Gloria Wekker, Anja Meulenbelt, en het neoliberale keurslijf van White Privilege

 Leestijd: 26 minuten2

Anja Meulenbelt onderwierp op deze site in een ‘Open brief’ mijn standpunt over antiracisme (‘Over wit, zwart en doeltreffend antiracisme’) aan een kritiek. Ik verwelkom haar initiatief als een uitgestoken hand om het debat te voeren over een gevoelig onderwerp waar vraagstukken van politieke en persoonlijke aard in mekaar overvloeien, en een open gesprek hierover, zoals op social media het geval is, vrijwel steeds vastlopen in onbegrip of ostracisme.

De Nederlandse Meulenbelt is niet de eerste de beste: al vele decennia is ze een boegbeeld van het feminisme in de lage landen. Ze staat vooraan in de strijd tegen seksisme; is actief in de solidariteitsbeweging met het Palestijnse volk en werkt in Nederland mee aan de vernieuwing van de politiek op links, in de piepjonge politieke partij BIJ1. Respect dus.

Auteur Ludo De Witte (Foto: EPO Uitgeverij)

Ondanks haar enorme ervaring en – daar zal niemand aan twijfelen – haar oprechte, belangeloze inzet in de strijd tegen racisme is haar ‘open brief’ evenwel op vele punten problematisch.

Hieronder reflecteer ik over haar bijdrage die demonstreert hoe toxisch een kijk op racisme vanuit het whiteprivilegediscours à la Gloria Wekker wel is. Een kijk met een fixatie op de ‘positionering’ van de actoren op het publieke forum, en dan vooral die van ‘witte mannen’.

Ook het neokolonialisme in rekening brengen

Meulenbelt schrijft dat we het eens zijn over een aantal zaken. Onder meer over dit: “dat er historisch gezien een rechtstreekse relatie is tussen racisme en kapitalisme, bijvoorbeeld. Niet alleen terug te vinden in de koloniale uitbuiting die onze landen op hun geweten hebben, maar ook, en nog steeds, in de behandeling van migranten die eens binnengehaald zijn als goedkope arbeidskrachten.”

Zeer juist, en dan wil ik haar onmiddellijk voor de voeten gooien dat in de analyse van Gloria Wekker (die ze in bescherming neemt) onder meer precies dat ontbreekt: een kritiek op het neokolonialisme, als laatste fase van het kapitalisme, dat onder meer islamofobie genereert.

Als Meulenbelt even mijn werk had gegoogld, dan had ze op mijn onlangs gepubliceerd artikel gestoten waarin ik Gloria Wekkers conferentie in het Kaaitheater analyseer.

Ik schrijf daarin onder meer dit:

“De dekolonisatie van ons denken bepleiten, maar dat doen zonder een snoeiharde analyse van het kapitalistische overheersingsmodel in zijn imperialistische fase, met inbegrip van het hedendaagse neokolonialisme, blijft steken in een abstracte, weinig efficiënte oefening. (…) Professoren als Gloria Wekker schijnen niet happig te zijn op zo’n pogingen om de antiracistische analyses consequent door te trekken. Misschien moeten we in het geval van Wekker en nogal wat van haar collega’s spreken van ‘academic innocence’? Van academici die denken dat antiracistische actie kan volstaan met pedagogisch werk en zelfreflectie over ons koloniaal verleden, binnen de veilige grenzen van hun universitaire carrière? En wel op zo’n manier dat de burgerij niet voor het hoofd wordt gestoten met onaangename stellingen over hun rol in de mondiale uitbuitingsverhoudingen vandaag?”

(‘Het antiracisme van Gloria Wekker springt niet ver genoeg’, DeWereldMorgen, 23/3/2018)

Mag ik over antiracistische strijd spreken?

Vervolgens zoomt Meulenbelt in op wat ze onze meningsverschillen inzake de antiracistische strijd noemt. Ze begint met dit te zeggen: “dat jij er als witte man geen moment aan lijkt te twijfelen dat jij wel kunt bepalen wat de juiste strategie is voor de antiracistische strijd. En dat je dat beter kunt dan ‘Gloria Wekker en co’, hoewel het duidelijk is dat zij de ervaringsdeskundigen zijn als het gaat om racisme.”

Bizar. Waar haalt ze het vandaan dat ik denk te kunnen “bepalen wat de juiste strategie is voor de antiracistische strijd”?

Ik schrijf dat mijn artikel bedoeld is als “als een vriendschappelijke, constructieve inbreng”. Een ‘inbreng’ is volgens Van Dale nog steeds “een bijdrage aan een gemeenschappelijke prestatie”. Een bijdrage dus, niet meer of niet minder. Ik beweer ook nergens dat ik het warm water uitvind; er zijn overigens de jongste tijd interessante bijdragen verschenen, onder meer, om er eentje te noemen, ‘De beperkingen van Wit Privilege: Shortcuts in de antiracisme strijd’, van Miriyam Aouragh.

Meulenbelt stelt dat Gloria Wekker en co de ervaringsdeskundigen zijn als het gaat over racisme, terwijl ik een gevrijwaard van racisme witte man ben. Witte mensen komt het niet toe om te reflecteren over de strategie voor de antiracistische strijd, zo luidt de implicatie. Vreemd, die oekaze.

Met zo’n redenering ontzegt men bijvoorbeeld ook academici om te reflecteren over de arbeidersstrijd, want dat is voor hen toch een louter theoretische kwestie? En hebben wij Europeanen wel iets te zeggen over de emancipatiestrijd van Palestijnen, Koerden of Riffijnen, want zij zijn toch de ervaringsdeskundigen? Meulenbelt’s standpunt, dat uit de keuken van het op identiteit en positie gefocust witprivilegemantra komt, is onhoudbaar.

Reflecteren over emancipatie en emancipatorische bewegingen, en daaraan bijdragen, is een universele plicht voor wie zich in de traditie van de grote humanitaire en socialistische denkers plaatst.

Pro zelforganisatie

Meulenbelt schrijft dat “er een waaier aan zwarte initiatieven ontstaat, zoals de Black Archives, Black Renaissance, Black Achievement Month, New Urban Collective, University of Colour, zwarte kunst, een initiatief voor een Slavernij museum”.

