Weg met de democratie (als onbeschaafd conflict)

 Leestijd: 22 minuten0

Er is geen alternatief voor ons beleid” zei de schaduwpremier, en hij verwierp daarmee tegelijk een basisidee van het systeem democratie waarin hij zelf opereert, namelijk het idee dat de oppositie niet in de oppositie zit omdat haar visie op beleid ‘fout’ zou zijn, maar gewoon omdat ze met haar alternatieve visies uit de coalitie gesloten wordt. Met de verkiezingen worden ‘de kaarten verdeeld’ en wordt er een bepaalde politieke balans gesuggereerd. Maar welke partijen uiteindelijk samen regeren, wordt niet bepaald door de kiezer, maar in onderling overleg tussen partijen die elkaar sympathiek vinden of in ruil voor macht bereid zijn elkaar te tolereren. De enige regels zijn dat die partijen elk de kiesdrempel halen en samen een meerderheid vertegenwoordigen. Wat overschiet verzamelt in de oppositie en het steekspel kan beginnen.

Gaston Meskens

Gaston Meskens

Deze tekst gaat over de tekortkomingen van dat systeem, zijnde het systeem van representatieve democratie via partijpolitiek en verkiezingen en opgezet binnen de natiestaat, en over hoe die tekortkomingen dan ook nog eens door de politiek misbruikt worden. Maar de argumentering gaat verder dan kritiek. Ik maak geen aanbevelingen om het systeem te verbeteren, want mijn stelling is net dat het systeem, omwille van het systeem én omwille van de mogelijkheid tot misbruik ervan, nooit maatschappelijk vertrouwen kan genereren. Bij dat argument voeg ik vervolgens de bedenking dat zoiets wel kan met een alternatief systeem van deliberatieve democratie. In dat alternatief, waarvan het basisprincipe verdedigd wordt door een groter wordende groep filosofen, wetenschappers en activisten, is geen plaats meer voor partijpolitiek, en wordt ook de positie van de natiestaat gerelativeerd. En inderdaad: er zijn ook politici die het idee genegen zijn, maar dat zijn dan enkel diegenen die inzien dat maatschappelijk welzijn en vertrouwen in de politiek niet meer kunnen gedacht worden vanuit de politieke comfortzone van de partij en de natiestaat. In die zin wil ik hier al stellen dat ik ook geen heil zie in het gebruik van het referendum als ‘aanvulling’ op het huidige systeem (zelfs niet als bindend referendum). Het nadeel van het referendum als systeem op zich is dat het altijd een momentopname is en dat het de indruk wil geven dat een debat rond een complexe maatschappelijke kwestie kan vervangen worden door een éénmalige ‘gesloten’ vraagstelling met meerkeuze-opties. Maar de reden waarom veel politici tegen het referendum zijn, heeft natuurlijk niet te maken met deze systemische mankementen, maar wel met het feit dat ze menen dat ze als verkozenen zelf geen verdere inspraak moeten organiseren. Ik zal om die redenen het referendum in de kritiek die volgt niet verder ter sprake brengen. Maar omdat een referendum met een doordachte vraagstelling en een niet-bindend karakter als aanvulling op een maatschappelijk debat wel waardevol kan zijn, kom ik er in de bedenkingen rond de praktische mogelijkheid van deliberatieve democratie op terug.

Deze tekst en de twee die hierop zullen volgen vormen samen de volgende stap in de reeks essays onder de titel “Occupy Reflection Space”, en we bereiken een cruciale fase in die ‘zoektocht naar een alternatieve vorm van politiek overleg die, voorbij de strijd tussen partijdige visies en beloftes, op zich door haar methode vertrouwen wekt’. De oefening die ik mezelf nu opleg is niet simpel: vanop de klimaatconferentie van de Verenigde Naties in Lima, tussen workshops en vergaderingen door, schrijven over deliberatieve democratie. Nadenken over een theoretisch ideaal van politiek overleg middenin een strijd om nationaal en economisch zelfbehoud rond een doemscenario ‘dat ons allen aanbelangt’ lijkt een redelijk naïeve bezigheid, zeker als ik daarbij ook nog eens het politieke conflict beschouw dat ondertussen in België op de spits gedreven wordt. En net omdat zelfbehoud en conflict politiek eerder hinderen dan vooruithelpen heeft nadenken over deliberatieve democratie zin, zowel voor het klimaat als voor ons sociaal welzijn. Maar laat ons beginnen met een kleine denkoefening.

Vertrouwen – een denkoefening

Stel dat er een politiek democratisch debat plaats heeft over een zaak die u op één of andere manier aanbelangt. Het maakt niet uit welke zaak of op welke manier ze u aanbelangt, maar het helpt als u zich iets concreet voor de geest haalt. Stel vervolgens dat de uitkomst van dat debat niet is wat u had gewild of gehoopt, maar dat u de beslissing aanvaardt omdat u weet dat ze op een faire manier tot stand gekomen is. Deze mogelijkheid noem ik het ultieme criterium voor democratie: democratie die vertrouwen wekt, niet op basis van beloftes of resultaat, maar omwille van haar methode.

