De subversieve kracht van solidariteit (3)

 Leestijd: 12 minuten0

Onze moderne samenleving is complex en in het vorige deel stelden we dat ze wordt gekenmerkt door drie nieuwe karakteristieken die ethische verantwoordelijkheden naar elkaar toe inspireren, in verband met de manier waarop we dat samenleven organiseren: verbondenheid, zin voor betrokkenheid en kwetsbaarheid. De drie verhalen van A en Z in het vorige deel maken duidelijk dat die verantwoordelijkheden niet alleen voor hen gelden, maar ook en vooral voor eenieder die in die verbondenheid tussen hen in sleutelposities inneemt. Eerlijk omgaan met elkaar impliceert eerlijk omgaan met de complexiteit die ons bindt. En die eerlijkheid heeft nu een naam: intellectuele solidariteit.

Intellectuele solidariteit als een zorgethiek voor het moderne samenleven

Intellectuele solidariteit is het gezamenlijk erkennen van verbondenheid, zin voor engagement en kwetsbaarheid als karakteristieken van het moderne samenleven, en van de gevolgen daarvan voor onszelf als individu en voor de manier waarop we ons in die samenleving organiseren. In onze complexe samenleving moeten we niet alleen een ‘praktische’ solidariteit tonen naar de zwakkeren onder ons, maar ook een intellectuele solidariteit naar ieder ander rondom ons, vooral als we sleutelposities in de organisatie van die samenleving innemen. Intellectuele solidariteit is samen het complexe van het samenleven erkennen en zin voor toenadering tonen in die complexiteit. Het is de bereidheid om in die toenadering reflexief te zijn in verband met onze eigen positie, belangen, interesses en veronderstellingen en in verband met wat we geloven, vrezen en hopen. En het is ook de bereidheid om in die openheid geconfronteerd te worden met visies van anderen daarop.

Intellectuele solidariteit is het erkennen van elkaars kwetsbaarheid en intellectuele behoefte voor sociaal en politiek engagement. Het is daarom ook de bereidheid om bij te dragen tot eenieders ‘intellectuele emancipatie’ zoals in het vorige deel beschreven, niet alleen via het praktisch mogelijk maken van participatie in politiek, maar ook door iedereen de kans te geven om zich te ontwikkelen als zelfkritische, tolerante en empathische wereldburger. Anders gezegd: intellectuele solidariteit is elkaar het recht geven om zelf verantwoordelijk te zijn in deze samenleving.

Het is belangrijk om deze vorm van solidariteit niet als een soort van high-brow elitair intellectualisme te zien. Integendeel: het is gewoon de sociale intelligentie die we vandaag nodig hebben om samen te leven, maar dan wel met het inzicht dat die sociale intelligentie ethische houdingen van ons allen impliceert; voor iedere A en Z, en vooral voor zij die sleutelposities tussen hen innemen. En wat voor elke politieke of religieuze goeroe een vervelende gedachte zou zijn, is voor iedere andere mens een bevrijding: de gedachte dat we in die intellectuele solidariteit, in het gezamenlijk betekenis geven aan de samenleving, geen enkele andere referentie hebben dan elkaar.

De visie op de maatschappelijke complexiteit en de zorgethiek om daarmee om te gaan, geeft ons ook het ultieme argument om komaf te maken met het voorbijgestreefde maar nog steeds door zowel politiek rechts als links strategisch gehanteerde begrip van ‘gemeenschap’. De mens kan inderdaad niet op zichzelf bestaan. Hij wordt pas mens in het samenleven met anderen. Een kritische blik op onze moderne samenleving maakt echter duidelijk dat hij dat niet wordt als ‘deel’ van een abstract groter geheel (het volk, de natie, de taalgroep, de commune, het gezin…) – want dat zijn vandaag simplistische vereenvoudigingen van de complexe samenleving – maar als een uniek individu dat mee betekenis geeft aan die samenleving waarin hij/zij met die anderen verbonden is ‘in die complexiteit’. Het streven naar een zinvol leven heeft voor elke mens daarom ook een sociaal-politieke dimensie gekregen. De mens wordt pas mens als hij zelf het recht heeft om verantwoordelijk te zijn in de samenleving. Dat recht moet daarbij, als mogelijkheid, voor iedereen gelijkwaardig zijn, ongeacht de manier waarop ieder mens het voor zichzelf in de loop van het leven invult (van eenvoudige buurtwerking over het opzetten van sociale of ecologische projecten tot het suggereren en verdedigen van de grootste ideologische plannen).