Volgens haar vind ik dat uitingen van ‘isolement’. En ze zegt ook “Ik ben er inmiddels achter dat het van cruciaal belang is dat zwarte mensen elkaar vinden op gemeenschappelijkheid, en zelf beslissen welke rol witte bondgenoten daar al of niet bij kunnen spelen. Vanuit zwart bekeken is dat zoeken van onderlinge gemeenschappelijkheid het tegendeel van isolement.”

Wel, Meulenbelt bokst tegen een zelf gecreëerde vijand. Ik zeg niet, nergens, nooit dat dit soort van initiatieven uitingen van isolement zijn. Integendeel, al decennia lang publiceer ik artikels waarin dat soort van zaken wordt aangemoedigd, zoals pleidooien pro de dekolonisatie van de publieke ruimte; pro een totale make-over van het door-en-door koloniale Museum voor Midden-Afrika; steun en samenwerking met Afro-Belgische organisaties.

En draag ik inhoudelijk materiaal aan om dat te doen, zoals het blootleggen van de rol van België in de moord op de Congolese premier Lumumba; het blootleggen van de extreem-rechtse filière in het Antwerpse politiekorps dat Abou Jahjah erin heeft geluisd; het opdiepen van Lumumba’s onafhankelijkheidsspeech; ondersteuning van een klacht van de familie-Lumumba tegen betrokkenen bij de moord; een klacht tegen de vrouw die Lumumba’s resten heelde (die zijn nu in handen van het gerecht); enzovoort.

Zijn volgens mij initiatieven van bijvoorbeeld Afro-Europese organisaties bronnen van ‘isolement’, zoals ze schrijft? Integendeel, ik ben 100% voorstander van de zelforganisatie van achtergestelde, onderdrukte, gediscrimineerde groepen, en ik verdedig die stelling al decennia.

Zoals in 2002, toen in België de politieke klasse, de Staatsveiligheid, politiediensten en grote persorganen een demoniserings- en ontwrichtingscampagne opzetten tegen de Arabisch-Europese Liga. Toen waren Tarik Frahi, Tom Lanoye en ik de enigen die in de Vlaamse massamedia de zelforganisatie van de AEL principieel verdedigden.

Ik benadrukte daarbij ook dat de zelforganisatie van mensen die subsidies principieel afwijzen om in volle onafhankelijkheid van de politieke agenda van politiek en overheid te kunnen ageren, toe te juichen is. Over die periode, zie mijn boek Wie is bang voor moslims? (2004), waarin ik dat op schrift zet.

Een citaat uit dat boek, met een van de vele pleidooien voor zelforganisatie die daarin voorkomen:

De Arabisch-Europese Liga beoogt een politiek-culturele wedergeboorte om zelfzeker een plaats in de samenleving op te eisen. De versterking van de identiteit is essentieel voor het zelfvertrouwen van onderdrukte minderheden en volkeren. Hun emancipatie vereist zelforganisatie, zelfbewustzijn, fierheid, inzicht in de eigen geschiedenis: dat was zo voor de arbeiders, nadien voor de vrouwen en de homo’s, en vandaag is dat het geval voor de moslims (en ook voor de vrouwen en de homo’s binnen de moslimgemeenschappen).

Zoals Friedrich Engels zei: ‘Om te kunnen vechten, is er in de eerste plaats stevige grond onder de voeten nodig, en lucht, en licht en ruimte.’

Representatie is dus erg belangrijk: niet-witte mensen zelf organiseren zich, en beslissen hoe. Zij zijn het zelf die de stem vertegenwoordigen van hun mensen. En hun plaats opeisen. En ze bepalen zelf met wie ze samenwerken.

Banaal

In haar brief lijst Meulenbelt erg belerend nog wel meer waarheden op die ik niet zou hebben begrepen. Wel, ik heb nieuws voor haar: het klinkt me banaal in de oren. Ze legt uit “waarom zwarte activisten zich niet aansluiten bij de linkse partijen”.

Haar argumentatie kan ik alleen maar beamen. Lees mijn boek Wie is bang voor moslims?, of lees de tientallen artikels die ik de afgelopen drie decennia in De Standaard, De Morgen, Knack, Apache, DeWereldMorgen en Uitpers publiceerde: ik reken het onze ‘progressieve partijen’ zwaar aan dat ze niet-witte mensen als stemmentrekkers gebruiken, maar de emancipatie van die groepen verwaarlozen met pleidooien voor een abstract ‘algemeen belang’, zo nodig toegedekt met een belerend paternalisme.

Voorts schrijft ze dat “wij” die “links” zijn (“zichzelf reuze progressief vindende witte mensen”) denken dat we niet geprivilegieerd zijn. Ze stelt ook dat ik het contraproductief vind om het te hebben over ‘witte privileges’. Mijn standpunt wordt hier wel heel vertekend weergegeven.

Ik schreef dit: “Contraproductief is de tendens om ‘witte’ mensen in de hoek van ‘de schuldigen’ te duwen, als begunstigden van ‘witte privileges’. Het klopt natuurlijk dat op microniveau bekeken witte mensen ‘geprivilegieerd’ zijn, of preciezer gezegd, dat aan niet-witte mensen in de praktijk minder vrijheden en rechten worden toegekend. En dat gebeurt systematisch, waardoor die niet-witte mensen structurele achterstand oplopen die ze levenslang als een zware last meedragen.”

Natuurlijk zijn wij witte mensen, linksen of rechtsen, in die zin ‘geprivilegieerd’. Ik heb er helemaal geen problemen mee om dat te erkennen. Denk aan de documentaire van Sunny Bergman, waarin een witte man aan een fietsslot in het park staat te morrelen en omstaanders ter hulp willen snellen, maar wanneer een niet-witte man hetzelfde doet, erg achterdochtig zijn of zelfs de politie willen bellen.

Denk ook aan ethnic profiling, waarbij agenten mensen met een kleurtje eruit pikken voor controles en witte mensen gerust laten: dan kan je spreken van een ‘privilege’ voor die laatsten, of beter uitgedrukt: van minder rechten voor niet-witte mensen.

Om nog maar te zwijgen over de moeilijkheden die niet-witte mensen ondervinden om een huurwoning of een job te bemachtigen. Niet-witte mensen ervaren vrijwel constant dergelijke micro-agressies die er diep inhakken, gaande van argwanende blikken op straat tot bewuste en onbewuste aannames over wat iemands plaats is in de samenleving.

In die zin is een witte mens ‘geprivilegieerd’ ten opzichte van een niet-witte mens; heeft hij of zij een ‘comparatief voordeel’ – of beter uitgedrukt, hebben niet-witte mensen minder vrijheden en rechten.

