150 jaar na haar oprichting: de onderbelichte geschiedenis van de Parijse Commune

 Leestijd: 11 minuten5

In de nasleep van de Frans-Pruisische oorlog van 1870 werd op 18 maart 1871 de Parijse Commune opgericht, in een klimaat van nakende burgeroorlog tussen de Franse hoofdstad en de rest van het land. 150 jaar later blikken we terug op de aanzet, het verloop en de nalatenschap van dit ongeplande en onwaarschijnlijke socio-politieke experiment.

We schrijven 1870. Frankrijk bevindt zich onder het bewind van keizer Napoleon III, wiens verwantschap met Napoleon I twijfelachtig was. In dit Tweede Keizerrijk beleeft de bourgeoisie hoogdagen, grotendeels dankzij haar industrie, die draaiende wordt gehouden door ongeschoolde arbeiders, jong en oud. Een aantal cijfers om een sfeerbeeld te schetsen: in 1868 zijn er 99.150 kinderen tussen 5 en 12 tewerkgesteld. Ze worden voor een kwart van het normale loon betaald. De lonen zijn dan wel met 15% gestegen tussen 1851 en 1870, maar in de tussentijd is de prijs van het leven met 45% toegenomen. In Parijs zelf zijn er, volgens een studie van 1862, meer dan 1 miljoen inwoners die in uiterste armoede leven, op een totaal van 1,7 miljoen.

Het is dan ook geen verrassing dat in mei 1870 een populariteitspoll over Napoleon III een ruime meerderheid tegenstemmen oplevert in de hoofdstad. Om de sociale onrust in eigen land te sussen, besluit Napoleon III om de aandacht op het buitenland te vestigen door – zo werd hem beloofd – een ‘korte en succesvolle’ oorlog tegen Pruisen. Dit lijkt de ideale strategie om weer een gevoel van nationale eenheid en algemeen welbehagen onder de bevolking te creëren. De hele Franse oorlogsvoering draait echter al snel uit op een fiasco. Een totaal gebrek aan organisatie en structuur binnen het Franse leger zorgt ervoor dat de troepen van Napoleon slag na slag verliezen, met als dieptepunt de val van Sedan op 2 september 1870, waarbij de keizer zelf gevangen genomen wordt. Het Tweede Keizerrijk is niet meer.

Napoleon III geeft zich over aan Wilhelm van Pruisen na de Slag bij Sedan op 2 september 1870 (Beeld: tekenaar onbekend, originele publicatie door Currier and Ives (Wikimedia))

In allerijl wordt op 4 september de Derde Republiek opgericht, met aan het hoofd een tijdelijke regering, die weliswaar weer voor een republikeins regime kiest, maar in werkelijkheid de sociaal-economische behoudsgezinde koers van het Tweede Keizerrijk wil blijven varen. Het gouverment provisoire wil een revolutie onder het volk ten allen prijze vermijden en daar heeft het gouverment provisoire veel voor over: het start de onderhandelingen met Otto von Bismarck, toekomstig rijkskanselier van het verenigde Duitse Keizerrijk, met als doel een snelle wapenstilstand. Zolang de oorlog aanhoudt, zo redeneert de Franse regering, blijft het risico op sociale onrusten groot, vooral in Parijs.

Daar was immers beslist om de Garde nationale, een soort burgerlijke militie, open te stellen voor het gewone werkvolk, met het oog op de verdediging van Parijs tegen de aanstormende Pruisen. Zo’n 15.000 arbeiders kregen een geweer in hun handen gestopt. De Parijzenaars zijn dan ook vastberaden om de strijd tegen Pruisen verder te zetten. Deze gewapende strijd zou – zo vreest de tijdelijke Franse regering – het Parijse proletariaat in een verdere fase kunnen doortrekken om meer sociale en economische rechten af te dwingen. Om dit te vermijden, treedt één man op de voorgrond: Adolphe Thiers, een politieke oudgediende die teruggaat tot de Monarchie de Juillet (1830-1848).

