wordt, net zoals voor de organisatie van de debatten, aangeworven via vacatures.

Ondersteunende maatschappelijke voorzieningen

[9] Een officieel online discussieplatform per thema (beheerd door de organisatoren van de debatten en hun ondersteunend personeel) geeft op elk moment aan iedere geïnteresseerde inzicht in de stand van zaken van het debat en maakt online bijkomende discussies en commentaar mogelijk; bijkomend, want het debat als een fysieke ontmoeting blijft de kern en de kracht van de deliberatie.

[10] Elke burger die aan de debatten wil deelnemen wordt formeel geregistreerd, en de gegevens over wie aan welk thematisch debat meedoet en wie eventueel welke belangengroep vertegenwoordigt zijn online publiek beschikbaar. Elke burger kan maximaal aan (bijvoorbeeld) drie thematische debatten tegelijk deelnemen. Op deelname aan de online debatten staat geen beperking.

[11] Een systeem van bezoldigd ‘sociaal verlof’ zorgt ervoor dat deelname aan thematische deliberatie voor elke burger combineerbaar is met een job, zowel voor de loontrekkende en de werkloze als voor de zelfstandige.

[12] Organisatoren en moderatoren van de debatten en hun ondersteunend personeel doen hun werk in de vorm van een voltijdse of deeltijdse job betaald via inkomsten uit belastingen. Lokale en internationale instituten faciliteren de organisatie van de debatten en de coördinatie met de bestuursorganen belast met het uitvoeren van besluiten.

Kennisgeneratie voor deliberatieve democratie

[13] Er zijn geen kabinetten en studiediensten meer nodig, want de kennisgeneratie wordt door de deelnemers van de debatten in samenspraak met universiteiten, onderzoeksinstellingen en het middenveld gedaan. Werkgroepen kunnen zelf opdrachten voor onderzoek geven of bestaande studies in overleg met de makers ervan evalueren. Bij die evaluaties worden niet alleen samen met wetenschappers en belanghebbenden uit de privésector en het middenveld onderzoeksresultaten besproken, maar ook en vooral de wetenschappelijke hypotheses die het toekomstig beleid moeten inspireren.

[14] Werkgroepen kunnen deelnemers aan het debat uitnodigen (bvb een vertegenwoordiger van een bepaald commercieel bedrijf) als zij vinden dat hun aanwezigheid vereist is bij het bespreken van een bepaald probleem. Een eventuele principiële weigering van die uitgenodigde wordt publiek bekend gemaakt en als element mee opgenomen in het debat.

[15] Het beleidsondersteunend wetenschappelijk onderzoek is omgevormd in de geest van deliberatieve democratie: onderzoek wordt thematisch georganiseerd en met inbreng van verschillende disciplines (de humane en sociale wetenschappen en de natuur- en technologiewetenschappen), maar ook van burgers en het middenveld. Alle deelnemers bestuderen samen wat we weten en niet weten en op welke manier onvolledige of speculatieve kennis kan gebruikt worden. Ze stellen samen hypotheses voor die geloofwaardig zijn, niet omwille van wat ze vooropstellen maar wel omwille van de methode die gebruikt werd om ze op te stellen. Rond de verworven kennis en de hypotheses formuleren ze doordacht advies dat samen met die kennis en die hypotheses kan opgenomen worden in de thematische debatten.

Onderwijs voor deliberatieve democratie

[16] Voor scholieren van de secundaire scholen en voor studenten hoger onderwijs worden er in alle bestaande studierichtingen aangepaste thematische lessenpakketten voorzien waarin ze onder begeleiding kunnen deelnemen aan de debatten.

[17] Het onderwijs zelf is omgevormd in de geest van (en als voorbereiding op) deliberatieve democratie: kinderen worden niet meer in religieuze of anders-ideologisch geïnspireerde vakjes geduwd maar in samenspraak met henzelf en onafhankelijk van welke richting ze uitgaan opgeleid tot (zelf)kritische wereldburgers met inzicht in de complexiteit van het leven en het samenleven en met de voeling voor solidariteit die daaruit volgt.