Het klopt ook dat de zwartepietendiscussie een breed onbehagen bij veel witte mensen heeft blootgelegd (“blijf van onze cultuur”), wat aantoont dat een kritische kijk op de eigen positie voor veel witte mensen moeilijk, zelfs een taboe is.

Meulenbelt heeft dus gelijk wanneer ze dit schrijft: “Wit is het niet gewend om zichzelf als object van studie te zien. Daar is zelfreflectie voor nodig, en helaas, helaas, daar is de gemiddelde linkse witte mens meestal niet erg mee bezig.” Allemaal juist, en dat heb ik ook bestudeerd, in mijn boeken en in vele artikels: het diepe monoculturalisme en racisme waarvan de laatkapitalistische samenlevingen doordesemd zijn, treft ook links.

Moraliseren is contraproductief

Het is wel degelijk nuttig om met witte mensen te reflecteren over hun ‘privileges’ en over de keerzijde ervan: de rechten die niet-witte mensen de facto ontberen

Het is dus wel degelijk nuttig om met witte mensen te reflecteren over hun ‘privileges’ en over de keerzijde ervan: de rechten die niet-witte mensen de facto ontberen. Het is goed dat mensen ‘uit de witte meerderheid’ beseffen dat ze in vergelijking met nieuwkomers of tweede- of derde-generatiemigranten doorheen de jaren comfort, omkadering, mogelijkheden en stimuli hebben gekregen die hun een voorsprong opleveren.

Wijzen op ‘wit privilege’ is prima, nuttig, aangewezen, als educatieve hefbomen in een een-op-eendiscussie of in een lezing – op voorwaarde dat het spiegelbeeld van die ‘privileges’ aan bod komt.

Wie spreekt over ‘witte privileges’ richt de blik op individuele voorrechten, terwijl het eigenlijk om collectieve rechten gaat. Wanneer een witte mens zonder veel problemen een appartement kan huren, maar een zwarte mens niet, dan heeft die witte mens geen ‘privilege’, maar wordt de niet-witte gediscrimineerd.

Moraliseren werkt op een dubbele manier contraproductief. Vooreerst dringt het de potentiële ‘witte’ bondgenoot in het defensief: jij, als ‘witte’ mens, hebt ‘privileges’, terwijl ik, ‘niet-witte’, lijd!

Voorts is het een self-defeating argument. Want als racisme en discriminaties de ‘witte’ medemens ‘een voordeel’ opleveren – en dat is de allesoverheersende boodschap –, waarom zou hij dan over de brug komen en een alliantie met onderdrukte minderheden aangaan? Racisme werkt ook tégen de belangen van ‘witte’ mensen, zoals we nog zullen zien.

Tussentijds besluit: Meulenbelt en ik zijn het over het bovenstaande grotendeels eens, en had ze de moeite genomen wat te lezen van wat ik de afgelopen decennia op papier heb gezet, dan hadden we wat voorafgaat, kunnen overslaan.

Waar ik het echter fundamenteel oneens met haar ben, is haar fixatie op mijn positie als ‘witte man’ – de unique selling proposition van de witprivilegedenkers.

Als ‘witte’ mens toestemming vragen?

Meulenbelt schrijft het volgende: “Dit is het punt, Ludo. Je spreekt over ‘wij’ zonder er ook maar een moment over na te denken namens wie je spreekt, en mag spreken. Ik weet niet meer of het Audre Lorde was of Adrienne Rich die zei dat er geen woord zo politiek beladen is als het woord ‘wij’.

Want elke keer als we wij zeggen moeten we ons afvragen wie we daarmee bedoelen. Een voorbeeld uit jouw tekst: ‘Wat we als kiespijn kunnen missen is een groeiende kloof tussen ‘witten’ en ‘niet-witten’, wat we nodig hebben zijn solidaire acties van ‘zwart’ en ‘wit’.’ Maar wie is die wij die je hier poneert? Denk je echt dat jij mede namens de zwarte activisten ‘wij’ kunt zeggen? Heb je hen om toestemming gevraagd?”

Haar ergernis over het feit dat ik mijn mening geef over antiracistische strijd, demonstreert hoe toxisch een whiteprivilegefixatie op ‘positionering’ is

Laat me Meulenbelt geruststellen: ik denk echt niet dat ik “namens de zwarte activisten” kan spreken. Ik zeg gewoon wat ik denk dat de meest effectieve aanpak van racisme is. Haar ergernis over het feit dat ik mijn mening geef over antiracistische strijd, demonstreert hoe toxisch een whiteprivilegefixatie op ‘positionering’ is.

Blijkbaar is alleen al spreken over racisme en antiracisme ongehoord aanmatigend – toch wanneer een witte man het doet. In het beste geval mag de witte man, zoals ze schrijft, spreken nadat hij toestemming heeft gevraagd en gekregen.

Het is wat witte mannen wel meer te horen krijgen wanneer ze luidop nadenken over antiracistische actie, op social media en elders. Er volgen dan uithalen als: “praat wat minder luid, dan moeten wij zo hard niet roepen”, of “neem zoveel plaats niet in, dan kunnen wij er ook bij”.

Of, zoals KVS-medewerker Tunde Adefioye schrijft, wanneer hij uithaalt naar “witte mannen (…) die ruimte blijven innemen door de ander op te vreten (…). Zij consumeren de theorieën van de ‘ander’: Frantz Fanon, Fatima Mernissi, Edward Said en Audre Lorde, en oogsten daarmee veel succes, wat hun loopbaan bevordert.” (‘Lachen met een moordzuchtige maniak’, De Standaard, 23 maart)

Het is een verbijsterende demonstratie van wat een ‘plat’, van elk machts- en klassenanalyse ontdaan witprivilegemantra in handen van epigonen aanricht. Het zorgt voor een intimiderende ambiance, die zegt: zwijg, verdwijn, trek het boetekleed aan, we hebben je niet nodig.