Thiers slaagt erin om de Franse bevolking, inclusief die van Parijs, te doen geloven dat alle middelen uitgeput zijn om Pruisen te verslaan. Hij creëert een hongersnood in het omsingelde Parijs door grote voorraden voedsel verborgen te houden en vertraagt elke serieuze poging tot militaire weerstand. Op 28 januari 1871 wordt de (tijdelijke) wapenstilstand getekend en op 8 februari bevestigen nationale verkiezingen de positie van Thiers als regeringsleider. In het nieuwe parlement, L’Assemblée Nationale, zijn er maar liefst 500 van de 650 leden royalist: nogmaals een bewijs dat de Derde Republiek weinig om het lijf heeft, als het gaat om daadwerkelijke sociale en economische hervormingen.

Ondertussen blijft de spanning in Parijs stijgen. Bij de bevolking groeit het besef dat de hongersnood doorgestoken kaart was en dat Frankrijk wel degelijk nog in staat was geweest om de strijd tegen Pruisen voort te zetten. Tot overmaat van ramp verslechteren de arbeidsomstandigheden in de hoofdstad zienderogen: de patroons besluiten de werkplaatsen verbonden aan de oorlogsindustrie te sluiten, waardoor arbeiders plots als enkel inkomen hun magere soldij van 30 frank als garde national trekken.

Het Parijse proletariaat is wel nog altijd in het bezit van het wapenarsenaal van de Garde nationale. De Derde Republiek vreest dat het die wapens zal gebruiken om op gewelddadige manier socio-economische toegevingen af te dwingen. Daarom besluit Thiers met een reeks provocaties Parijs uit zijn kot te lokken, om vervolgens repressief toe te slaan en zo de hoofdstad te ontwapenen. Een van die provocaties treft alweer het werkvolk in de portemonnee: de regering stopt abrupt met het moratorium dat aan het begin van de oorlog was ingegaan op het huurgeld voor logies en op de schulden van kleine Parijse handelaars.

Ondanks deze economische mokerslagen behoudt Parijs zijn kalmte. Er ontstaat zelfs een zekere algemene gelatenheid rond midden maart. Per slot van rekening wenst de bevolking eerst en vooral om het gewone werk te hervatten en de kost te verdienen. Ze betwist zelfs niet langer de wapenstilstand met Pruisen.

Een regiment van de Garde nationale (datum onbekend, 1870-1871) (Foto: fotograaf onbekend (Wikimedia))

Het keerpunt

De druk vanuit de zakenwereld en conservatieve kringen om Parijs te ontwapenen, blijft desalniettemin toenemen rond Adolphe Thiers. Finaal kiest hij ervoor om een grootschalige confrontatie met veel bloedvergieten te vermijden en in te zetten op een beperkte militaire operatie waarbij een aantal prominente revolutionaire figuren opgepakt zouden worden. Volgens het plan zou de Garde nationale dan geïntimideerd zijn en zijn wapens inleveren.

De operatie vindt plaats in de nacht van 18 maart in Montmartre, een van de ‘rooie’ bolwerken van Parijs, waar ook 171 kanonnen opgesteld staan, weliswaar zonder lont en obussen. Bij een eerste schermutseling doodt het leger onder bevel van generaal Lecomte één garde national. Het volk komt naar buiten en verzet zich tegen de militaire troepen die de kanonnen willen weghalen. Wanneer generaal Lecomte het bevel geeft om op de bevolking te schieten, steken zijn soldaten van het 88ste regiment uit protest hun geweerkolven in de lucht. Die verzetsactie breidt zich uit onder verschillende regimenten, die met de Parijzenaren verbroederen. In totaal zullen zo’n 10.000 van de 40.000 soldaten de legerleiding de rug toekeren. Generaal Lecomte wordt later die dag net als zijn collega generaal Clément-Thomas gefusilleerd, ondanks een tegenbevel van het Comité central, het opperbevel van de verenigde bataljons van de Garde national.