En hier is dan de essentie van onze tijdsgeest: enerzijds zijn we vandaag in onze handelingen en keuzes reëel verbonden met elkaar, voelen we de behoefte en hebben we het recht om als burger betrokken te worden bij de organisatie van onze samenleving en zijn we kwetsbaar in de rollen die we elkaar daarbij toebedelen, en anderzijds is onze samenleving georganiseerd als een pseudo-tolerante maatschappij van niet overlappende politieke, sociale en culturele comfortzones. We kunnen hierover van mening verschillen, maar de manier waarop we nu aan politiek doen en onze wetenschap en ons onderwijs organiseren, verhinderen de intellectuele solidariteit eerder dan deze te stimuleren.

Voor het welzijn van A en Z en voor ieder van ons hebben we andere overlegmethoden nodig, en in Democratie als dialoog – een denkoefening hebben we daarvan de theoretische grond en een mogelijke praktische vorm voorgesteld, ook voor wetenschap en onderwijs als ‘ondersteunende’ praktijken van die vorm van deliberatieve democratie. Vandaag is er geen enkel excuus waarom rond bepaalde thema’s (zoals mobiliteit of energie) als ‘aanvulling’ op bestaande lokale, nationale en internationale politiek, geen deliberatieve processen zouden kunnen georganiseerd worden. Voor wie nog twijfelt: een overlegmethode bevrijd van partijpolitiek en georganiseerde manipulatie vanuit de markt, en met een grondige inperking van de souvereine macht van natiestaten, is ook de enige methode die op lange termijn effectief betekenisvolle grenzen aan de werking van onze markteconomie zal kunnen stellen, klimaatverandering en armoede kan aanpakken, en een eerlijker internationaal systeem van sociale zekerheid en belastingen zal kunnen verwezenlijken.

De subversieve kracht van solidariteit

Tijd voor een reality check. Het zou naïef zijn om te denken dat een positief verhaal van zorgethiek en intellectuele solidariteit rechtstreeks zou kunnen leiden tot politieke consensus rond het invoeren van een vermogentaks of een klimaatakkoord met bindende reductiedoelstellingen, laat staan dat het terroristen tot inkeer zou kunnen brengen en algemeen de horrorsituatie in het Midden-Oosten zou kunnen oplossen. Ook om in de drie verhalen van A en Z de verantwoordelijken tussen hen in ‘op één lijn te krijgen’ is er meer nodig dan een argument dat ze ‘verbonden zijn in de complexiteit’. En het klopt natuurlijk ook dat we niet kunnen wachten op een nieuwe wereld waarin nieuwe methoden van democratie, wetenschap en onderwijs intellectuele solidariteit mogelijk zouden maken en stimuleren om pas dan problemen zoals extreme armoede, gedwongen migratie en klimaatverandering aan te pakken.

Echter, de mogelijkheid van intellectuele solidariteit, zoals hierboven beschreven, hangt niet af van hoe de samenleving ‘is’ maar van hoe we haar samen willen zien. Dat lijkt een vreemde redenering, want, gegeven het pluralisme als één van de kenmerken van deze complexe samenleving, lijkt deze voorwaarde die mogelijkheid al op voorhand uit te sluiten. En het lijkt ook een cirkelredenering, want uit de redenering die tot nu toe opgebouwd werd, kan men intellectuele solidariteit net begrijpen als de gezamenlijke bereidheid om de complexe samenleving op een bepaalde manier te zien.