[…]

Besluit, en een uitnodiging

Dit model is een voorstel, een schets. Er kan gediscussieerd worden over de praktische aanpak, maar het principe is ijzersterk: politiek overleg organiseren rond neutrale thema’s, organisatoren en moderatoren van de debatten kiezen en burgers, als geëngageerde burger, als ondernemer of als vertegenwoordiger van een organisatie, de kans geven om aan die thematische debatten deel te nemen. Niet iedere burger zal willen meedoen. Op voorwaarde dat het systeem transparant bevonden wordt, is voor veel mensen de wetenschap dat ze zouden kunnen meedoen als ze willen al voldoende om vertrouwen in het systeem te hebben. En als de uitkomst van een lokaal of globaal debat hen niet zint, weten ze dat er de mogelijkheid is om op elk moment in te haken.

Herinner u die andere kleine denkoefening die ik in de vorige tekst voorstelde: stel dat er een politiek democratisch debat plaatsheeft over een zaak die u op één of andere manier aanbelangt. Het maakt niet uit welke zaak of op welke manier ze u aanbelangt, maar het helpt als u zich iets concreet voor de geest haalt. Stel vervolgens dat de uitkomst van dat debat niet is wat u had gewild of gehoopt, maar dat u de beslissing aanvaardt omdat u weet dat ze op een faire manier tot stand gekomen is. Deze mogelijkheid noem ik het ultieme criterium voor democratie: democratie die vertrouwen wekt, niet op basis van beloftes of resultaat, maar omwille van haar methode. Mijn argument is dat ons huidig systeem van democratie dat vertrouwen niet kan opwekken, en het model van deliberatieve democratie zoals hierboven voorgesteld wel.

Bent u enthousiast over dit model en hebt u nog andere ideeën ervoor? Laat het dan weten. Bent u sceptisch over de doenbaarheid ervan? Laat het dan ook weten, maar ik daag u uit om verder te gaan dan de stereotiepe kritieken die er nu al bestaan. De eerste stereotiepe kritiek is dat deliberatieve democratie alleen maar kan leiden tot praatbarakken die omwille van te sterk uiteenlopende visies nooit tot consensus en actie kunnen leiden. Die kritiek kan op twee manieren weerlegd worden. Ten eerste kan men zich inbeelden dat een goed georganiseerd deliberatief debat ook een debat is dat dicht bij de realiteit blijft, en net omdat het vertrouwen in het debat ‘in de methode ingebouwd zit’ kan een besluit een grotere kwaliteit hebben, in de zin dat er telkens brede steun zou zijn om het een kans te geven. Bij besluiten die niet eenvoudig omkeerbaar zijn (zoals bij grote infrastructuurwerken) kunnen zowel burgerzin als de kwaliteiten van organisatoren en moderatoren garanties zijn om op tijd en stond tot concrete besluiten te komen. De tweede manier om de kritiek te weerleggen is via de simpele vaststelling dat er momenteel geen overtuigende argumenten zijn waarom ons huidig systeem van democratie dan geen praatbarak zou zijn.

De andere kritiek is ook gekend: burgers zouden niet voldoende geïnformeerd zijn en niet genoeg expertise en kennis van zaken hebben om gewicht op besluitvorming te mogen hebben. Ook die kritiek kan gemakkelijk weerlegd worden. In eerste instantie zou deliberatie altijd opgevat worden als een leerproces voor alle deelnemers (wat niet kan gezegd worden van de huidige politieke debatten). Ten tweede weten we natuurlijk dat politici vandaag ook niet alwetend zijn en dat ze zich laten informeren door hun adviseurs en studiediensten. Het proces van advies en onderzoek zou in deliberatieve democratie tenminste transparant en reflexief zijn, in plaats van een middel in strategische positionering. Ten derde zijn burgers niet ‘gewoon maar burgers’, maar als werknemer, ondernemer, wetenschapper, filosoof, NGO vertegenwoordiger, onderwijzer, huismoeder/vader, hulpverlener, kunstenaar, activist, … zelf bronnen van essentiële expertise die anders uit tweede hand zouden moeten ingevoerd worden.