Hou deze denkoefening in gedachten, want ze vormt het kader voor wat hierna volgt. Nadenken over deliberatieve democratie als alternatief voor het huidige systeem impliceert zowel nadenken over de noodzaak als over de mogelijkheid ervan. Samengevat komt het hier op neer:

(1) Noodzaak – Ons huidig politiek systeem van democratie, op basis van partijpolitiek en verkiezingen, en georganiseerd binnen de natiestaat is niet in staat om de complexiteit van onze maatschappelijke problemen op een vertrouwenwekkende en efficiënte manier aan te pakken, en dit niet alleen omwille van het feit dat het systeem zelf faalt, maar ook omdat het geen betekenisvolle kritiek toelaat of stimuleert. Deliberatieve democratie is een alternatief, maar dan niet in de populistische interpretatie van ‘directe democratie’ maar wel als een formele vorm van democratie die via haar praktische methode vertrouwen wekt: politiek moet niet meer georganiseerd worden als strijd tussen oude politieke ideologieën of binnen oude historische geografische grenzen, maar als een continu overlegproces rond neutrale thema’s (sociale zekerheid, energie, voedsel, transport, …) waarvoor burgers en middenveld hun moderatoren kiezen en waarin ze vervolgens met elkaar in debat gaan. Om vertrouwen te wekken moet dat debat zo georganiseerd worden dat het tegelijk confronteert en emancipeert en geen comfortzones meer toelaat. Maar omdat er nooit kan aangetoond worden wat de juiste vorm van dat overlegproces zou moeten zijn, impliceert vertrouwen ook de mogelijkheid van debat over de vorm van politiek zelf. Deliberatieve democratie is daarom een vorm van democratie die niet alleen op een vertrouwenwekkende manier over inhoud debatteert, maar die ook een permanent proces van deliberatie over haar eigen methode onderhoudt.

(2) Mogelijkheid – De mogelijkheid van deliberatieve democratie kan op drie manieren gedacht worden: (1) de praktische mogelijkheid van het model op zich, (2) de praktische mogelijkheid van een hervorming van het huidige politieke systeem naar dat model, en (3) de ‘zin’ voor deliberatieve democratie zoals ze zou leven in de maatschappij. Een schets van de praktische mogelijkheid van het model van deliberatieve democratie op zich is essentieel, maar krijgt pas betekenis na kritiek op het huidige systeem. Daarom zal ik het behandelen in een volgende tekst. Over de mogelijkheid van hervorming naar dat model kunnen we kort zijn: naast revolutie is de enige mogelijke hervorming van een politiek systeem een democratische hervorming geïnitieerd door een politieke zelfreflectie van waaruit deze hervorming als noodzakelijk zou voortkomen. Maar afgezien van sporadische voorstellen voor ’correcties’ staat principiële hervorming van het systeem vandaag niet op de agenda van politieke partijen. Vanuit kritisch perspectief kunnen we zeggen dat zelfreflectie met het oog op een eventuele hervorming naar een ander democratiemodel nooit zal ‘ontstaan’ in een politiek model waarin de verschillende actoren het model vooral gebruiken voor hun eigen zelfbehoud. Met andere woorden: de tragiek van deliberatieve democratie is dat haar ‘formele mogelijkheid’ in handen ligt van diegene die skeptisch of zelfs vijandig staan tegenover het idee. De derde betekenis van ‘mogelijkheid’, als de ‘zin’ voor deliberatieve democratie zoals ze zou kunnen leven in de maatschappij, is daarom interessanter. Mijn argument is dat deliberatieve democratie als een vertrouwen wekkend en efficiënt alternatief voor de politiek van vandaag de ‘logische’ politieke overlegmethode zou zijn van een samenleving geïnspireerd door een ‘positief’ begrip van solidariteit. Als antwoord op het tegenwoordig dominante negatieve begrip van solidariteit (‘iedereen moet bijdragen’) stel ik als positief solidariteitsbegrip dat ‘iedereen moet kunnen bijdragen’. Met andere woorden: in een samenleving die onze complexe sociale problemen aanpakt vanuit een positieve visie op solidariteit heeft elke mens het recht om mee verantwoordelijk te zijn in het overleg rond de aanpak van die problemen. Solidariteit gaat dan niet over ‘geven’ maar over ‘kansen geven’. En in een politiek systeem dat zich zou baseren op dit solidariteitsbegrip vallen de maskers af. Je kan als machthebber namelijk geen mensen kansen geven zonder zelf een stuk controle af te staan, en dat is nu net het gegeven waar machtsgeile, populistische en zelfgenoegzame machthebbers niet mee om kunnen. We hebben vandaag meer dan ooit nood aan een kritische beweging die ijvert voor een vertrouwenwekkend en efficiënt alternatief voor de politiek van vandaag. Maar die beweging moet vanuit een grondstroom komen die niet handelt vanuit eigenbelang en die in haar kritiek zelf bereid is om het conflictdenken (van ‘links’ tegen ‘rechts’) achterwege te laten. Om politiek populisme en neoliberaal onthecht cynisme te counteren is geen betere definitie van ‘links’ nodig, maar een meer doordacht en (zelf)kritisch verhaal rond solidariteit, en voorstellen en acties om dat verhaal in de praktijk om te zetten. Ik zal argumenteren dat de positieve visie op solidariteit zoals hierboven voorgesteld niet alleen het idee deliberatieve democratie motiveert, maar dat het net deze visie op solidariteit is die deliberatieve democratie in de praktijk kan doen werken.