En toch hoeft dat niet zo te zijn, en de uitweg zit in het verschil tussen visies op ‘de zaken zelf’ en visies op de manier waarop we over die zaken overleggen. Pluralisme betekent dat we concreet van mening kunnen verschillen over de aanpak van armoede, migratie of klimaatverandering, of over de aanvaardbaarheid van genetisch gemodifieerde organismen of kernenergie, en dat die meningen evenwaardig zijn en als dusdanig gerespecteerd moeten worden. Maar pluralisme betekent ook dat we concreet van mening kunnen verschillen over de manier waarop we democratie, wetenschap en onderwijs zien en organiseren. Het is echter duidelijk dat we, net om zo’n meningsverschillen te respecteren en zinvol te laten zijn, het eigenlijk eens moeten zijn over de methode die we gebruiken om over die zaken te overleggen. Met andere woorden, ongeacht het onderwerp van overleg (inbegrepen de methode van democratie zelf) kan dat overleg enkel maar vertrouwen wekken en efficiënt zijn als alle betrokkenen het eens zijn over de methode van dat overleg.

De mogelijkheid van die eensgezindheid zit vervat in de visie op deliberatieve democratie. In Weg met de democratie (als onbeschaafd conflict) schreef ik dat overleg, om vertrouwen te wekken, zo georganiseerd moet worden dat het tegelijk confronteert en emancipeert en geen comfortzones meer toelaat. Maar omdat er nooit kan aangetoond worden wat de juiste vorm van dat overleg zou moeten zijn, impliceert vertrouwen ook de mogelijkheid van overleg over de vorm van politiek zelf. Het ideaal van deliberatieve democratie is daarom een vorm van democratie die niet alleen op een vertrouwenwekkende manier over inhoud debatteert, maar die ook een permanent proces van deliberatie over haar eigen methode onderhoudt.

Maar op dit punt van de redenering is de realiteit belangrijker dan de mogelijkheid van een ideaal. In de essayreeks ‘Occupy Reflection Space’ vertrokken we van het argument dat onze huidige methoden van politiek, wetenschap, markt en onderwijs niet meer in staat zijn om de complexiteit van onze maatschappelijke problemen op een vertrouwenwekkende en efficiënte manier aan te pakken. Niet iedereen deelt die mening, maar tegelijk kunnen ook de vele kritische stemmen niet meer genegeerd worden.

Kritiek op de werking van de markt kent ondertussen een lange geschiedenis, en die kritiek wordt de laatste decennia ook consistent vanuit ‘links-politieke hoek’ gedebiteerd. In verband met wetenschappelijk onderzoek wordt hier en daar al opgeroepen om onderzoek ‘transdisciplinair’ te maken, en dit door een complex probleem zoals het klimaatprobleem niet alleen vanuit de natuurwetenschappen, maar ook vanuit de sociale wetenschappen en de filosofie te benaderen, om zo tot een meer ‘holistisch’ begrip van het probleem te komen. En door ook burgers, activisten, politici en ondernemers bij dat beleidsondersteunend onderzoek te betrekken, kan het probleem ook gezamenlijk begrepen worden.

Visies zoals die van Basarab Nicolescu en Helga Nowotny en initiatieven zoals het td-net van de Zwitserse Academie voor Kunst en Wetenschappen inspireren sporadisch de academie en het middenveld, maar het zal vooral bij theorie blijven, zolang er vanuit de politiek en het academische beleid geen stappen ondernomen worden om die nieuwe visie op onderzoek ook systematisch in de praktijk door te voeren. Dat geldt ook voor het onderwijs. Zoals ik eerder al aanhaalde, is onze moderne benadering van onderwijs – nauw gefocust op het klaarstomen van jongeren voor ‘functies’ beschikbaar op de ‘arbeidsmarkt’ en conformistisch in haar tolerantie van de invloed van religie – niet meer aangepast aan deze tijd, en blijft het leerlingen en studenten afleveren met een te smalle blik op zichzelf, de ander en de wereld. Meningen over noodzakelijke hervormingen zoals die van Martha Nussbaum of Patrick Loobuyck blijven zeldzaam en motiveren vooralsnog politici niet tot hervorming in die zin.

In verband met de methode van politiek zelf wordt er vanuit de academie en het middenveld meer en meer nagedacht over (en geëxperimenteerd met) alternatieve vormen van democratie, maar die ideeën en experimenten vinden voorlopig geen weerklank binnen de politieke wereld zelf, en de reden daarvoor is natuurlijk duidelijk. Het algemene probleem met nieuwe vormen van politiek is namelijk dat ze zouden moeten geïntroduceerd worden door politici die graag opereren in de oude vormen van politiek, en die het strategisch spel liever meespelen dan het in vraag te stellen.