Splendid isolation

In de praktijk leidt dat witprivilegedenken bij de niet-witte middleclass intellectuelen tot een pleidooi voor splendid isolation. Zoals blijkt uit de uitspraken die ik in mijn Apache-bijdrage heb opgesomd, van Gloria Wekker, Seada Nourhussen, Rachida Aziz en anderen:

  • “Zwarte mensen en mensen van kleur bezwaren met het onderwijzen van witte mensen moet ophouden. Er is genoeg geschreven en gezegd door zwarte mensen en het is beschikbaar.”
  • “Ik hou mij staande door de rug te keren naar het systeem. Vragen, smeken en uitleggen, daar doe ik niet meer aan mee. Ik ben uit die ongezonde relatie met de onderdrukker gestapt. Je hebt er geen idee van hoe vrij ik me daardoor voel.”
  • “Ik besef steeds vaker dat ik in afzondering van witheid mijn bevrijding vind.”
  • “Ik heb geen tijd meer te verliezen. De weinige tijd die ik heb, wil ik niet verprutsen aan het uitleggen van telkens dezelfde evidente dingen.”

Ja, herlees dat eens:

  • “Ik besef steeds vaker dat ik in afzondering van witheid mijn bevrijding vind.”…
  • “Ik hou mij staande door de rug te keren naar het systeem.”…

Splendid isolation helpt de antiracistische strijd geen stap vooruit. Het destructieve van die door-en-door pessimistische benadering blijkt misschien nog het best uit dit citaat:

“Er is geen tijd meer om telkens de discussie te herhalen of racisme wel bestaat. Die debatten hebben niet alleen geen meerwaarde, ze zijn ook schadelijk. (…) Terwijl wij al tientallen jaren zwoegen om iets te verhelpen aan de onwetendheid van de witte dominante groep, vloeit onze energie weg. Die onwetendheid blijft ondanks dat werk gapen als een kloof. Dat is ook net de bedoeling van die debatten. Onze inspanningen worden in die bodemloze put gestort en ondertussen hebben we geen energie meer om onszelf te organiseren, om te bouwen aan alternatieven.

(Rachida Aziz, Niemand zal hier slapen vannacht, p. 163 – mijn nadruk)

De boodschap die ‘witten’ krijgen is duidelijk: ‘witten’ die allianties voor antiracistische strijd willen aangaan hebben de (onbewuste) bedoeling om energie van de onderdrukte groep weg te zuigen. Om ze in een toestand van afhankelijkheid en onderdrukking te houden.

De operationele conclusie luidt dan: wij, als niet-witten, “bouwen aan alternatieven”, maar we trekken ons terug en doen het alleen, zonder de hand te reiken aan meedenkende witte bevolkingslagen. In een situatie waarbij niet-witte minderheden amper 10 procent van de bevolking uitmaken structurele veranderingen van een extreem-monocultureel, islamofoob establishment afdwingen? Dream on.

Depolitisering

De tendens om structurele maatschappelijke problemen te ‘psychologiseren’ en in debatten de aandacht te verleggen naar het problematiseren van gesprekspartners, is een uiting van een depolitiseringsproces.

Als slachtoffers van xenofobie en racisme hebben Wekker en co met hun aanklacht natuurlijk het gelijk aan hun kant, in deze van racisme doordesemde samenleving. Maar de algemene verrechtsing en de verharding van het racisme hebben een laag niet-witte academici en publicisten zoals Wekker ‘geradicaliseerd’.

Hun frustraties zijn begrijpelijk, gezien de onwil van dominante witte groepen om racisme te (h)erkennen en het ellendige paternalisme waarmee zij getroffen minderheden benaderen.

Maar frustratie is een slechte raadgever bij politieke actie. Het zorgt voor een identitaire emopolitiek, zonder systeemkritiek en klassenanalyse, gefocust op de eigen positie, als slachtoffers van racisme, met uithalen naar de witte meerderheid, die de rug wordt toegekeerd. Het is geen toeval dat dit gebeurt in een neoliberale context.

“Privilegetheorie consolideerde tijdens de politieke terugslag van Thatcher en Reagan. Dit was deel van een ideologische omwenteling, vooral na de val van de Muur: ‘TINA’ (there is no alternative) was het antwoord op de Sovjet-Unie. Er volgde een aanval op klassenpolitiek en systeemkritiek terwijl individuele identificatie werd gepromoot.”, zo schrijft Miriyam Aouragh terecht.

De populariteit van ‘wit privilege’ als determinerend concept is er het gevolg én de oorzaak van.

Gloria Wekker

Gloria Wekker dan. Zelf heeft Meulenbelt mijn werk duidelijk niet gelezen, maar ze vraagt zich wel af of ik Wekkers boek Witte Onschuld heb gelezen. Natuurlijk heb ik dat gedaan, van het eerste tot het laatste woord.

Vooreerst dit: in de mate dat haar boek bijdraagt om te wijzen op de mix van onwetendheid, verdringing en bewuste ontkenning door ‘witte’ mensen van de materiële voordelen die slavernij en kolonialisme ‘het Noorden’ opbrachten, en hoe dat gepaard ging met gevoelens van superioriteit tegenover de volkeren die deep down under werden geëxploiteerd, en hoe dat vandaag nog doorwerkt: prima.

Maar de analyse van Wekker heeft zware lacunes. Zo blijft ze blind voor de rol van het actuele imperialisme in de handhaving van dat ‘witte’ superioriteitsdenken. Focussen op slavernij en kolonialisme is goed, maar dat moet worden aangevuld met een focus op neokolonialisme – wat vandaag de belangrijkste drijfveer van racisme is. En dat doet Wekker niet.

In mijn hogervermeld artikel (op de site van DWM) schreef ik daarover:

“Het voortwerken van racistische denkbeelden uit de koloniale tijd in onze collectieve psyche en zoals die worden veruitwendigd in de publieke ruimte zijn natuurlijk problemen die moeten worden geanalyseerd en aangeklaagd. Het kolonialisme werkt vandaag door, zoveel is zeker.

Maar het volstaat niet, hoe goed op zich ook, om met pedagogie en acties rond standbeelden van Leopold II en pleidooien voor Lumumbastraten het racisme uit de wereld te helpen. Er is immers een krachtiger drijfveer van racistische denkbeelden en houdingen dan ons koloniaal verleden aan het werk, en dat schijnt Wekker te ontgaan.

Want het kolonialisme is slechts één van de verschijningsvormen van het kapitalisme, dat vanaf het derde kwart van de 19de eeuw in zijn imperialistische fase kwam. Het imperialisme zelf is het probleem. Vroeger nam zijn mondiaal overheersingsmodel de vorm aan van het kolonialisme, vandaag is dat het neokolonialisme. Niet alleen in de 19de en de eerste helft van de 20ste eeuw, maar ook vandaag, in 2018, heeft het imperialisme de legitimatie van ‘the white man’s burden’ nodig om zijn mondiale overheersing en de gigantische roof van biomassa uit het Zuiden te rechtvaardigen.