Voor alle duidelijkheid dus: kritiek op het idee en de praktische mogelijkheid van deliberatieve democratie is relevant, en kan de discussie alleen maar verrijken. Het probleem is echter dat veel sceptici het realistische van het model op zich verwarren met het realistische van de kans dat het ooit zou kunnen ingevoerd worden. En bij die sceptici zijn ook de politici van vandaag die zich, uit zin voor zelfbehoud, strategisch verbergen achter die tweede soort kritiek.

Tot slot nog dit: deliberatieve democratie zoals hierboven voorgesteld vereist een totale hervorming van ons lokaal, nationaal en globaal politiek landschap (en van ons onderzoeks- en onderwijssysteem) en is daarom idealistisch. Maar er is vandaag geen enkel excuus waarom rond bepaalde thema’s (zoals mobiliteit of energie) als ‘aanvulling’ op bestaande lokale, nationale en internationale politiek geen deliberatieve processen zouden kunnen georganiseerd worden en de uitkomst daarvan niet ernstig zou kunnen genomen worden. In feite bestaat dit soort ‘deliberatieve democratie light’ vandaag al. Ze wordt via ‘inspraakprocessen’ geïnitieerd door ‘klassieke’ politieke overheden en de uitkomsten worden in sommige gevallen inderdaad ernstig genomen. Maar ze blijven te ad hoc, in de zin dat het nog steeds de klassieke politieke macht is die naar eigen goeddunken beslist of er een inspraakproces komt en of er met de uitkomst rekening gehouden wordt.

We moeten in ons huidig politiek systeem constant blijven vechten voor de mogelijkheid op inhoudelijke inspraak vanuit de maatschappij, maar de reflecties in deze en vorige tekst over die huidige democratie als ‘onbeschaafd conflict’ motiveren mijns inziens de stelling dat we op zich niet meer ad hoc inspraakmomenten nodig hebben, maar wel een grondige hervorming van ons politiek, onderzoeks- en onderwijssysteem op zich. Laat ik dit tweede deel over de noodzaak en mogelijkheid van deliberatieve democratie daarom eindigen met een statement: wie nagaat hoe er vandaag met politiek omgegaan wordt, en tegelijk bedenkt dat er een praktische mogelijkheid voor ons ligt om het voor iedereen beter te doen, kan niet anders dan vaststellen dat het politieke systeem dat we vandaag gebruiken choquerend primitief is, steeds weer vatbaar is voor openlijk misbruik, en eigenlijk gewoon een belediging is voor elke geëngageerde burger.

Referenties

Bohman, James, and William Rehg. 1997. Deliberative Democracy: Essays on Reason and Politics. MIT Press.

Geenens, Raf, and Ronald Tinnevelt. 2007. De Stem Van Het Volk. Lannoo Uitgeverij.

Mouffe, Chantal. 2013. Agonistics: Thinking The World Politically. 1 edition. London ; New York: Verso.

Terpstra, Martin. 2012. Onenigheid En Gemeenschap – Basisboek Politieke Filosofie. Boom.

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst. Zelf een bijdrage insturen, doe je hier.

Auteur: Gaston Meskens

Gaston Meskens is kernfysicus, filosofisch activist en kunstenaar. Als onderzoeker in de moraalfilosofie bij de Universiteit Gent en als vertegenwoordiger van het Centre for Environment and Development bij de Verenigde Naties werkt hij rond het begrip van duurzame ontwikkeling vanuit het perspectief van mensenrechten.