Tussen droom en daad staat de Vlaamse overheid

 Leestijd: 3 minuten1

De tijd van het primaat van de politiek lijkt voorbij. Cocreatie tussen burgers en overheid is het nieuwe buzzword. Een moderne overheid is er een die de hand reikt aan de burger, ruimte maakt voor burgerinitiatief. De actieve burger laat zich niet zomaar als passieve klant behandelen. Op zich is dit niks nieuws onder de zon. Participatie is een quasi afgedwongen recht doorheen decennia van sociale strijd en conflict van autonome bewegingen met autoritair top-down besturende overheden.

Die participatiestrijd voor zeggenschap en mede-eigenaarschap werpt vandaag vruchten af. Heel wat Vlaamse steden beantwoorden de veelheid aan autonome bottom-up initiatieven met kleine en onlangs grote burgerbudgetten. Diezelfde burgerinitiatieven verbinden zich toenemend, zoals in het burgerplatform ‘Gent Bottom-up’, om meer politiek gewicht te creëren.

Het is duidelijk dat stedelijke overheden ruimte bieden voor actieve burgers die vorm willen geven aan hun leefomgeving. Actieve burgers wenden die kansen ook aan. Daarmee erkennen lokale besturen de bottom-up burgerkracht. Ze stellen zich in deze kwetsbaar op, met een zoekende houding naar hun eigen rol en taak als overheid: tussen sturen en loslaten, met vallen en opstaan.

Het recht om uit te dagen

Ook de Vlaams overheid is op zoek naar aansluiting bij de groeiende burgerbetrokkenheid. Maar anders dan lokale overheden, die antwoorden op behoeftes en eisen van onderuit, lanceert de Vlaamse overheid ‘het recht om uit te dagen’ als top-down initiatief om overheidstaken uit te besteden. Bewonersgroepen of lokale bewegingen krijgen de kans om bepaalde kleinschalige overheidstaken uit te oefenen. Je moet wel aantonen dat je het ‘beter’ kan.

Voorlopig is het onduidelijk wat dat ‘beter’ moet betekenen, en of dat kwalitatief en/of kwantitatief in termen van budget wordt nagegaan. In tegenstelling tot diezelfde praktijk in Utrecht, is het voorstel vaag en ontbreekt visie en omkadering. De vraag of dit niet verantwoordelijkheid afwentelen is in tijden van besparingen, is dan ook terecht.

De vraag of dit niet verantwoordelijkheid afwentelen is in tijden van besparingen, is terecht.

De Vlaamse overheid haalt de mosterd bijThe Big Society’ in Groot Brittannië onder David Cameron. In tijden van besparingen lanceerde de toenmalige premier in 2010 dit overheidsproject. Burgers en lokale verenigingen op lokaal niveau zouden meer macht krijgen. Het belangrijkste onderdeel van die Big Society was de zogenaamde ‘localism act’, dat verschillende onderdelen – en dus handvaten om macht te decentraliseren naar burgerorganisaties – bevatte zoals ‘the right to challenge’, ‘assets of community value’ (het recht om buurtpatrimonium te beschermen) en ‘neighborhood planning’ (buurtgerichte planning).

De evaluaties in drie rapporten van het ‘Civil Exchange Reports on the Big Society’ waren vernietigend. De ruimte die men liet voor marktspelers in ‘the localism act’, in het recht om te bieden, maakte vooral marktspelers en niet burgers sterker. De hele ‘big Society’-operatie faalde ook om sociale rechtvaardigheid en participatie voor kwetsbare burgers te verhogen. Er is dus voldoende reden om opheldering te vragen van de Vlaamse overheid over haar participatieve omwenteling, niet in het minst omdat er na het Groenboek nog een finaal Witboek volgt.

Het Groenboek Bestuur

Het concrete voorstel van ‘het recht om uit te dagen’ komt uit het recente ‘Groenboek Bestuur’ van de Vlaamse overheid dat een transformatie van bestuurscultuur belooft. Dat Groenboek orakelt hoe de Vlaamse overheid een open flexibele netwerkorganisatie wordt die meer participatie voorstaat, met online referenda en bevragingen. We zouden een faciliterende overheid krijgen die burgers centraal stelt, en ja, ook het middenveld en bedrijven. Meer zelfs, de Vlaamse overheid onderbouwt haar beleid op een meer geïntegreerde wetenschappelijke basis en maakt alle informatie openbaar. Die ommezwaai vraagt een totaal andere bestuurscultuur. Maar doet de Vlaamse overheid wat ze zegt? Een korte reality check.

De Vlaamse overheid heeft een grillig parcours als het gaat om participatie.

De Vlaamse overheid heeft een grillig parcours als het gaat om participatie. Kijken we maar naar haar omgang met ‘Hart boven Hard’, waar Geert Bourgeois meteen verdacht op reageert met “waar komt het geld vandaan?”, alsof dit een politiek gestuurd initiatief is. Of toen Wouter Deprez publiek intervenieerde tegen het schimmige Essers-dossier in Genk, waar elke vorm van transparantie en participatie ontbrak, en hij op zijn plaats werd gezet door minister Joke Schauvliege. Om maar te zwijgen van het totale gebrek aan informatie en juridische veldslagen die de regel zijn in de hele Oosterweelsaga.

Vreemd genoeg bouwt één spoor in het Groenboek rond strategische adviesraden net de rol van het middenveld af, beperkt tot voorbereidende agendabepaling, waardoor heel wat expertise verloren dreigt te gaan. Voeg daar nog de studies van wetenschappelijke instituten aan toe die worden aangevallen als ideologische pamfletten als ze het beleid tegen de haren strijken, en je krijgt een ander beeld. Het is niet duidelijk hoe de Vlaamse overheid van punt A tot punt B geraakt. Een handleiding is afwezig bij het Groenboek Bestuur.

Leren omgaan met tegenspraak

In de schil van het oude wordt het nieuwe geboren. De koers richting faciliterende overheid en meer participatie creëert opportuniteiten voor burgers. Maar een andere bestuurscultuur zal allerminst spontaan ontstaan, ook niet door van bovenuit gestuurde participatie.

Het is duidelijk dat tussen droom en daad de huidige Vlaamse regering staat. Is zij in staat om volwassen met tegensprekende burgers om te gaan? Het zal kritische burgerorganisaties en middenvelders vragen om de overheid van onderuit in de gewenste richting te sturen en de beloofde ommezwaai te bewaken. Dat betekent wel dat die laatste ook politiek positie innemen over welk soort participatie het streefdoel is, en welk soort burgerschap ze daarmee willen vorm geven.

Auteur: &

Pascal Debruyne is postdoctoraal onderzoeker verbonden aan MENARG (UGent) en actief in de Denktank Oikos.