Een antwoord op collectief extremisme

 Leestijd: 13 minuten1

Occupy Reflection Space (deel IV); Ondertussen is de zomer zo goed als voorbij; die zomer die nu al ‘de zomer van de terreur’ genoemd wordt. De oorlog in Oekraïne en het neerschieten van vlucht MH17, de oorlogen in Midden-Afrika, het conflict tussen Israël en Hamas en de misdaden van de rebellen van de Islamitische Staat: de realiteit van de berichten, getuigenissen en beelden die ons nog dagelijks bereiken is absurd en afschuwelijk. Academici, essayisten, journalisten en bloggers argumenteren over grond, oorzaak en context van de conflicten, politici doen stoere uitspraken over schuld, medeplichtigheid en historisch besef, en ook op de sociale media nemen mensen stellingen in.

Gaston Meskens

Gaston Meskens

Wat is de ‘juiste’ historische kijk op de relatie tussen Rusland en Oekraïne? Moet het Westen ingrijpen in Midden-Afrika of niet? Is de drijfveer van Israël zuiver zionistisch of niet, en in welke mate heeft dat nog belang? Worden de IS strijders gedreven door religieuze overtuiging, sociale miserie, machtswellust of debiel nihilisme, of door een combinatie van de vier? Was de oproep aan de Belgische Moslimexecutieve om zich te distantiëren van IS een rechts-conservatieve oprisping of ingegeven door pure politieke profileringsdrang?  En last but not least: is het kapitalisme en het Westers decadentisme medeplichtig, en, zo ja, hoe? …

In de reeks van teksten onder de titel ”Occupy Reflection Space – filosofisch activisme voor het algemeen belang” had, na de inleiding, deel 2 over activisme en deel 3 over ‘de complexiteit van onze sociale problemen’, hier het volgende deel over deliberatieve democratie moeten staan. De zomer van de terreur en de ervaring met een recente workshop die ik organiseerde, motiveren mij om de reeks te onderbreken, en aandacht te vragen voor het volgende simpele idee:

Onze samenleving is inherent complex, maar niet conflictueus.

Op 29 augustus organiseerde ik in New York samen met enkele collega’s ‘filosofisch activisten’een debat over basiswaarden voor de zogenaamde globale ‘Doelstellingen Duurzame Ontwikkeling’ die vanaf 2015 de Millenniumdoelstellingen moeten vervangen. Het debat vond plaats in het kader van de jaarlijkse NGO conferentie georganiseerd door het United Nations Department of Public Information. Elk jaar brengt dat VN departement NGOs van over heel de wereld samen om te debatteren over ‘de staat van de wereld’ en over de rol van NGOs in de verschillende globale beleidsprocessen die de VN faciliteert. In het debat begon ik mijn bijdrage met de bedenking die ik eerder ook in deze reeks teksten maakte:

… als mens en burger hebben we gemeenschappelijke belangen, maar ze zijn ofwel vanzelfsprekend in hun praktische noodzakelijkheid (primaire behoeften zoals voeding, water en onderdak) ofwel vanzelfsprekend in hun universele wenselijkheid (welzijn, geluk). Tussen de praktische noodzaak van overleven en de universele wens van welzijn en geluk zit een variatie van zaken die we belangrijk vinden en een variatie van visies op hoe we ons in die zin best organiseren…

En die organisatie is complex omdat al die zaken met elkaar in verband staan en omdat we er op verschillende manieren (positief of negatief) mee te maken krijgen, maar initieel ook omdat het kennen en beoordelen van feiten en evoluties bemoeilijkt wordt door onzekerheid en ongekende factoren. Ik stelde vervolgens dat een politiek bedachtzaam omgaan met die complexiteit enkel kan als we bereid zijn om onze samenleving niet te zien als inherent conflictueus maar gewoon als inherent complex. Vandaag worden tolerantie en pluralisme gepredikt als noodzakelijke houdingen om beschaafd met elkaar te kunnen omgaan ‘ondanks’ conflicterende (in de zin van onverenigbare) levensopvattingen en wereldbeelden. Maar het idee dat er onverenigbare levensopvattingen en wereldbeelden ‘bestaan’ wordt niet alleen door bepaalde filosofen geopperd, maar ook (al dan niet bewust) in stand gehouden door de politieke en religieuze machtswellustelingen die hun positie willen handhaven of veroveren op basis van het idee dat ‘hun volk’ verbonden is door bepaalde waarden die niet door anderen gedeeld worden, en dat zodoende hun ‘collectieve identiteit’ en ‘culturele integriteit’ moet beschermd worden tegen die anderen. Filosofen zijn vrij om te denken wat ze willen, maar het politieke idee van de samenleving als inherent conflictueus is een populistisch idee dat polariserend werkt, en daardoor, ironisch genoeg, zelf aanleiding tot conflict wordt. En net daarom moet het in een sociaal-politieke context kritisch geconfronteerd worden.