Met een discours dat bijvoorbeeld Afrikanen 100 procent verantwoordelijk stelt voor de neokoloniale dictaturen die het imperialisme daar aan de macht hielp en in het zadel houdt (Mobutu, Kabila: het zijn zogezegd zuiver “Afrikaanse” producten, “wij” hebben daar niks mee te maken). En als de mensen in het Zuiden, in een toestand van onderontwikkeling en armoede gehouden, het wagen een menswaardig leven op te zoeken en te dicht in onze buurt komen, zoals vluchtelingen, dan worden ze ontmenselijkt; onttrokken aan het toepassingsgebied van internationale humanitaire verdragen en overgeleverd aan de repressie van bedenkelijke regimes als Turkije, Libië, Niger of Soedan.”

Besluit: het neokolonialisme, dat zijn overheersingsstructuren zo nodig handhaaft met oorlogen, vereist een zekere mate van ontmenselijking van de mensen in het Zuiden – en dus van racistische denkpatronen.

Wekker is klassenblind

Gloria Wekker gebruikt een intersectionele analyse waarin ras, gender en seksualiteit samen worden bekeken, maar de realiteit van sociale klassen splitst ze af en laat ze buiten beschouwing. Wekker is klassenblind. (Misschien ten dele te verklaren omdat ze binnen de veilige grenzen van haar vakgebied de antropologie blijft?)

Zo blijft haar analyse aan de oppervlakte, gefocust op microrelaties en gevangen in een moreel en etnisch-cultureel frame, zonder een inbedding in een historische analyse van macht en krachtsverhoudingen tussen groepen en klassen.

Ze verschaft geen inzicht in onze ‘witte’ samenlevingen in het Noorden als klassenmaatschappijen waarin niet iedereen op dezelfde manier van de exploitatie van het Zuiden heeft geprofiteerd.

Evenmin komen we te weten hoe dat vals superieur bewustzijn verschillend inwerkte op verschillende sociale groepen en hoe daartegen is gestreden en nog wordt gestreden.

Behoorlijk verbijsterend, omdat ze zelf, in haar boek, een relevante anekdote vertelt, zonder daar de evidente conclusies uit te trekken. Op een bepaald moment was ze zonder vervoersbewijs de metro opgestapt. Ze werd betrapt en geraakte in een dispuut met agenten verwikkeld.

Er werd getrokken en geduwd, en ze noemde de agenten ‘fascisten’, waarop ze hardhandig naar het politiekantoor was gebracht. Ze werd beschuldigd van “het beledigen van een ambtenaar in functie”.

Toen ze de agenten – die haar, in haar eigen woorden, wilden “disciplineren als zwarte vrouw” – evenwel zei dat ze een hoogleraar was, werd ze onmiddellijk vrijgelaten. Zo was ze op slag “tot een hogere klasse toegetreden”, zo schrijft ze zelf.

De klassepositie van Wekker is dus relevant voor het (vermeende) racisme waarvan ze slachtoffer werd. Racisme treft niet elk individu gelijk, maar toch brengt ze die sociale ‘positie’ in haar analyse niet in rekening ….

Idealisme

Onbekwaam of onwillig om racisme in te bedden in machtsverhoudingen, vervalt Wekker in idealisme. In Witte Onschuld definieert ze racisme als “een collectief erfgoed van bepaalde soorten kennis, structuren van attituden en referentie, en gevoelens, opgeslagen in een cultureel archief dat tot stand gekomen is op basis van vierhonderd jaar imperiaal rijk.”

Racisme is evenwel meer dan kennis, attitudes, referentie(kaders) en gevoelens die een superioriteit van ‘wit’ tegenover ‘niet-wit’ moeten rechtvaardigen. Racisme is het rechtvaardigende kader waarmee krachtsverhoudingen tussen sociale strata en klassen wordt gehandhaafd.

In The Invention Of The White Race beschrijft Theodore W. Allen hoe Afro-Caraïbische mensen bij het begin van de 20ste eeuw versteld stonden over het diepgaande racisme in de VS, dat in de Caraïben veel minder scherp was.

Allen neemt als voorbeeld het Caraïbische eilandje St. Croix, waar bijvoorbeeld geen formele segregatie en geen lynching bestond. Onder de ‘colored” people (mensen van gemengd Europees-Afrikaanse afkomst) waren ook landeigenaars.

Op St. Croix was 5% van de eilandbewoners wit, 15% ‘colored’ en 80 % zwart. De 5% was te klein om de 95 % in een toestand van onderdrukking te houden, en daarom werden de colored people als een buffer gebruikt, en lag voor hen de weg naar enige sociale promotie open.

Conclusie van Theodore W. Allen:

“The logic of ‘race as a social construct’ must be tightened and the focus sharpened. The ‘white race’ must be understood, not simply as a social construct, but as a ruling class social control formation.”

James Baldwin zegt het zo:

“I attest to this: the world is not white; it never was white, cannot be white. White is a metaphor for power, and that is simply a way of describing Chase Manhattan Bank.”

Racisme neemt dus verschillende vormen aan naargelang de sociale positie van de slachtoffers: een zwarte poetsvrouw in de hotelsector ervaart andere vormen van racisme dan een zwarte hoogleraar of een zwarte tv-presentator, om maar iets te zeggen.

In het whiteprivilegediscours is de notie ‘wit’ een containerbegrip dat associaties oproept met verschillende, soms contradictorische realiteiten. De Rwandees-Belgische professor Olivia Rutazibwa, die binnenkort een boek met de titel Het einde van de witte wereld publiceert, zegt zelf dat ze in Engeland, waar ze lesgeeft, minder wordt aangestaard en minder wordt gevraagd waar ze vandaag komt. (‘Het kolonialisme onderwijzen zou even vanzelfsprekend moeten zijn als de Holocaust onderwijzen’, interview in Knack, 3/1/2016)

Kortom, daar is de wit/zwart-tegenstelling, om het in de termen van de whiteprivilegedenkers te stellen, poreuzer, en zijn zwarten ‘witter’ dan zwarten bij ons, als ze al niet tot de ‘witte groep’ behoren.