Er volgt een ware paniekgolf binnen de regeringskringen en bij Thiers in het bijzonder: gezien zijn plan volledig mislukt is, neemt hij de bruuske beslissing om de regering, het parlement en de hele ambtenarij uit Parijs te laten evacueren en naar Versailles te verhuizen. Wat volgt, is een onverwacht machtsvacuüm in Parijs, dat op een of andere manier opgevuld zal moeten worden.

De Commune: oprichting

Doorgaans wordt 18 maart 1871 beschouwd als de startdatum van de Parijse Commune. Het is de dag waarop, de facto, het Comité central de la Garde nationale aan de macht komt, paradoxaal genoeg zonder het zelf te willen. Later zal Friedrich Engels beweren dat dit de eerste “dictatuur van het proletariaat” in de geschiedenis was. Dit is overdreven: er was niet eens een meerderheid aan arbeiders in het Comité. Ook tal van bourgeoises maakten deel uit van het Comité, en één edelman.

Het Comité is gedesoriënteerd door de plotse wending, maar neemt een aantal belangrijke beslissingen:

  • Het moratorium wordt verlengd;
  • De Berg van Barmhartigheid mag niet langer bezittingen die in pand zijn, maar die de oorspronkelijke eigenaars niet terug kunnen betalen, doorverkopen aan derden;
  • Het openbare leven wordt gaandeweg weer opgestart: onder andere de posterijen, justitie en het onderwijs gaan weer aan de slag.

Deze maatregelen genieten zelfs de steun van de Parijse burgerij. Er is dan ook geen enkele wil vanuit het Comité Central om ten strijde te trekken tegen Versailles. Integendeel, de Parijse burgemeesters en volksvertegenwoordigers willen onderhandelen met Versailles, in de hoop dat de macht in Versailles een aantal garanties zou geven, zoals het behoud van de republiek behouden en de garantie van de onafhankelijkheid van de Garde nationale.

Het Comité plant verkiezingen in Parijs, aangezien het op zich louter een (para)militaire organisatie is, zonder politieke bevoegdheden. De verkiezingen moeten een nieuw gemeentelijk bestuur aanduiden: de Commune. Ze vinden plaats op 26 maart 1871, in een geest van totale vrijheid: er wordt geen enkele druk uitgeoefend om voor de ene of andere partij te stemmen. Er is vooral één streefdoel: “het einde van het pauperisme”.

De proclamatie van de wettelijke Commune volgt op 28 maart: een ware feestdag in Parijs, in een bijna surrealistische sfeer waarbij alle Parijzenaars, burgerij en arbeiders, verbroederen en samen uitkijken naar een betere toekomst, waarin er een einde zou komen aan de ongelijkheid en de exploitatie van het werkvolk. Dit idealistische elan is tegelijk naïef en tragisch: een paar tientallen kilometers verder, in Versailles, heeft de regering Thiers heel andere plannen met Parijs.

De proclamatie van de wettelijke Commune, 28 maart 1871 (Beeld: tekenaar onbekend (Wikimedia))

Thiers is ditmaal vastberaden om een grootscheepse operatie op poten te zetten, met als doel de volledige verovering van Parijs. Hij heeft echter tijd nodig om deze nieuwe militaire actie te organiseren, aangezien het leger zich op 18 maart uiterst onbetrouwbaar heeft getoond en grondig uitgekuist en heropgebouwd moet worden. Intussen is het zaak om de Parijse burgemeesters en volksvertegenwoordigers aan het lijntje te houden, door hen te doen geloven dat de Franse regering effectief wilt meedenken aan een vreedzaam compromis. Hij zal wonderwel slagen in dit dubbele spel.