 ‘lezing ‘Welkom in het tijdperk van de reflexiviteit’ – stRaten-generaal congres Democratie Vandaag – 19 november 2014)’

‘lezing ‘Welkom in het tijdperk van de reflexiviteit’ – stRaten-generaal congres Democratie Vandaag – 19 november 2014)’ (Foto Ademloos)

Een tekst in drie delen

Verder bouwend op de vorige essays in deze reeks wil ik de argumentatie rond noodzaak en mogelijkheid van deliberatieve democratie in drie teksten verder uitwerken. Het vervolg van voorliggende tekst focust op die noodzaak, vanuit een kritiek op het huidige systeem. In de tweede tekst die hier op volgt, zal ik mijn visie op het basisprincipe van deliberatieve democratie formuleren, en een mogelijke praktische interpretatie ervan voorstellen. Maar zoals ik hierboven stelde is een praktische interpretatie niet voldoende, want de mogelijkheid van deliberatieve democratie zit niet alleen vervat in haar praktische ‘doenbaarheid’, maar ook en vooral in de gezamenlijke bereidheid die we in onze samenleving zouden hebben om deliberatieve democratie als principe in de praktijk mogelijk te maken. Daarom zal ik mijn bedenkingen over deliberatieve democratie eindigen met een derde deel over die (eventuele) gezamenlijke bereidheid, en dit vanuit het idee van positieve solidariteit.

Bij wat verder volgt, weet ik dat ik me binnen de praktische context van deze tekst moet beperken tot het schetsen van de grote lijnen en tot een minimum van referenties en bronnen. Ik hoop daarbij dat die grote lijnen aanzet voor verdere discussie kunnen zijn, en dat de nogal droge en directe toon van mijn argumenten niet geïnterpreteerd wordt als een teken van een ongebreidelde overtuiging van het eigen gelijk. Zoals ik in de inleiding van deze reeks ook opmerkte zijn deze teksten geschreven als reflecties en als uitnodiging tot dialoog. En tenslotte nog dit: ik ben mij natuurlijk bewust van het idealistische karakter van mijn pleidooi voor deliberatieve democratie en ik ken de sceptici die hierbij de bedenking maken dat we geen tijd hebben om ons bezig te houden met dit soort irreële en ‘naïeve’ filosofie, en dit omdat er dringende problemen aan te pakken zijn en dat we bij het aanpakken van die problemen vooral maar moeten aanvaarden dat er geen alternatief is voor politiek als populistisch machtsspel. Een andere kritiek is dat het door de globale macht van financiële markten en megabedrijven eigenlijk niet meer uitmaakt welk democratisch model we zouden hanteren omdat politiek toch al bepaald wordt door de markt. Het spreekt vanzelf dat deze bedenkingen waardevol zijn en in rekening moeten gebracht worden. Ik kom daar in de derde tekst op terug.

Democratie als onbeschaafd conflict – een kritiek

Argumenteren over de noodzaak van deliberatieve democratie gebeurt natuurlijk niet vanuit het ijle, maar wel vanuit een kritiek op de wijze waarop democratie vandaag werkt en vanuit een kritische reflectie in verband met de dominante maatschappijvisie van waaruit die werking verdedigd wordt. Democratie werkt vandaag via een systeem van representatieve democratie dat georganiseerd wordt als een ‘beschaafd conflict’ tussen ‘vertegenwoordigers’ van de bevolking die zich ideologisch groeperen en positioneren als politieke partijen. Het beschaafd conflict speelt daarbij niet alleen tussen meerderheid en oppositie, maar ook tussen die politieke partijen onderling. Bij verkiezingen duidt het volk aan welke (leden van die) politieke partijen zij als hun vertegenwoordigers in die meerderheid wensen. Belangrijk daarbij is de bedenking dat de kandidaten van die partijen per definitie niet geïnteresseerd zijn in de visie van de kiezer op problemen en oplossingen, maar enkel in de mogelijkheid om op basis van hun eigen visie verkozen te worden.

Kritiek op dat systeem kan zich bijgevolg richten op de manier waarop het systeem van democratie vandaag gebruikt wordt en op de ratio van dat systeem zelf. Ik geef hierna van beide mijn versie (met de Belgische context als voorbeeld) en breng ze met elkaar in verband.

Wangedrag en hoogmoed

Voor de kritiek op de manier waarop het huidige systeem gebruikt wordt, liggen de aanleidingen voor het rapen. Het schouwspel dat zich de laatste tijd hier bij ons afspeelt, is voor mij al een voldoende overtuigend voorbeeld van hoe een politieke commune geen enkele moeite meer doet om ‘via haar methode’ maatschappelijk vertrouwen te wekken: elitaire onderonsjes met de privésector (zoals in het Oosterweeldossier) worden zelfs niet meer binnenskamers gehouden, wettelijke voorzieningen van publieke inspraak worden strategisch geïnterpreteerd en gemanipuleerd, verkiezingsbeloftes worden zonder scrupules opzij geschoven als ze coalitievorming in de weg staan, politici lopen over naar eender welke andere partij als hen dat beter uitkomt, functies van partijleider, burgemeester, minister, parlementslid, ondernemer, ad vocaat, bestuurslid, commissielid, etc. worden naar believen in alle wettelijk mogelijke combinaties gecumuleerd tot het degoutant wordt, politici stellen zich kiesbaar op posten waarin ze niet geïnteresseerd zijn en die ze nooit gaan opnemen, politici die nooit op kieslijsten hebben gestaan worden vanuit het niets op ministerposten gekatapulteerd, … Dat politici dit soort wangedrag aanvaardbaar en zelfs normaal kunnen vinden, kan alleen maar wijzen op het bestaan van een soort onderlinge verstandhouding (over de partijgrenzen heen) waarin deze manoeuvres gewoon als deel van ‘het politieke spel’ gezien worden en helemaal niet als immoreel gedrag. Als er al kritiek vanuit de politiek zelf komt, dan komt die (als deel van het spel) vanuit de oppositie, wat niet uitsluit dat zij bij gelegenheid gewoon hetzelfde zou doen.