De weg naar een rechtvaardige samenleving, in gezonde symbiose met haar natuurlijke leefomgeving, is geen duidelijk en begaanbaar pad, ‘slechts’ bezaaid met wat diplomatieke en praktische hindernissen. Er is vandaag geen weg, of tenminste toch geen gemeenschappelijke. Zonder dialoog over de methode van politiek overleg zelf zullen we blijven steken in een moeras waarin de sterke actoren ongestoord hun eigen privéweg aanleggen. En die privéwegen kennen we: het is de traditionele kortste en niets ontziende weg naar winst, en het zijn de ontwijkende wegen van politiek zelfbehoud van politieke partijen en natiestaten en van de protagonisten van de dogma’s van wetenschap, religie en sociale cohesie. Met andere woorden: overleg over de aanpak van armoede, migratie, klimaatverandering of elk ander complex sociaal probleem zal nooit vertrouwen kunnen wekken en efficiënt kunnen zijn als we niet tegelijk minstens een dwingende dialoog organiseren over de methode van overleg die we daarbij gebruiken.

En het perspectief van zorgethiek voor het moderne samenleven dat ik in het vorige deel voorstelde, mag duidelijk maken dat die dialoog zich niet zomaar kan beperken tot praktisch zaken, integendeel: praktische conclusies in verband met de methode van politiek, en bij uitbreiding van wetenschap en onderwijs als ‘ondersteuning’ van die politiek, zijn het einddoel, maar essentieel is die dialoog een gezamenlijke bezinning over de manier waarop we betekenis kunnen geven aan het samenleven in het algemeen en aan onze complexe sociale problemen daarin in het bijzonder. Die dialoog kan op alle plaatsen gevoerd worden: van de grootste internationale politieke conferentie tot het kleinste klaslokaal. Hij kan de meest diepzinnige vormen aannemen en alle richtingen uitgaan, maar moet telkens weer terugkeren naar het aanspreken van de machtsstructuren die zichzelf via politiek, wetenschap, markt en onderwijs in stand houden en waarvan de rechtvaardiging door velen ‘daarbuiten’ in vraag wordt gesteld. In een interview dat verscheen in Understanding Power geeft Noam Chomsky zijn versie van dit argument:

(…) the basic principle I would like to see communicated to people is the idea that every form of authority and domination and hierarchy, every authoritarian structure, has to prove that it’s justified – it has no prior justification. (…) the burden of proof for any exercise of authority is always on the person exercising it – invariably. And when you look, most of the time these authority structures have no justification: they have no moral justification, they have no justification in the interests of the person lower in the hierarchy, or in the interests of other people, or the environment, or the future, or the society, or anything else – they’re just there in order to preserve certain structures of power and domination, and the people at the top. (Chomsky 2002, 201–2)

De bereidheid om deze dialoog over politiek zelf op gang te brengen, zou moeten komen van iedereen die vandaag sleutelposities tussen elke A en Z op deze wereld bezet, maar het is duidelijk dat de protagonisten van de machtsstructuren in politiek, wetenschap, markt en onderwijs weinig zin zullen hebben om mee te doen, laat staan om initiatief te nemen. Het initiatief zal moeten komen van mensen die, vanuit een zin voor intellectuele solidariteit als ethisch engagement zoals hierboven beschreven, vandaag al toenadering tot elkaar willen zoeken om die dialoog aan te gaan. De avant-garde van hun solidariteit zit hem in hun bereidheid om onze samenleving niet als een cynische conflict- en competitiemaatschappij te zien, maar als een samenleving die vandaag meer dan ooit gekenmerkt wordt door onze verbondenheid in complexiteit, door onze zin voor engagement in reflectie en overleg om daaraan betekenis te geven en door de kwetsbaarheid van onze rollen die we elkaar daarbij toebedelen.