Houria Bouteldja, de Algerijns-Franse antiracistische militante en publiciste, zegt over zichzelf dat ze “niet echt wit” is, maar wel “gewit” is. En in vergelijking met mensen in het Zuiden is ze, naar eigen zeggen… ‘wit’: “Ik leef in Frankrijk. Ik leef in het westen. Ik ben wit. Niets kan me daarvan vrijspreken.” (H. Bouteldja, Whites, Jews, and Us, La fabrique Editions, 2016, resp. pp. 29, 27)

Genadeloos kijkt ze naar zichzelf en ziet ze haar eigen ‘medeplichtigheid’ aan de imperiale overheersingsstructuren:

“Ik ben een misdadiger. Maar een erg gesofistikeerd exemplaar. Ik heb geen bloed aan de handen. Dat zou te vulgair zijn. Geen enkele rechtbank zou me veroordelen. Ik outsource mijn misdaad. Tussen mijn misdaad en ik staat de bom. Ik bezit nucleair vuur. Mijn bom bedreigt alle makaken [métèques] en beschermt mijn belangen.

Tussen mijn misdaad en mezelf is geografische afstand en ook geopolitieke afstand. Maar ook grote internationale lichamen: de VN, het IMF, de NAVO, multinationals, de banken. Tussen mijn misdaad en mezelf staan ook nationale organen: democratie, de wet, de Republiek, verkiezingen. Tussen mijn misdaad en mezelf staan mooie ideeën: mensenrechten, universalisme, vrijheid, humanisme, secularisme, de herinnering aan de Shoah, feminisme, marxisme.” (p. 28)

En verderop heeft ze het over haar “aristocratische belangen als inboorlinge [in Frankrijk], waar ik overigens slechts per ongeluk van profiteer. (…) Ik behoor tot de laagste strata van de profiteurs.” (p. 30)

Zo’n genuanceerde kijk is bij Wekker ver te zoeken.

Wit en zwart als problematische concepten

Racisme wordt dus niet altijd ‘gedefinieerd’ aan de hand van huidskleur, wat van de noties ‘wit’ en ‘zwart’ erg problematische concepten maakt

Racisme wordt dus niet altijd ‘gedefinieerd’ aan de hand van huidskleur, wat van de noties ‘wit’ en ‘zwart’ erg problematische concepten maakt. Het is een overheersingsmechanisme van dominante klassen – in álle klassenmaatschappijen, dus ook de prekapitalistische.

Zoals die in de Egyptische oudheid, de Arabische samenlevingen ten tijde van Mohamed, het Ottomaanse rijk, het Chinese ‘Middenrijk’ of de prekoloniale Afrikaanse samenlevingen.

Kijk bijvoorbeeld ook naar het anti-Iers racisme in Engeland, ten tijde van de Anglo-Normandische overheersing van Ierland van de 12e tot de 16e eeuw. De vergelijking met de slavernij in de zuidelijke staten van VS is revelerend, zo leert Theodore W. Allen ons:

“Terwijl ten tijde van de Anglo-Amerikaanse slavernij de verkrachting van een slavin geen misdaad, maar een eenvoudige overtreding was, zo sprak in 1278 een rechtbank twee Anglo-Normandiërs vrij voor de verkrachting van een vrouw genaamd Margaret O’Rourke omdat ‘de genaamde Margaret een Ierse vrouw is’.

Terwijl een wet uitgevaardigd in Virginia in 1723 bepaalde dat het doden van een slaaf niet strafbaar is, zo volstond het voor de Anglo-Normandische wet om aan te tonen dat de gedode person een Ier was om vrijgesproken te worden.

Anglo-Normandische priesters gaven de absolutie op grond van het feit dat ‘het is niet zondiger om een Ier te doden dan een hond of gelijk welk ander beest’. Terwijl het Hooggerechtshof van Georgia in 1851 besliste dat ‘het doden van een neger” geen misdaad was maar wel aanleiding gaf tot het betalen van een schadevergoeding aan de eigenaar van de slaaf, zo sprak in 1310 een Engels hof op Ierse bodem Robert Walsh, een Anglo-Normandiër vrij die was beschuldigd van het doden van John Mac Gilmore, omdat het slachtoffer ‘slechts een onvrije Ier’ was, daaraan toevoegend dat ‘wanneer de meester van de genaamde John een schadevergoeding zal vragen, hij daar voldoening aan zal geven’.”

(Th. W. Allen, ‘Summary of the Argument of The Invention of the White Race’, sectie 27)

Om nog maar te zwijgen van het actuele racisme, dikwijls geïnstitutionaliseerd, van Turken tegenover Koerden, Arabieren tegenover zwarte Afrikanen, Aziaten onderling.

Denk ook aan de wijdverbreide slaveneconomie in Qatar, Saoedi-Arabië of India. Het zijn nuances, subtiliteiten die Wekkers ahistorische, binaire wit-zwartanalyse ontgaan.

Alsof ‘mensen van kleur’ in één hokje zitten, en ‘de witten’ ook, als slachtoffers versus daders. Een ander voorbeeld dat aantoont dat het ‘essentialiseren’ van huidskleur fout is, is de kolonisatie van Ierland door de Engelsen tussen 1801 en 1922. Toen was de protestants-katholieke tegenstelling een belangrijke marker van anti-Iers racisme; toen racialiseerden de ‘witte’ Engelsen de ‘witte’’ Ieren.

Overigens: de rechtvaardiging voor het racisme kan zich ook voordoen op basis van de sociale marker ‘lid van een overwonnen volk’, zoals met de Italianen na WO2 gebeurde, zoals dat met de sociale marker ‘lid van een gekoloniseerd volk’ gebeurde.

Kortom, de notie ‘wit’ is zo vloeibaar, relatief en als politiek concept hoogst problematisch

Kortom, de notie ‘wit’ is zo vloeibaar, relatief, an als politiek concept hoogst problematisch. Is een hoogleraar van allochtone afkomst, met een vaste baan, een maandsalaris van 4.300 euro netto en in academische kringen gerespecteerd wegens zijn of haar neokoloniale analyses, wit of zwart? 80% wit en 20% zwart? Of is de verhouding 90-10%?

Is die zwarte hoogleraar ‘gewit’, en de dakloze witte bedelaar waaraan hij voorbijloopt ‘zwart’? Om terug te grijpen naar Wekkers anekdote: de zwarte burgers die in het politiekantoor werden vastgehouden, met inbegrip van Wekker zelf, werden allemaal neerbuigend behandeld (“alsof ze werkloos waren”, schrijft ze) – tot op het moment dat Wekker zich als ‘hoogleraar’ outte en onmiddellijk aan de vernederende setting werd onttrokken.