De politieke onderlinge verstandhouding waarin dit soort gedrag getolereerd wordt, steunt op een onderling gedeelde interpretatie van ‘hoe het systeem werkt’ en wat het daarbij betekent om ‘van de kiezer een mandaat te krijgen’: de vrijgeleide om na de verkiezingen eender welke mathematisch mogelijke coalitie te vormen, daarmee een regeerakkoord te onderhandelen dat helemaal niet meer consistent moet zijn met wat er in de verkiezingscampagnes verkondigd en beloofd werd, en gedurende een aantal jaren zonder verdere bemoeienis van de maatschappij daarmee ‘aan de slag te gaan’. Een inhoudelijke verantwoording op het einde van de legislatuur in verband met niet gehouden beloftes of een slechtere toestand (bijvoorbeeld gestegen werkloosheid) is niet nodig, want ‘de afrekening’ gebeurt toch met de volgende verkiezingen, en tegen dan staan de regerende partijen en hun individuele kandidaten wel klaar met een nieuw verhaal.

En hiermee komen we tot de kern van het probleem: het mandaat van ‘vertegenwoordiger’ van het volk wordt door politici vandaag systematisch niet als een vorm van bemiddeling maar als een vrijgeleide gezien. En met die vrijgeleide wordt politiek voor politici het privilege van de onderlinge twist ‘boven de hoofden van de mensen’. Het mandaat als vrijgeleide en het politieke debat als maatschappelijk onthechte onderlinge twist, maken samen dat de fameuze ‘kloof tussen politiek en de burger’ geen malaise maar eerder een principe van dit soort democratie wordt. Er zijn ontelbare uitspraken van politici die als bewijs kunnen gebruikt worden van deze politiek gedeelde interpretatie van ‘hoe het systeem werkt’. Als illustratie kan ik me hier beperken tot een paar bedenkingen van politici naar aanleiding van de recente Klimaatzaak – actie: minister Schauvliege vindt de plannen tot dagvaarding bijzonder verregaand en maakt daarbij de volgende bedenking:

Normaal vraagt de politiek om de zoveel jaar wat de kiezer van het beleid vindt. Naar de rechter stappen omdat je vindt dat het beleid niet oké is, is heel verregaand natuurlijk.

Het eerste deel van de zin zegt genoeg: als je een politiek mandaat als een principiële vrijgeleide ziet is een rechtszaak als principe natuurlijk ‘verregaand’. Naar aanleiding van Klimaatzaak kwam er een actualiteitsdebat over het klimaatbeleid in het Vlaams Parlement, en fractievoorzitter Chris Janssens van het Vlaams Belang stelde op voorhand dat zijn fractie niet zou deelnemen, aangezien hij het ongehoord vond dat de initiatiefnemers van Klimaatzaak de politieke agenda mogen bepalen …

De twee geciteerde politici zijn natuurlijk niet de enige die het niet normaal en zelfs ‘ongehoord’ vinden dat burgers tussen de verkiezingen door de politieke agenda willen bepalen, en de eerder metaforische en gemediatiseerde actie van Klimaatzaak mag ons niet doen vergeten dat burgerparticipatie, via inhoudelijk debat, door veel politici vandaag nog steeds eerder als hinderlijk dan als een toegevoegde waarde gezien wordt, en dat we nog oneindig ver verwijderd zijn van een overlegmodel waarin burgerparticipatie als een recht zou beschouwd worden. Natuurlijk zijn er politici die ‘ondanks het systeem’ een zinvol inhoudelijk contact met de burger proberen te onderhouden, maar ze zijn zeldzaam en ze werpen zich doorgaans niet op als systeemcriticus. Het idee om participatie als toegevoegde waarde voor beleid te zien is nochtans essentieel, omdat het op zich wijst op een vorm van politieke bescheidenheid. De mening dat je als kleine groep vertegenwoordigers ‘inhoudelijk’ in staat bent om voor een maatschappij beslissingen te nemen is in het beste geval gegrond in een soort goedbedoelde lichtzinnigheid, en in het slechtste geval in pure zelfgenoegzaamheid. Politici die er zonder meer van uitgaan dat het systeem van representatieve democratie via partijpolitiek en verkiezingen het enige legitieme systeem van democratie is, kunnen niet anders dan gedreven worden door hoogmoed en machtswellust en voelen eigenlijk alleen maar misprijzen voor het volk (dat in hun ogen manipuleerbaar is en/of te dom om voor zichzelf na te denken). Zij die daarentegen denken dat het systeem het enige werkbare systeem is gaan, al dan niet strategisch, uit van een dunne interpretatie van het idee participatie en maken er zich gemakkelijk van af door te stellen dat ‘we nu éénmaal niet iedereen kunnen laten deelnemen aan overleg’ (ik kom hier op terug in de volgende tekst over een mogelijke praktische interpretatie van deliberatieve democratie). Belangrijker hier is dat we als besluit kunnen stellen dat het begrip van het collectieve en individuele politieke mandaat als een soort van vrijgeleide om ontkoppeld en onthecht van de maatschappij invloed uit te oefenen op de sociale realiteit vandaag door geen enkele politicus in vraag wordt gesteld. De anekdote dat de actiegroep stRaten-generaal ooit uitgenodigd werd om samen met Bart De Wever en Ludo Van Campenhout in debat te gaan over het thema “Burgerparticipatie als bedreiging van de democratie” is meer dan anekdotisch: ze is in haar extreme vorm symbolisch voor het blijvende bestaan van scepticisme voor het idee participatie in politieke kringen.