Tot mijn verbazing kwam de discussie tijdens het debat telkens terug op deze bedenking. Sommige deelnemers ‘bedankten’ me zelfs omdat ik ze maakte binnen een politiek overleg dat vooral gestuurd wordt door zakelijk pragmatisme en op veel vlakken steriel blijft, net omwille van het diplomatisch ontwijken van kritische reflectie over de betekenis en relevantie van belangen zoals collectieve identiteit, culturele integriteit, nationale souvereiniteit en politieke en economische vrijheid.

Na de conferentie herlas ik mijn tekst over sociale complexiteit en bedacht me dat, in het licht (of de duisternis) van de tragische gebeurtenissen in de conflictgebieden, de zoektocht naar de ‘theoretische wortels en de praktische mogelijkheden van een nieuwe noodzakelijke vorm van politiek overleg’ nog een ander accent nodig heeft. Het betreft een bedenking over de samenleving die normaal vooral filosofen interesseert, maar die naar mijn gevoel meer prominent zou moeten figureren in het huidige maatschappelijke en politieke debat; niet alleen in dat debat over duurzame ontwikkeling, maar ook in reflecties over de oorzaken van fundamentalisme en terreur. En daarom lanceer ik hier een vraag en alvast mijn antwoord.

Simpel gezegd gaat het over de vraag of onze samenleving al dan niet een samenleving is van conflict tussen onverenigbare levensopvattingen en wereldbeelden; een conflict dat ‘in bedwang’ moet gehouden worden en in goede banen geleid, liefst op een beschaafde manier via politiek, maar, als het niet anders kan, desnoods met geweld. Ik denk dat het antwoord ‘nee’ is, maar ook dat het idee dat de samenleving inherent conflictueus is vandaag populistische politieke strategieën ondersteunt, niet alleen in die oorden van conflict, maar ook ‘hier bij ons’. En daarom vind ik dat we daar, zonder te vervallen in naïef hippiedenken of soft esoterisme, moeten tegenin gaan. Ik vervolg hierna met twee bedenkingen die deze stellingen moeten ondersteunen. Ik begin met een korte ‘lyrische antropologie’ van de onverdraagzaamheid. Daarna zeg ik iets over de betekenis van ‘gematigdheid’ en het verband met tolerantie en pluralisme. Ik eindig met de stelling dat onze samenleving inherent complex maar niet conflictueus is, en dat tolerantie voor de levensopvattingen en wereldbeelden van de ander begint met het doordacht relativeren van die van onszelf. De volgende tekst over deliberatieve democratie zal dan beginnen met het argument dat er ook binnen de academische filosofie nood is aan een denken voorbij het idee van de maatschappij als inherent conflict.

Over de vlakte – een lyrische antropologie van de onverdraagzaamheid

Verwondering is wat ons mens maakt. Het bewustzijn en het vermogen tot intelligente reflectie maakten dat de mens sinds het begin van zijn bestaan in een a priori-toestand van verwondering leeft. Verwondering beklemt ons. We hebben ontzag voor alles rondom ons: de natuur, de kosmos, hun betekenis en oorsprong. We zijn verward met betrekking tot onszelf: het zelf, de identiteit, hun betekenis en oorsprong. En de verwondering maakt ons bang voor het einde: de dood van de natuur, van onze medemens, van onszelf.