De Commune: doorstart en acties

In de overlevering wordt de Commune geportretteerd als een exclusief links en zelfs radicaal links bestuur. Na de proclamatie op 28 maart bedekt de verkozen Commune echter een breed politiek spectrum, van de rechter- tot de linkerzijde, via het centrum. Een minderheid van de leden zijn handarbeiders. Onder de verkozenen zijn er ook journalisten, vrije beroepen en intellectuelen. Wel geven bijna onmiddellijk na de proclamatie de gematigde leden hun ontslag. Zij willen trouw blijven aan het resultaat van de nationale verkiezingen van 8 februari, waaruit een conservatief Frans parlement is voortgekomen.

Spotprent van de Commune, met Marianne als symbool voor de revolutie (Lithografie: W.Alexis (Wikimedia))

Hierdoor blijven er in de Commune effectief enkel linkse communards over, die meteen een nieuwe doorstart moeten maken.

Wat verstaat men precies onder ‘linkse leden’? In elk geval geen communisten: daarvan zijn er in die tijd maar een handvol in Parijs. Politieke strekkingen die wel een invloed uitoefenen op het beleid van de Commune, zijn die van de jacobijnen, geïnspireerd door het sociorevolutionaire beleid van Robespierre, alsook die van de socialisten en meerbepaald de internationalisten: de mede-ondertekenaars van de beleidsverklaring van de eerste Internationale in Londen in 1864. De belangrijkste claim in dat charter is wellicht dat er, in lijn met de doctrine van Marx, gestreefd wordt om het concept van loon en loontrekkende af te schaffen, om zo voor de emancipatie van de arbeiders te zorgen. De internationalisten zijn sterk beïnvloed door de anarchistische denker Pierre-Joseph Proudhon.

Eén belangrijk anarchistisch idee zullen de internationalisten uitdragen: het concept van de Federatie. Net zoals er in Parijs een federatie van gardes nationaux is, alsook een federatie van gemeentes (communes), hopen de internationalisten dat alle Franse steden zich zullen verenigen in een federatie, om zo tot nationale eenheid te komen: een organisatie gebouwd volgens een bottom-up-logica in de plaats van top down. Dit blijkt echter ijdele hoop: andere communes in onder meer Lyon, Saint-Etienne en Marseille komen snel ten val.

Het is interessant om nader stil te staan bij de verwezenlijkingen van de Parijse Commune. Na het vertrek van de rechtse en centrumleden, vertegenwoordigden de linkse communards maar een minderheid van de Parijzenaren. Hun legitimiteit tegenover de eigen bevolking was dus beperkt. Daarbovenop was er ook nog een permanente rivaliteit met het Comité central van de nationale garde, dat uiteindelijk nooit ontbonden was geweest en constant het gezag van de Commune ondermijnde.

Voorts leed de Commune onder het gebrek aan een leidersfiguur, iemand die voor een eenduidige visie en aanpak kon zorgen. Het is niet toevallig dat dit artikel nog geen enkele eigennaam heeft vermeld van leden van de Commune. De communards waren als de dood voor de opkomst van een nieuwe alleenheerser, zoals ze zelf decennialang hadden gekend in de persoon van Napoleon III.

Vanwege de vele pijnpunten is het des te merkwaardiger wat de Commune in haar uitzichtloze situatie wél heeft kunnen verrichten. Een bloemlezing:

  • De terugbetalingstermijn van de schulden van de Parijse handelaars wordt verlengd tot 15 juli. Vanaf dan wordt een gunstig terugbetalingsplan voorzien, verspreid over drie jaar, zonder interesten;
  • drie maanden huurgeld worden kwijtgescholden;
  • Er komt een plafond van 6.000 frank per jaar op het loon van de ambtenaren. De communards zelf leggen hun eigen jaarloon vast op 5.400 frank per jaar. Ter vergelijking: het loon van de leden van de gouvernement provisoire na de val van het Tweede Keizerrijk was 40.000 frank per jaar. De cummulatie van mandaten wordt ook verboden;
  • De onderwijscommissie, met onder anderen schrijver en journalist Jules Vallès en schilder Gustave Courbet, neemt volgende beslissingen:
    • Het lager onderwijs wordt gratis, verplicht en vrijzinnig;
    • Voor het secundair onderwijs wordt een beurzensysteem bepaald voor kinderen van arme gezinnen;
    • Beroepsscholen worden opgericht, onder andere één voor meisjes.
  • Er wordt beslist over een scheiding tussen Kerk en Staat;
  • De arbeidscommissie, geleid door Léo Fränkel, beslist onder andere dat de werkplaatsen die achtergelaten zijn door de patroons, overhandigd worden aan het arbeiderscollectief. Als de patroons terugkomen, zullen ze niet onteigend, maar vergoed worden. Er wordt in het algemeen ook voor gekozen om vrije arbeidersverenigingen op te richten in de plaats van privévennootschappen. Deze beslissingen hebben veel weg van het anarchisme;
  • De financiën worden gewetensvol geleid door François Jourde, die een finale positieve balans van zo’n 750.000 frank zal voorleggen.

Radicale hervormingen, zoals die gerelateerd aan een strengere fiscaliteit voor grote vermogens en de inkorting van de werkdag, voert de Commune bewust niet door, omdat ze zich ervan bewust is dat zulke beslissingen niet voldoende gedragen zouden worden onder de bevolking.

De burgeroorlog: het einde van de Commune

Tegen begin april ziet de militaire situatie er stukken beter uit voor de regering van Adolphe Thiers. De rangen zijn opgevuld met boerenzonen die helemaal geen revolutionaire neigingen hebben zoals hun broeders in de grootsteden, het moreel van de troepen is optimaal dankzij hogere soldijen en de troepenmacht is verder uitgebreid, na toelating van de Pruisen.

Het zou bijna vergeten worden, maar de Pruisen zijn nog altijd in Frankrijk aanwezig. Ze vormen een bezettingsgordel ten oosten van Parijs. In het binnenlandse conflict tussen het rebelse Parijs en de reactionaire regering van Versailles, wenst Pruisen niet rechtstreeks tussen te komen, maar het kiest wel duidelijk de kant van Versailles. Tegelijk ziet Thiers in Pruisen een uitgelezen bondgenoot om Parijs klein te krijgen. Vandaar de haast van Thiers om, na de wapenstilstand, nu ook effectief een vredesverdrag te sluiten. Hij twijfelt daarbij niet om gigantische toegevingen te doen aan Pruisen, waarvan de annexatie van Elzas en Lotharingen door het toekomstige verenigde Duitse Keizerrijk, de belangrijkste is. Daarbovenop heeft Otto von Bismarck de garantie van Thiers gekregen dat Pruisen een oorlogsvergoeding van 5 miljard frank zal ontvangen. Thiers jaagt het vredesverdrag uiteindelijk zonder veel moeite door het parlement jagen.

Op 2 april 1871 vallen de troepen van Versailles Parijs aan. Het is het begin van het einde voor de Commune. Het gebrek aan leiderschap en structuur dat de Commune tekent in haar dagelijkse bestuur, geldt ook voor haar militaire organisatie. Het krijgskundige talent van een man zoals Louis Rossel, een overgelopen kolonel van het Franse leger die aan het hoofd van de oorlogscommissie staat, en het even heldhaftige als bij voorbaat verloren verzet van een aantal bataillons van de Garde nationale, zijn niet opgewassen tegen de vuurkracht van de regeringstroepen.

In de loop van mei valt de fortengordel in het westen en het zuiden van Parijs en op 21 mei dringen de troepen uit Versailles Parijs binnen. Ondertussen vormen de Pruisen een blokkade in het oosten van Parijs en knijpen ze een oogje dicht wanneer de Franse troepen de neutrale zone in het noorden van Parijs binnenvallen, om de Parijse verzetstrijders in de rug aan te vallen. Wat volgt is de beruchte Semaine Sanglante, waarbij de laatste barricades van de Garde nationale vallen en waarbij beide kampen, maar vooral het Franse leger, zich schuldig maken aan oorlogsmisdaden.