Polarisatie, populisme en globalisering

Deze bedenkingen brengen ons van kritiek op gedrag naar systeemkritiek. Een kritiek op het politieke systeem moet natuurlijk ingebed worden in een algemenere maatschappijkritiek die ook andere ‘werkingsprocessen’ zoals de markt en de wetenschap beschouwt. Mijn versie van die maatschappijkritiek heb ik uitgebreid uiteengezet in een vorig stuk (Er is geen logica van complexe sociale problemen) en kan hier samengevat worden in een paar zinnen: de complexiteit van onze maatschappelijke uitdagingen is van die aard dat ze vandaag niet meer op een vertrouwenwekkende en efficiënte manier door de traditionele vormen van politiek, wetenschap en de markt kunnen aangepakt worden. Die traditionele methodes zijn gebaseerd op het idee dat ze ‘zelfregulerend’ kunnen werken, maar een analyse van de complexiteit van onze sociale problemen motiveert het inzicht dat die zelfregulering niet werkt. Over markt en wetenschap kunnen we in de context van deze tekst kort zijn: een vrije en competitieve markt is blijkbaar niet in staat haar eigen ethische grenzen te bepalen (en er zich naar te gedragen), en de ‘objectieve’ wetenschap moet bekennen dat haar ultieme uitdaging vandaag niet langer het aanbrengen van geloofwaardige bewijzen is, maar wel het opstellen van geloofwaardige hypotheses. In dat vorige stuk argumenteerde ik dat net daarom het debat over de ethische grenzen van de markt en over geloofwaardige wetenschappelijke hypotheses in samenspraak met de maatschappij moet gevoerd worden, en dat de politiek daarin als bemiddelaar moet optreden. Maar ik argumenteerde ook dat de politiek zelf, in de vorm van representatieve democratie via partijpolitiek en verkiezingen, en georganiseerd binnen de natiestaat, niet langer in staat is om op basis van haar eigen interne logica ‘zelfregulerend’ te werken en daarbij vertrouwen te wekken. Daarbij gaat het niet alleen over politiek wangedrag of de hoogmoedige visie op representatieve democratie die ik hierboven schetste, maar ook over de tekortkomingen van het systeem zelf. Die heb ik in het vorige stuk kort vermeld en wil ik hier verder uitwerken. Ik zie drie tekortkomingen in die zin.

Polarisatie

De eerste is dat representatieve democratie, als het zoeken naar compromis op basis van een georganiseerde ‘battle of opinions’ tussen verkozen vertegenwoordigers van politieke partijen, eerder polarisatie dan toenadering veroorzaakt. We mogen niet vergeten dat de politieke structuren die we geërfd hebben uit de moderniteit (het systeem van representatieve democratie, politieke partijen, vakbonden, middenveld) ontstaan zijn vanuit een sociaal en politiek emancipatieproces, waardoor hun vorm en onderlinge relatie als het ware niet de kritiek maar het conflict als principe representeert en consolideert. Dat systeem werkt niet meer, en dat komt vooral omdat de traditionele partij-ideologieën hun betekenis als motor voor actie verloren hebben. Onze maatschappelijke uitdagingen, zij het sociale zekerheid, armoede of het omgaan met klimaatverandering, zijn zo complex geworden dat er niet meer zoiets bestaat als ondubbelzinnig afgelijnde liberale, socialistische, christendemocratische, groene, nationalistische, … standpunten die op een betekenisvolle manier ‘tegenover elkaar’ kunnen gesteld worden. Omwille van het systeem worden partijen als het ware verplicht om binnenskamers eerst die complexiteit strategisch te ‘vereenvoudigen’ (door nuance uit te filteren) zodat ze daarna met een duidelijk standpunt naar buiten kunnen komen (en het maakt niet uit of ze daarbij in de meerderheid of in de oppositie zitten). Het argument dat dit systeem niet meer werkt kan niet alleen gemotiveerd worden door te wijzen op de manier waarop conflicten steevast tot polarisatie, patstellingen en uitstelgedrag (‘tot na de verkiezingen’) leiden, maar wordt ook ondersteund door de observatie dat de partijen al dan niet bewust zelf de ratio van die structuren aan het ondergraven zijn. Traditionele partijen (socialisten, christen-democraten, liberalen) situeren zich rond het ‘centrum’ tussen ‘centrum-links’ en ‘centrum-rechts’ en profileren zich met programma’s die steeds meer op elkaar lijken. Deze evolutie mag een logisch gevolg zijn van een meer ‘gematigde’ visie op maatschappelijke organisatie, maar ze leidt anderzijds ook tot een soort ‘identiteitscrisis’ bij die traditionele partijen. Geconfronteerd met de complexiteit van onze sociale uitdagingen proberen de traditionele partijen in bezinningscongressen krampachtig hun ideologie en profiel te herdenken en ervoor te zorgen dat ze zich daarbij toch nog duidelijk genoeg van elkaar onderscheiden. Politieke reflectie dient in die zin niet langer het belang van de maatschappij maar louter het zelfbehoud van de partij. En als er zich dan een thema aandient waarop er kan geprofileerd worden (zoals de vermogens(winst)belasting) reduceert het debat zich onmiddellijk tot een polariserend welles-nietes spel waarin geen ruimte voor reflectie of nuance is. Het is in die zin interessant om het verschil tussen de traditionele politieke partijen enerzijds en de traditionele vakbonden anderzijds te beschouwen: het recente vakbondsprotest tegen de Federale en Vlaamse regering maakt duidelijk dat de traditionele vakbonden zelfs geen moeite meer doen om zich ideologisch van elkaar te onderscheiden (een observatie die trouwens als argument kan gebruikt worden voor een hervorming van de vakbond tot wat ze hoort te zijn: een sociaal noodzakelijke a-politieke belangengroep in het middenveld die, via rechtmatige representatie binnen de bedrijven, waakt over de arbeidsrechten van werknemers). De naoorlogse politieke geschiedenis is ook gekenmerkt door de opkomst van themapartijen die zichzelf als ‘correcties’ op het traditionele politieke veld zagen, in de zin dat ze thema’s onder de aandacht wilden brengen die bij de traditionele partijen, al dan niet omwille van hun ‘traditionele blik’, geen aandacht kregen. Maar ook bij die partijen wordt er vandaag vanuit de drang tot zelfbehoud gemorreld aan de ideologie. De partij Groen zag zich genoodzaakt om haar focus te verbreden en haar programma ‘uit te breiden’ om zodoende net zoals de traditionele partijen de kiezer een totaalpakket te kunnen aanbieden (en ondertussen vindt de SP-A dan weer dat haar nieuw profiel groener moet worden). Het Vlaams Belang verliet de harde lijn om meer salonfähig te worden, maar moet nu terug verscherpen om toch nog een beetje onderscheid met de N-VA te kunnen maken. En de N-VA zelf switcht tussen haar neoliberaal en nationalistisch-populistisch discours zoals het haar op elk moment het beste uitkomt.