Maar ondanks het beklemmende karakter van deze toestanden van verwondering, en ondanks het groeiende besef van de complexiteit van alles, had de vroege mens geen tijd om stil te staan en te reflecteren over de oorsprong en betekenis van de natuur en het leven, of over identiteit en de esthetiek en ethiek van menselijke interactie. Er moesten basisbehoeftes vervuld worden. De mens trok rond, jaagde en verzamelde. Ondertussen werden verwondering en haar lastige gevolgen – ontzag, verwarring en angst – verlicht door het ontsnappen in vrijblijvende collectieve rituelen. Met de omschakeling van het nomadische naar het sedentaire bestaan ontstonden de praktijk van de handel en de noodzaak van een functionele sociale organisatie. Die sociale organisatie gaf uiteindelijk aanleiding tot de ontwikkeling van georganiseerde religie en wetenschap. Het geven van betekenis aan mens, natuur en maatschappij via religie en wetenschap bleek de ideale remedie te zijn tegen verwondering, ontzag, verwarring en angst. In hun parallelle processen van beschaving leken religie en wetenschap erin te slagen die verwondering en haar lastige gevolgen te rationaliseren in grote verhalen van transcendentaal geloof dan wel empirische evidentie. Rituelen werden religieus gepolitiseerd en kennis werd een politieke en economische bron van macht.

En uit de noodzaak van tribale sociale organisatie ontstond het idee van de noodzaak van sociale inclusie en exclusie. Door generatie na generatie de groep bijeen te houden werd de interne logica van sociale inclusie meer en meer de interne logica van sociale identiteit. Maar in de afgebakende, zelfonderhoudende gemeenschappen ontstonden al snel conflicten. Binnen de gemeenschap was er de onderlinge strijd om macht, en tussen de verschillende gemeenschappen was er de strijd om voorraden, territorium en slaven. Het idee dat zelfbehoud van de gemeenschap gelijkstond aan het behoud van de collectieve identiteit was geboren, en alle verschillende gemeenschappen leken te aanvaarden dat het vrijwaren van de eigen identiteit diende te gebeuren door zelfbeschermende insluiting en uitsluiting, en als het moest via strijd. Afstandelijke zakelijke betrekkingen waren oké, infiltratie en vermenging taboe.

En sindsdien is er niets veranderd. Of beter gezegd: er is niets veranderd in de denkpatronen en visies in verband met hoe we ons het best ‘met en tegenover elkaar’ sociaal organiseren. Sinds de Verlichting hebben zowel kritisch-intellectuele krachttoeren als schokkende oorlogservaringen het geloof in transcendentale mystiek als bron van waarheid op de proef gesteld. Technologische vooruitgang en industrialisatie brachten algemeen welzijn maar ook globale problemen mee. De lokale gemeenschappen werden groter, en de ‘beschaving’ verliep niet overal even vlot. Mensen begonnen de commune te verlaten, op zoek naar een betere plaats. De barre vlakte tussen de vroege gesloten gemeenschappen is sinds lang overgestoken en opgevuld, en we leven nu allemaal in elkaars territorium. In plaats van te aanvaarden dat de noodzaak van het vrijwaren van de collectieve sociaal-culturele identiteit een vals argument is dat al te gemakkelijk strategisch kan misbruikt worden in politiek populisme proberen we nog steeds onze intussen geglobaliseerde problemen op te lossen op basis van dit voorbijgestreefde politieke idee.

Maar ondanks de infiltratie en de vermenging hebben we geen last van verwondering, ontzag, verwarring en angst, want we verlichten ze nog steeds met collectieve rituelen. De rituelen zijn op het eerste gezicht vrijblijvend, want in hun hedendaagse vorm bieden ze iedereen immers principieel de vrijheid en het recht om dezelfde producten te kopen, naar dezelfde tv-kanalen te kijken, dezelfde sociale media te bevolken en naar hetzelfde resort op vakantie te gaan. Die vrijheid en dat recht zijn vals, maar we hebben geen tijd om daar wakker van te liggen, want er moeten basisbehoeftes vervuld worden.