Karl Marx

Alleen een historisch-materialistische analyse die door de binaire, platte wit-zwarttegenstelling heen naar de plaats van racisme in de klassenverhoudingen kijkt, is in staat de werkelijkheid te vatten.

Om het lapidair uit te drukken: het is als witte of niet-witte man of vrouw dat we onze sociaaleconomische positie ervaren en inkleuren. Doorheen ras en geslacht beleven we ons lidmaatschap van een sociale klasse en geven we er vorm aan.

Karl Marx drukt het in zijn algemeenheid zo uit:

“Op de verschillende vormen van de eigendom, op de sociale bestaansvoorwaarden verheft zich een hele bovenbouw van verschillende en karakteristieke gevoelens, illusies, denkwijzen en levensbeschouwingen. De gehele klasse schept en vormt die uit haar materiële grondslagen en uit de overeenkomstige maatschappelijke verhoudingen. Het afzonderlijke individu, bij wie deze gevoelens en opvattingen door traditie en opvoeding ontstaan, kan zich verbeelden dat zij de eigenlijke motieven en het uitgangspunt van zijn handelen vormen.”

(K. Marx, De Achttiende Brumaire van Louis Bonaparte, 1852)

De kolonisatie van Ierland door de Engelsen brengt me bij een ander, fundamenteel aspect dat in de analyses van Wekker en haar epigonen helemaal ontbreekt: racisme treft en benadeelt alle niet-dominante sociale strata en klassen, en of ze nu wit, bruin of zwart zijn, doet er niet toe.

Karl Marx schreef daarover de volgende lijnen neer in de periode dat Ierland een Britse kolonie was:

“Every industrial and commercial centre in England now possesses a working class divided into two hostile camps, English proletarians and Irish proletarians. The ordinary English worker hates the Irish worker as a competitor who lowers his standard of life. In relation to the Irish worker he regards himself as a member of the ruling nation and consequently he becomes a tool of the English aristocrats and capitalists against Ireland, thus strengthening their domination over himself. He cherishes religious, social, and national prejudices against the Irish worker. His attitude towards him is much the same as that of the “poor whites” to the Negroes in the former slave states of the USA. The Irishman pays him back with interest in his own money. He sees in the English worker both the accomplice and the stupid tool of the English rulers in Ireland.

This antagonism is artificially kept alive and intensified by the press, the pulpit, the comic papers, in short, by all the means at the disposal of the ruling classes. This antagonism is the secret of the impotence of the English working class, despite its organisation. It is the secret by which the capitalist class maintains its power. And the latter is quite aware of this.”

(Letter from K. Marx to Sigfrid Meyer and August Vogt, 9/4/1870)

Bij een analyse van de evolutie van de werkorganisatie bij Volkswagen (het huidige Audi) in Vorst (Brussel) in de jaren ’80 kwam ik tot dezelfde conclusie: racisme benadeelt zowel ‘wit’ als ‘zwart’.

Tot voor de reorganisatie mochten de arbeiders – in die periode allemaal witte mensen – zodra ze 50 werden, het zware werk aan de ketting laten voor wat het is. Oudere arbeiders werden ingeschakeld voor onderhouds- en aanvullende taken langs de ketting.

De doorgevoerde reorganisatie was ingrijpend: via onderaanneming werd een kuisploeg ingeschakeld, vrijwel uitsluitend samengesteld met mensen van Marokkaanse afkomst ,die een loon kregen dat ongeveer 30% lager was dan dat van de ‘witte’ arbeiders.

‘Witte’ arbeiders moesten vanaf dan wél tot aan hun pensioen het zware bandwerk verrichten – wat zorgt voor meer en meer gevallen van oudere mensen die zich aan de ketting letterlijk doodwerken.

Kortom, de arbeidersbeweging bij Volkswagen heeft zich laten verdelen tussen ‘wit’ en ‘zwart’; tussen ‘witte’ arbeiders in blauwe overall en ‘bruine’ arbeiders in bruine overall. Ten nadele van bruin én wit, ten voordele van de aandeelhouders van het bedrijf.

Als we dus op een zeer impressionistische manier naar de wereld kijken, dan kunnen we samen met Gloria Wekker e.a. stellen dat de witte arbeiders ‘geprivilegieerd’ zijn ten opzichte van de niet-witte mensen van de poetsfirma. In werkelijkheid is het zo dat zowel witte als niet-witte arbeiders het slachtoffer werden van een verdeel-en-heersmechanisme dat uitsluitend de dominante klasse ten goede komt.

Neoliberaal keurslijf

Het zijn fundamentele aspecten die Wekker en co ontgaan. Racisme uitsluitend bekijken als een ‘valse ideologie’, los van de klassenverhoudingen waarbinnen het wordt gegenereerd en onderhouden, is een ‘veilige’ analyse, die compatibel is met de micro-analyses van de antropologie (Wekker is antropologe) en met het dominante neoliberale klimaat.

Zo wordt het individu, en niet de klasse, de drager van raciale tegenstellingen, en volgens de logica ‘verander de wereld, begin bij jezelf’ draagt het individu dan de verpletterende verantwoordelijkheid en moet ook op dat niveau actie worden genomen.

Het witprivilegemantra is zo invasief geworden dat wijzen op sociale klassen wordt gedemoniseerd als (besmuikte) pogingen om de aandacht van racisme af te leiden; om de eigen ‘geprivilegieerde’ positie af te schermen van debat (toch wanneer de kritiek van een ‘witte’ komt) en om stemmen van onderdrukte minderheden te smoren.

Het is de ultieme overwinning van racisten: de samenleving is een optelsom van verhoudingen tussen ‘rassen’, en niet van sociale klassen

Het is de ultieme overwinning van racisten: de samenleving is een optelsom van verhoudingen tussen ‘rassen’, en niet van sociale klassen. ‘Rassen’, die onbeweeglijk zijn. Een opvatting die verhindert te zien dat allianties tussen achtergestelde minderheden en progressieve lagen van de meerderheid mogelijk zijn.

Een opvatting die ertoe leidt dat advocaten van het witprivilegediscours een veranderingsstrategie opgeven; terugplooien op zichzelf en zich overgeven aan therapeutische zelfreflectie en moraliserende verwijten aan het adres van ‘de overkant’.