Als besluit bij deze kritiek op het polariserende effect van democratie als (partij)politiek conflict wil ik ook de aandacht vestigen op een meer verborgen dynamiek van polarisatie, namelijk diegene die zich voordoet binnen beleidsondersteunend wetenschappelijk onderzoek. Zoals ik al eerder stelde gaat wetenschap vandaag niet meer over het produceren van geloofwaardige bewijzen, maar van geloofwaardige hypotheses. Door de complexiteit van onze problemen is de interpretatieruimte daarbij zo groot dat studies vandaag ook op maat van politieke kleur en ideologie kunnen gemaakt worden. Politieke partijen bestellen hun studies bij ‘bevriende’ instituten of experten, en dat fenomeen – wat ik ‘politiek wetenschapswinkelen’ noem – is vandaag meer regel dan uitzondering. Die studies betreffen doorgaans ernstig wetenschappelijk onderzoek. Het echte probleem daarbij is dus niet dat bestelde studies elkaar ‘tegenspreken’, maar wel dat ze enkel besteld worden om het politieke standpunt te ondersteunen, en niet als basis gebruikt worden voor verdere vergelijkende analyse en betekenisvol debat. Voor de geïnteresseerden: in een paper voor het Journal Energy Strategy Reviews heb ik een aantal voorbeelden hiervan besproken voor de context van energie en klimaatverandering.

Populisme

De tweede tekortkoming van het huidige systeem van representatieve democratie is dat het politiek populisme bevoordeelt. De klassieke versie van populisme vinden we bij zelfverklaarde politieke goeroes die mensen een ‘collectieve identiteit’ opleggen (en daarbij hun onderlinge diversiteit ontkennen) en pretenderen hun ‘gemeenschappelijke wil’ te kennen en te representeren. In tijden dat het slecht gaat, komt daar ook nog eens de tactiek van stigmatisatie en het zaaien van tweedracht bij: de populist heeft een conservatieve visie op ‘de sociale orde’ en wint kiezers door te wijzen op het ‘feit’ dat hun miserie de schuld is van bepaalde groepen ‘profiteurs’ of ‘saboteurs’ (Walen, migranten, asielzoekers, werklozen, activisten, kunstenaars, …). Belangrijk is te stellen dat dit soort populisme niet wordt veroorzaakt door het systeem van representatieve democratie via partijpolitiek en verkiezingen, maar wel dat populisten, in vergelijking met politici die hun campagne of beleid op een bedachtzame manier willen voeren, met hun waarheden, stigmatisaties en calimero-gedrag op een meer efficiënte manier van het systeem gebruik kunnen maken. Een voorbeeld daarvan is Koen Kennis die iedere burger die niet publiek protesteert tegen het BAM tracé of die niet publiek argumenteert, fietst of feest ten voordele van Ringland en Mecanno onderbrengt bij een ‘zwijgende meerderheid die op Oosterweel zit te wachten’, en iedereen die kritisch is reduceert tot een ‘luid roepende minderheid die daar een probleem mee heeft’. De simpelste sociologie leert ons dat iedere burger die de moeite doet om publiek zijn stem te verheffen zelf een kritische maar zwijgende meerderheid vertegenwoordigt. Als Koen Kennis dat niet beseft, weet hij niet hoe democratie werkt. Als hij het wel beseft (wat waarschijnlijk het geval is) is zijn visie op democratie populistisch en zijn visie op politiek cynisch. In beide gevallen misbruikt hij het systeem van de democratie voor het eigen belang.