En hier zijn we dan. Verblind door de obsessie om ontzag, verwarring en angst te verlichten via mystiek of rationele argumenten hebben de moderne roergangers onze geciviliseerde maatschappij zo georganiseerd dat collectieve verwondering niet meer mogelijk is. Van bij onze geboorte worden ons stereotiepe denkpatronen voorgehouden die zogezegd nodig zijn om te kunnen functioneren en ons weerbaar te maken tegen dreiging en onheil. Die patronen steunen vandaag op een comfortabele mix van mystiek en ratio, en het idee van de multiculturele samenleving moet ons doen geloven dat er zoiets bestaat als duidelijk afbakenbare verschillende culturen. Vreemdeling, zonderling, paria, verschoppeling, verworpene, verstotene, outcast, buitenstaander, outsider, marginaal, drop-out, abnormaal: de woordenschat om de ander te duiden die niet in de categorie, klasse, commune, groep of collectiviteit past is groter dan die om aan te geven wie er wel bij hoort. De gefrustreerde en bange fundamentalist vernietigt iedereen die anders is; de gefrustreerde en bange verlichte geest preekt pluralisme, maar dan op basis van een pseudotolerantie die niet zozeer bouwt op respect voor de visie van de ander, maar die vooral dient om die van zichzelf te beschermen. Door het stigmatiseren van die ander verbergen ze beiden hun onvermogen om ondubbelzinnig de eigen identiteit en cultuur te definiëren. Diegenen die kunnen leven zonder transcendentaal of wetenschappelijk bewijs hebben ondertussen al lang begrepen dat als alle definities van identiteit falen, de mens dan gewoon als mens zelf overblijft. En omdat we vanuit dat perspectief allemaal individueel verschillend zijn, zijn we allemaal gelijk.

Nationale, culturele of religieuze identiteit bestaat niet. Ze kan niet afgebakend, geïdentificeerd of beschermd worden. Verwondering is wat ons mens maakt. We kunnen niet anders, maar het is ook onze ultieme mogelijkheid. Mens zijn is het onbepaalbare en ambivalente van mens zijn aanvaarden, en uitspelen.

Het comfort van de pseudo-tolerantie – over de lastige positie van de gematigde mens

De wandaden van de Islamitische Staat (IS) worden algemeen veroordeeld, soms vanuit een welgemeend pacifisme, soms op basis van de cynische ‘ethiek’ van de oorlog die stelt dat moord en brand in bepaalde gevallen aanvaardbaar zijn, en in andere gevallen niet. We weten allemaal dat het veroordelen van die misdaden niet zal volstaan om ze te stoppen, maar ook dat militair ingrijpen de frustraties van de jihadisten alleen maar verder zal aanwakkeren. We weten ook dat de drijfveer voor hun extremisme een ‘mix’ is van religieuze overtuiging, sociale miserie, machtswellust en debiel nihilisme. En we weten tenslotte allemaal dat de enige oplossing op lange termijn vervat zit in dat soort kritisch emanciperend ‘werken aan de basis’ – sociaal, economisch, religieus – dat de mogelijkheid in zich houdt om extremisme te voorkomen. In die zin blijkt er in het oplossen van het probleem van de IS een rol weggelegd te zijn voor de zogenaamde ‘gematigde moslim’, maar wat betekent dat? We kunnen ons iets voorstellen bij een gematigd klimaat, maar wat is een gematigde moslim? En wat is een gematigde christen of een gematigde katholiek? Of een gematigde seculiere humanist? Betekent gematigd dat men tolerant is ten aanzien van andere levensopvattingen en wereldbeelden, of gewoon dat men de absolute gronden van de eigen levensopvatting en het eigen wereldbeeld niet al te serieus neemt? Of is dat eigenlijk gewoon hetzelfde?…