Racistische praktijken kleven in die optiek aan witte mensen. Het moet hen tot introspectie, zelfanalyse, schuldbesef brengen. Epigonen, al dan niet gedreven door frustraties, wrok of carrièreplanning, eisen dan als penitentie of schuldbeslag dat ‘witten’ als mededaders en geprivilegieerden zwijgen of zelfs opkrassen. Wat goed fout is, want wat we nodig hebben is verzet, actie, structurele maatregelen.

Meulenbelt schrijft over mijn artikel op Apache: “jouw irritatie en nauwelijks verholen woede over het feit dat er zwarte activisten zijn die denken dat ze het ook wel zonder jou kunnen druipt van je stuk af.”

Een eind verderop legt ze dat uit: “leden van een dominante groep hebben er zelden besef van hoe vanzelfsprekend ze uitgaan van hun recht om te bepalen wat de realiteit is. We noemen dat ‘definitiemacht’. Het recht dus, om zelfs te mogen bepalen wanneer iets racisme is, en welke begrippen daar wel of niet bij gebruikt mogen worden.”

Gevangen in het raamwerk van een identiteitspolitiek wordt hier de man gespeeld. Meulenbelt decreteert dat ik emotioneel, defensief, met een zeker schuldbesef naar het vraagstuk kijk… hoewel ik de zelforganisatie van slachtoffers van racisme aanmoedig en hun recht verdedig om zelf te bepalen met wie en hoe ze de strijd voeren.

Pleiten voor een antiracistische strategie gericht op het uitbouwen van allianties tussen ‘niet-witte’ zelforganisaties en de arbeidersbeweging en ‘witte’ progressieve burgers voor het afdwingen van structurele maatregelen zoals aanwervingsquota voor achtergestelde en gediscrimineerde bevolkingsgroepen… het wordt afgewezen vanuit een ‘zwijg witte man!’-houding. (Het is geen toeval dat in het boek van Gloria Wekker de woorden ‘streefcijfers’, ‘aanwervingsquota’ of ‘quota’ gewoon niet voorkomen…)

Voor witprivilegeaanhangers is wie spreekt, niet wat hij of zij zegt, determinerend. Fixatie op positionering. Bij wijze van uitsmijter: stel even dat Anja Meulenbelt me nooit had ontmoet en ik een naam zou dragen die niks zou prijsgeven van mijn geslacht, huidskleur of leeftijd.

Zonder extra info zou ze niet weten of ik een witte man, dan wel een zwarte vrouw zou zijn. In dat geval had Meulenbelt zo ongeveer driekwart van haar stuk in de papiermand kunnen gooien. Kortom, driekwart van haar ‘kritiek’ komt neer op disputeren ad hominem.

Disputeren tegen een ingebeelde persoon dan nog, want ze maakt van me een papieren tijger, om die dan gemakkelijk omver te blazen. We moeten van deze doorgeslagen, heilloze identity politics af.

White privilege verlegt de focus van de antiracistische strijd van rechten en hun afdwingbaarheid naar het enge domein van de intermenselijke micro-acties, met subjectiviteit en willekeur als hellend vlak.

Een voorbeeld tot welke absurde toestanden dit kan leiden, is de lijst van ‘raciale micro-agressies’ die de ‘Equality and Diversity Unit’ van de Universiteit van Oxford opstelde.

Zo stelde de dienst dat “Not making eye contact or speaking directly to people” een vorm van subtiel, alledaags racisme kan zijn… Er kwam daarop protest: de richtlijn zou “ongevoelig” en “discriminerend” zijn voor autistische personen, die het moeilijk kunnen hebben om oogcontact te maken.

De universiteit verontschuldigde zich, niet voor de lijst op zich, maar voor het feit dat niet alle redenen waarom er geen oogcontact wordt gemaakt werden opgelijst. De rechtse pers liet niet na de zaak onder de aandacht te brengen.

Malcolm X

Ik geef het laatste woord aan Malcolm X. George Breitman, samensteller van Malcolm X Speaks en auteur van The Last Year of Malcolm X: Evolution of a Revolutionary schetst hieronder zijn rijpere politieke ideeën. Breitmans woorden zijn een halve eeuw oud, maar ze hebben nog niets aan actualiteit ingeboet:

“The concept that ‘the white man is the enemy,’ which Rev. Cleage calls the essential strand in Malcolm’s philosophy, is the beginning of wisdom for black people who have had illusions that the white power structure is going to hand them freedom on a platter some day. To reject that illusion, and to get to understand that the black man has to fight for freedom, and that he has to depend first of all on his own organized strength, on black power — that is a great step forward, an indispensable step. But it is the beginning of wisdom, not the end of it; it is not a formula sufficient by itself for achieving freedom. After the need for independent black power is learned and absorbed and becomes a guide for action, there are other questions that have to be asked and answered.

If the white man is the enemy, are all white men equally enemies? — both the white men who have the power in this country, the rulers, and the white men who don’t have power, and who are exploited by the rulers — not exploited as much as black people, but exploited too? If the white man is the enemy, is there some way of dividing the enemy, splitting them, driving a wedge in among them, setting them to fighting each other — to the benefit of the black man? If the white man is the enemy, is there some way of transforming the situation so that some of the whites can be demobilized, or neutralized, or even, under certain circumstances, turned into allies or potential allies of the black man because it would be in their own self-interest?

These are some of the questions Malcolm was beginning to think about and work out in his last year. The main allies of Afro-Americans, he decided, are the black, brown, yellow and red people of the world; but then he also began to see the possibility of alliances with what he called ‘militant white’ Americans. In fact, he said, to bring about the changes that are needed such alliances will be necessary. He didn’t think they would be consummated right away — first, he always stressed, blacks must organize themselves independently, with their own leaders, their own movement, their own program. After they did that, which was his main preoccupation — then there might be alliances with militant whites, the right kind of alliances. And by the right kind of alliances he did not mean working in the Democratic Party.”

(G. Breitman, ‘Myths About Malcolm X’, speech at the Detroit Friday Night Socialist Forum, 17/3/1967)

 

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Auteur: Ludo De Witte

Ludo De Witte is auteur van het boek ‘Als de laatste boom geveld is, eten we ons geld wel op’ (EPO, 2017). Eerder publiceerde hij onder meer ‘De moord op Lumumba’ en ‘Wie is bang voor moslims?’