Ook separatisme is in die zin een vorm van populisme. Dat de oermensen, toen ze beslisten om niet langer als jager-verzamelaars rond te trekken maar zich als landbouwers in een commune te vestigen, hun collectief belang en ‘collectieve identiteit’ koppelden aan hun afgebakend territorium kunnen we nog begrijpen. Sindsdien is echter gebleken dat migratie en vermenging van kleur en ras gewoon normale evoluties zijn die horen bij het moderne samenleven op deze planeet (zie mijn uitgebreide argument rond het niet ‘bestaan’ van een collectieve identiteit in de vorige tekst in deze reeks). Die vaststelling impliceert dat elke poging om vandaag een ‘volk’ te identificeren aan de hand van een afgebakend territorium, om het vervolgens op basis van een zogenaamd objectief bestaande ‘collectieve identiteit’ een bepaald ‘collectief belang’ toe te kennen, alleen nog maar strategisch-populistisch kan zijn. Politiek-strategisch denken in termen van geografisch afgebakende gebieden is voorhistorisch en passé. In dat opzicht is ook het splitsen of samenhouden van België een vals probleem. Het idee dat bevolkingsgroepen verschillende collectieve identiteiten kunnen hebben (en in ‘verschillende democratieën’ leven) is populistisch, en op basis van dat idee een splitsing of een samenhouden bepleiten is niets anders dan een vorm van cynische politiek. Het enige pragmatische argument waarom België als structuur te verkiezen zou zijn boven een opsplitsing is het feit dat we daar historisch nu éénmaal ingesukkeld zijn en dat, in het licht van de echte maatschappelijke problemen, territoriumsplitsing vandaag gewoon verspilling van tijd en geld is, en als excuus gebruikt wordt om niet met elkaar te moeten praten. Alle andere argumenten voor opsplitsen of samenblijven zijn ideologisch, rusten op politiek losse grond en zijn daarom bij voorbaat verdacht.

Last but not least is populisme in zijn extreme vorm ook het ontkennen van de democratie: als de schaduwpremier Bart de Wever stelt dat ‘er geen alternatief is’ voor hun beleid, dan kunnen we dat weerom alleen maar een uitermate cynische visie op democratie noemen en moeten we hem wijzen op het feit dat hij het principe van het systeem ontkent waarvan hij zelf profiteert. Het klassieke systeem van democratie via partijpolitiek en verkiezingen, hoewel het volgens mij onwerkbaar is, erkent tenminste nog steeds het principe van pluralisme (de oppositie heeft een gelijkwaardige mening, maar is ‘niet aan zet’). En als pluralisme verworpen wordt, is fundamentalisme en de zin voor dictatuur niet ver meer af.

Het besluit van dit deel over populisme is simpel maar voor mij essentieel: populisme, in alle hierboven geschetste vormen, is de niet uitroeibare pest van de representatieve democratie.

Globalisering

De derde tekortkoming, tenslotte, is niet inherent aan het systeem zelf maar wordt veroorzaakt van buitenaf, en maakt het systeem van democratie zoals we het nu kennen steriel. Globalisering maakt dat vandaag vrijwel alle maatschappelijke uitdagingen een globale dimensie hebben en om een globale aanpak vragen. Omdat er globaal geen centrale constitutionele macht ‘boven de natiestaten’ is, gebeurt die aanpak noodzakelijk via internationale onderhandelingen, en het is geweten dat staatssoevereiniteit die onderhandelingen eerder hindert dan faciliteert. Het halfslachtige akkoord van de VN klimaatconferentie in Lima is daar een zoveelste bewijs van[1]. We moeten daarbij ook rekening houden met het feit dat een nationale positie in internationale onderhandelingen op een willekeurige manier kan wijzigen omdat ze afhangt van wie er in de nationale politiek toevallig aan de macht is. Nationale verkiezingen gaan over lokale en nationale aangelegenheden en zeer zelden over globale zaken, en net daarom kunnen ze voor een democratisch deficit op globaal niveau zorgen. Een liberale minister die bijvoorbeeld de portefeuille van leefmilieu overneemt van een socialistische of groene voorganger kan op die manier het nationale standpunt radicaal veranderen, en noch het volk van de natiestaat, noch de internationale gemeenschap heeft daar op dat moment invloed op.

Naast de noodzaak om globale problemen op globaal niveau te onderhandelen en daarbij de macht van de natiestaat te ‘relativeren’ zijn er ook twee dynamieken die leiden tot wat sociale wetenschappers en filosofen de ‘erosie van de natiestaat’ noemen: de globalisering van de economie enerzijds en regionalisering, of dus de neiging van naties om zich te verenigen om aldus politiek en economisch sterker te staan, anderzijds. Hoewel die globale economie rekening dient te houden met internationale handelsverdragen en regulering in verband met leefmilieu, arbeidsomstandigheden en intellectueel eigendom, hebben we toch dikwijls de indruk dat het de grote marktspelers zijn die bepalen wat er in die verdragen en regulering staat, en niet de natiestaten zelf. Het handelsverdrag in wording tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten is in die zin tekenend. Het verdrag is controversieel omdat het toelaat dat een bedrijf een land voor een internationale rechtbank brengt als de nationale politiek van dat land het bedrijf niet zou zinnen. Internationaal recht staat hier dus boven nationaal recht, en zeker boven nationale democratie, en de kritiek daarop krijgt meer en meer inhoud en vorm (zie bijvoorbeeld het Statement of Concern opgesteld en ondertekend door 119 academici). De tweede dynamiek, regionalisering, gaat in ons geval natuurlijk over Europa, en daarbij kunnen we, zonder daarom euroscepticus te zijn, vaststellen dat we eigenlijk helemaal niet in een Europese democratie leven. Omdat burgers enkel op hun ‘nationale’ kandidaten kunnen stemmen, hebben ze een zeer beperkte impact op wie er uiteindelijk (niet) in het Europese parlement komt. En over topbenoemingen zoals de EU-commissarissen en de voorzitters van de Europese Commissie en de Europese Raad hebben burgers al helemaal niets te zeggen. De kloof tussen de ‘Europese burgers’ en ‘Brussel’ is manifest, en tegelijk wordt de invloed van Europa op de binnenlandse politiek groter. De vraag ‘hoeveel’ nationale wetgeving vanuit Europa gedicteerd wordt, is onderwerp van onderzoek en politieke controverse (zie bijvoorbeeld recente teksten op Voxeurop, Open Europe en Social Europe), maar de algemene teneur is dat de invloed een feit is.