Een anecdote als antwoord op deze vraag. Onlangs raakte ik op café in gesprek met iemand die les geeft in een secundaire school in Antwerpen. Ze vertelde me dat de school leerlingen van meer dan 40 nationaliteiten ontvangt en in haar beleid aandacht heeft voor diversiteit en interculturaliteit. Als ultiem bewijs daarvoor geldt het feit dat de school leerlingen de mogelijkheid biedt om te kiezen uit acht religies. De kinderen kiezen zelf natuurlijk niets, maar dat is op zich niet de reden waarom dit verhaal bij mij een wrang gevoel oproept. Het probleem dat ik zie is dat het aanbieden van acht religies kan gezien worden als een teken van tolerantie, maar evengoed als het diplomatisch toelaten en zelfs stimuleren van intolerantie. We kunnen vanop afstand geen onderscheid maken tussen die ouders die bedachtzaam hun kind een bepaalde religieuze traditie willen meegeven en die ouders die zelfgenoegzaam hun kind als wapen inzetten in hun eigen religieuze positionering. Maar we kunnen ons wel objectief afvragen wat we onze kinderen hiermee leren. Dat ze allemaal gelijk zijn maar eigenlijk ook tot fundamenteel verschillende groepen behoren? Zelfs al wordt er in die religies aandacht gegeven aan verdraagzaamheid, dan blijft het absurd om in acht verschillende klassen verdraagzaamheid te prediken op grond van acht verschillende waarheden. Echte aandacht voor diversiteit en interculturaliteit zou betekenen dat een school elke specifiek religieuze orientatie uit het lessenpakket haalt en zich concentreert op een gezamenlijk vak ‘wereldorientatie’ waarin ook religies historisch en filosofisch in context geplaatst worden en kinderen met elkaar in dialoog kunnen gaan. Die aanpak leert hen echt iets bij en kan tegelijk dienen als sociale sensor voor fundamentalisme in hun opvoeding thuis. De volwassene die komt vertellen dat deze aanpak te moeilijk en te verwarrend is voor pubers en zeker voor jongere kinderen neemt zijn eigen kinderen niet serieus. De volwassene die net omwille van deze aanpak zijn kind van de school zou houden, ontzegt het een essentieel deel van de opvoeding. De uitdaging van deze aanpak is er niet alleen voor de (desnoods vredelievende) fundamentalist, maar ook voor de frivole of luie comformist. Er zijn veel ouders, al dan niet met een katholieke ‘achtergrond’, die vandaag hun kind naar een katholieke lagere school sturen omdat ze ‘dichtbij is’ of ‘een goede reputatie heeft’ maar die zelf nauwelijks geïnteresseerd zijn in wat er in de lessen godsdienst verteld wordt, en die gedurende die zes jaar zelf twee keer in een kerk komen: bij de eerste en bij de plechtige communie van hun kind. Ach ja, ze doen mee om het allemaal niet te ingewikkeld te maken. Het ‘kan geen kwaad’ en ze willen hun kind niet uitsluiten van een feest, beleefd door de rest van de klas. Zij weten dat, en de leraar godsdienst en de priester weten dat. Het resultaat is een hypocriet theater dat steunt op die comfortabele mix van mystiek en ratio en dat ook nog eens commercieel uitgebuit wordt.

Zowel de religieuze fundamentalist als de frivole of luie religieuze conformist brengt vandaag zijn kinderen in de war, zeker als ze pseudo-tolerant naast elkaar hun eigen ding blijven doen. Alleen al daarom is religie eigenlijk iets voor volwassenen, tenminste voor die volwassenen die bereid zijn om religie terug te brengen tot wat het in deze tijden kan zijn: een manier om – voor wie dat wil – vrij en ongedwongen via dialoog en traditionele (of nieuwe) rituelen en verhalen bezig te zijn met zingeving en levensvragen. Als ze vanuit die reflexieve houding ook nog eens hun kinderen willen vertellen over de rijke (en soms gruwelijke) geschiedenis van de religie, en meegeven dat ook het humanisme en de wetenschap geen éénduidig antwoord heeft op de levensvragen, dan brengen ze die kinderen niet in de war, maar leggen ze integendeel de basis voor hun gezonde nieuwsgierigheid en vermogen tot reflectie en echte tolerantie.

Het verhaal van de pseudo-tolerantie bestaat ook in de politieke versie: gaande van de frivole nationalist die zich graag vermaakt met het becommentariëren van de ‘verschillen’ tussen Belgen en Nederlanders, via de nostalgische separatist die erkent dat Walen ‘ook maar mensen zijn’ maar die vindt dat Vlamingen zich toch beter apart organiseren, tot de bange of gefrustreerde heimatbewaker ‘die geen racist is’ maar de vreemdeling toch de toegang tot zijn land ontzegt, ‘tenzij hij zich aanpast’. Aanpassen aan wat? De rationele gronden van hun opvattingen bestaan niet, in de zin dat de invloed en betekenis van geschiedenis, ras, kleur, grens, oorsprong en cultuur kwesties van interpretatie zijn. Door het karakteriseren en stigmatiseren van ‘de ander’ vrijwaren ze zichzelf van de verantwoordelijkheid om rationeel te formuleren wat ‘hen’ dan wel bindt…