Op 28 mei 1871 is de Commune niet meer. Het Franse leger, dat een paar maanden eerder een vernederende capitulatie tegen Pruisen had moeten slikken, wordt nu plots door de hele heersende klasse bejubeld voor zijn moed en voorbeeldig patriotisme, nu het deze sociale burgeroorlog winnend heeft afgesloten. De keiharde repressie kan beginnen. Het zal vele jaren duren alvorens de Franse regering gratie verleent aan de overlevende communards en hen toelaat om uit ballingschap terug te keren. Ondertussen wordt de Sacré Coeur op de heuvel van Montmarte gebouwd, om tegenover God de roekeloze revolutionaire zonden van de Commune goed te maken.

Parijs brandt tussen 23 en 25 mei 1871 (Lithografie: Auguste Victor Deroy (Wikimedia))

De Commune: nabeschouwing

Victor Hugo zal de Commune later omschrijven als “une bonne chose, mal faite“, een goede zaak, slecht uitgevoerd.

De Commune had baanbrekende intenties om voor meer sociale en economische gerechtigheid te zorgen in een grootstad getroffen door pauperisme, maar het heeft nooit de tijd, de middelen en de steun gekregen om deze plannen structureel door te voeren.

Toch was deze poging tot een meer egalitaire samenleving ruim voldoende om de minachting, de haat en zelfs de razernij aan te wakkeren onder de gegoede klasse in Frankrijk, of die nu van adelijke, burgerlijke of klerikale herkomst was. Waarom? Omdat de Parijse Commune probeerde om het volk te doen nadenken over de oorzaken van zijn ellende, waarbij het logischerwijze zou uitkomen bij de exploitatie door de heersende klasse. Dat maakte van de binnenlandse vijand een groter kwaad dan de buitenlandse vijand (Pruisen).

Niet verwonderlijk dus dat barones Dudevant, beter bekend onder haar pseudoniem Georges Sand, een zucht van opluchting sloeg eens de Commune gevallen was en de gebeurtenis als volgt lyrisch samenvatte: “C’est la Tour de Babel tombée dans… la merde!” (“Het is de Toren van Babel, gevallen in… stront”)

De Commune was veeleer de vrucht van een toevallige samenloop van omstandigheden dan de bekroning van een bepaalde doctrine die doorheen een lang proces had gerijpt. Binnen de Commune was er dan ook een te grote mengelmoes van allerlei linkse filosofische en politieke stromingen om te kunnen spreken van een coherente en homogene beweging.

In al haar onvolmaaktheid is ze een lichtend voorbeeld geweest voor vele toekomstige sociorevolutionaire bewegingen, niet in het minst tijdens de Russische Revolutie van 1917 en tijdens de Spaanse Burgeroorlog van 1936-1939, meerbepaald voor de anarchistische-libertaire organisaties die het opnamen tegen de fascistische troepen van Franco.

Om die reden mag de impact van la Commune de Paris op de geschiedenis absoluut niet onderschat worden en verdient ze dat we haar 150 jaar na haar oprichting herdenken om haar politieke onbaatzuchtigheid, haar moed in een ongelijke strijd en haar visionaire kijk op de hertekening van de maatschappelijke orde.

Dit artikel is gebaseerd op Les Origines de la Commune van historicus Henri Guillemin en L’Insurgé, de autobiografische roman van schrijver en communard Jules Vallès.


Uitgelichte afbeelding: vrouwen van de Commune verdedigen de Rue Blanche tijdens de Semaine Sanglante, 21 tot 28 mei 1871

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst. Zelf een bijdrage insturen, doe je hier.

Auteur: Tanguy Verbeke

Tanguy Verbeke is ondernemer en heeft de voorbije jaren een uitgesproken interesse ontwikkeld voor socio-economische revoluties in de negentiende en twintigste eeuw, zoals de Spaanse Burgeroorlog, de anarchistische beweging rond Nestor Mancho in Oekraïne en de Parijse Commune.