Als besluit bij de bespreking van deze derde ‘tekortkoming’ van het systeem van representatieve democratie kunnen we stellen dat sociale, economische en politieke globalisering vandaag een duidelijke invloed heeft op de ‘macht’ van de natiestaat. Het resultaat daarvan is dat natiestaten gevangen zitten in een patstelling tussen profileringsdrang en de noodzaak van samenwerking, maar vooral dat burgers meer dan ooit machteloos staan toe te kijken hoe internationale politiek en bedrijven zaken onderhandelen die hen rechtstreeks en individueel aanbelangen en bedreigen (bijvoorbeeld klimaat-, landbouw- of voedselbeleid). Hoewel het daardoor lijkt dat er op globaal niveau geen enkele vorm van burgerparticipatie mogelijk is, zouden we ons omwille van het ‘relatieve’ van de macht van de natiestaten net een vorm van deliberatieve democratie op dat niveau inbeelden. Deze bedenking zal terugkomen in mijn voorstel voor een praktische werking van deliberatieve democratie in de volgende tekst.

Epiloog

Op basis van de vorige observaties en bedenkingen stel ik dat ons huidig systeem van democratie via zijn methode geen maatschappelijk vertrouwen kan wekken en suggereer ik dat het idee deliberatieve democratie in die zin wel potentieel heeft. Zoals ik in de inleiding voorstel, zal ik dat argument verder uitwerken in de twee teksten die hierop zullen volgen.

De klimaatconferentie is ondertussen voorbij en al terug uit de media-aandacht verdwenen. Een uitnodiging voor een gastcollege bracht mij van Lima via de thuishaven Antwerpen naar Athene: van een internationale conferentie gekenmerkt door een formele ‘afwezigheid’ van democratie naar de zogenaamde bakermat van democratie. In het democratische Athene, zoals het zich ontwikkelde vanaf 500 v.C., verpersoonlijkten de burgers de staat. De burgers waren de staat. In onze ogen had hun systeem van democratie natuurlijk ernstige tekortkomingen: vrouwen mochten niet meedoen en slaven en ‘vreemdelingen’ stonden al helemaal buiten de maatschappij, wat betekende dat slechts één tiende van de bevolking het formele recht had om mee te debatteren en te beslissen. Kenmerkend ook was dat opinies en stemgedrag niet alleen beïnvloed werden door het debat in de agora, maar ook door de politieke satire die werd opgevoerd in de theaters. Maar belangrijker is waarom de Atheners, op initiatief van een aantal verlichte geesten, democratie ingevoerd hebben: niet om op een beschaafde manier om te gaan met hun onderlinge conflicten, maar omdat ze het beu waren dat een aantal aristocratische families boven hun hoofden in een onbeschaafd conflict om macht verwikkeld waren. Ze zagen in dat het meest obscene aan despotisme het onderlinge conflict tussen concurrenten voor de macht is. Hun zin voor democratie was niet het omgaan met conflict, maar tegemoetkoming en samenwerking in het belang van een goede maatschappelijke organisatie. In hun praktische democratie betrokken ze niet alleen de aristocratie, maar ook de eenvoudige boeren. En met deze daad veranderden ze fundamenteel de betekenis van politiek.

Bij een bezoek aan het Acropolis museum trof mij weeral de dubbelzinnigheid die de beelden en tempelfragmenten oproepen: je kan focussen op het fijnzinnige van hun vorm en expressie, of op de beschadigingen en brokstukken. De brokstukken zijn geen getuigenissen van slijtage, maar van de talrijke barbaarse overheersingen die het oude Athene geteisterd hebben. Ze mogen er ons aan herinneren dat het een kunst is om voorbij de machtswellust het fijnzinnige van vorm en expressie van het samenleven te zien.

[1]Het akkoord stelt voor het eerst in de geschiedenis dat alle landen hun verantwoordelijkheid moeten nemen (in plaats van alleen de geïndustrialiseerde landen), maar gaat inzake engagement voorlopig niet verder dan landen op te leggen om tegen maart 2015 te melden hoe ze dat, rekening houdend met hun nationale omstandigheden en mogelijkheden, ‘willen gaan doen’.

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst. Zelf een bijdrage insturen, doe je hier.

Auteur: Gaston Meskens

Gaston Meskens is kernfysicus, filosofisch activist en kunstenaar. Als onderzoeker in de moraalfilosofie bij de Universiteit Gent en als vertegenwoordiger van het Centre for Environment and Development bij de Verenigde Naties werkt hij rond het begrip van duurzame ontwikkeling vanuit het perspectief van mensenrechten.