De avant-garde van de doordachte zelfrelativering

De religieuze en politieke machtswellustelingen en de cynische politici, marketeers, academici en burgers die onze samenleving a priori zien als een strijd hebben geen been om op te staan. Er is geen enkele reden waarom complexiteit, onzekerheid, het ongekende en het vreemde op zich aanleidingen zouden moeten zijn voor onverdraagzaamheid en conflict: geen feitelijke onzekerheden, niet de hoop op een goed leven, niet het ongekende van de toekomst en niet de vreemdheid van ‘de ander’. De oerhouding van waaruit elke menselijke interactie gebeurt is ook voor de (post)moderne mens nog steeds de ‘verwondering’, en niet een soort van zelfbeschermende achterdocht. Onze samenleving is een samenleving van inherente complexiteit, maar niet van inherent conflict. Maar de ideologie van het conflict in vraag stellen is natuurlijk niet hetzelfde als zeggen dat de utopie van de totale harmonie mogelijk is. Een wereldbeeld en een levensopvatting is een amalgaam van zaken die we als individu belangrijk vinden en dat door onze omgeving beïnvloed wordt. De constructie van het ‘geheel’ is een abstract concept, waardoor het samenkomen rond een collectief wereldbeeld of een collectieve levensopvatting enkel maar een intentie kan zijn.

Of het nu gaat om religieuze wereldbeelden en levensopvattingen, of over humanistische of concrete sociaal-politieke, we kunnen er niet omheen: de gematigde houding waarvan sprake is inderdaad die houding van tolerantie tegenover andere levensopvattingen en wereldbeelden, maar dat kan alleen maar als men tegelijk de absolute gronden van de eigen levensopvatting en het eigen wereldbeeld doordacht relativeert. Er bestaan geen abstracte collectieve identiteiten. Er bestaan geen abstracte instructies, ons ingegeven door één of andere hogerhand. Elk ‘woord van god’, elke morele gedragsregel, elke politieke theorie en elke wetenschappelijke hypothese is net als elk gedicht en elk verhaal ooit uitgesproken of neergeschreven door een mens. De maatschappij van de doordachte zelfrelativering is daarom niet moreel relatief. Integendeel: wat een vervelende gedachte is voor elke strategische populist en voor elke religieuze of wetenschappelijke waarheidsgoeroe is een bevrijdende gedachte voor elke andere mens: het feit dat we bij het zin geven aan ons bestaan en onze samenleving geen andere referentie hebben dan elkaar. Dat is geen onbehaaglijke maar een troostende en bevrijdende gedachte.

[…]

De religieus en politiek geïnspireerde wantoestanden van deze ‘zomer van de terreur’ maken ons moedeloos en kwaad, en velen vragen zich af wat we naast praten nog meer kunnen doen. Het antwoord is eenvoudig: het heeft geen zin om zich te concentreren op conflicten als we niet tegelijk het referentiekader aanpakken waarmee we ons pragmatisch vredelievend willen organiseren. Zij die zich in een lui en comfortabel conformisme blijven nestelen hebben niets zinnig te zeggen over extremisme. Integendeel: ze vormen, al dan niet onbewust, zelf de broedplaats van het kwaad. Collectief extremisme wortelt en groeit niet in de sociale zelfkant maar in sociaal conformisme. Collectief extremisme is extreem conformisme. Laat ons dus samen doordacht zelfrelativerend het conformisme verstoren. Alle suggesties welkom.

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst. Zelf een bijdrage insturen, doe je hier.

Auteur: Gaston Meskens

Gaston Meskens is kernfysicus, maar nu vooral filosofisch activist en hyperreflexief kunstenaar. Als onderzoeker in de moraalfilosofie bij de Universiteit Gent en als vertegenwoordiger van het Centre for Environment and Development (een internationale NGO met zetel in Sri Lanka) bij de Verenigde Naties werkt hij rond het begrip van duurzame ontwikkeling vanuit het perspectief van mensenrechten. Meer daarover staat op http://www.the-possibility-of-global-governance.net/