De subversieve kracht van hun solidariteit vindt bijgevolg zijn oorsprong in hun actief collectief verzet tegen alle vormen van macht die, in de woorden van Chomsky, geen morele grond van rechtvaardiging hebben. Welk soort verzet? Geen geweld of profileringsstrategie, maar een dwingende uitnodiging tot dialoog, want solidariteit kan enkel macht ondermijnen, als ze zelf het conflictdenken kan overstijgen. De subversieve kracht van die solidariteit zit hem dus niet in het voorstellen en verdedigen van noodzakelijke alternatieven, maar in het voorstellen en verdedigen van de dialoog over die alternatieven. Want éénieder die vandaag deze dialoog weigert aan te gaan, bekent schuld. Dat geldt niet alleen voor de cynisch-onthechte elite maar ook voor iedere zelfverklaarde activist die vanuit zijn of haar zetel, op café of op internet voor verandering preekt, maar niet bereid is om in dialoog met andere meningen rekening te houden.

De subversieve kracht van die solidariteit kan zich vandaag op drie manieren manifesteren. Op korte termijn kan het door op een slimme manier de inspraakmogelijkheden te gebruiken die een moderne democratie voorziet, desnoods via juridische weg. Maar dat kost tijd en energie, en het tragische van dit soort activisme is dat het telkens opnieuw door de zelfverklaarde macht gesteriliseerd kan worden. De tweede manier is het onderhouden van die kritische maar tegemoetkomende dialoog over de methoden van politiek, wetenschap, markt en onderwijs zelf, in achterkamers, intellectuele en minder intellectuele cafés, redacties, culturele centra, ngo-netwerken of de academie, maar ook thuis, in het gezin, in de familie en onder vrienden. De derde manier volgt daaruit. We kunnen samenwerken aan het recept voor gezamenlijke zingeving in deze complexe samenleving: pluralistisch onderwijs, transdisciplinair en participatief wetenschappelijk onderzoek en deliberatieve democratie, want die maken samen intellectuele solidariteit als ethisch engagement en zodoende een vertrouwenwekkende en efficiënte aanpak van onze complexe sociale problemen mogelijk. En de mogelijkheid van pluralistisch onderwijs, transdisciplinair en participatief wetenschappelijk onderzoek en deliberatieve democratie, komt op zich voort uit een gezamenlijke zin voor die intellectuele solidariteit. Dit is natuurlijk een vicieuze cirkel, maar dan wel een vicieuze cirkel waar we in moeten geraken in plaats van eruit.

En er is één planmatige manier om erin te geraken. We moeten subversief-solidair samenspannen om dé basismethode voor gezamenlijke zingeving in onze samenleving te hervormen: het onderwijs. De reden is simpel: de mogelijkheid van hervorming start bij het inspireren van mensen die op termijn die hervorming mogelijk kunnen maken. En omdat ze dat samen zullen moeten doen, elk vanuit hun positie waarin hun levenspad hen zal brengen, moeten we hen nu in de dialoog betrekken op het moment dat ze nog ‘samen zijn’: op school en aan de universiteit. We moeten onze kinderen en jongeren bevrijden van de dogma’s van al die zelfgenoegzame, angstige en conformistische volwassenen en hen betrekken bij de dialoog over hoe de wereld werkt en in elkaar zit. We moeten onze kinderen het recht geven om zelf verantwoordelijk te worden in de samenleving, en dat betekent dat we hen in eerste instantie het recht moeten geven om zich te ontwikkelen als (zelf-)kritische, empathische en tolerante wereldburgers. Dat recht wordt hen momenteel in de extreemste zin ontnomen in de vele dystopias van deze wereld, maar in een gepolijste vorm ook nog steeds in de meer beschaafde regio’s van de samenleving. Dit wordt een onderwerp van één van de volgende teksten.

Het sluitstuk van de essayreeks Occupy Reflection Space is hiermee geschreven. Even terug naar het begin: “Klimaatverandering, milieuvervuiling, extreme armoede, economische crisis, uitbuiting van arbeiders in sweatshops, overproductie en verspilling van voedsel en goederen, onderdrukking van minderheden en religieuze, etnische en andere sociale conflicten: de wereld en de mens is er slecht aan toe” schreven we als inleiding van de reeks.

En ook: “Bij de burgers die het geluk hebben in een democratie te leven is het wantrouwen tegenover het politieke systeem en de politieke partijen groter dan ooit. Politici lijken meer bezig met elkaar en met hun bevriende consultants en privéondernemers dan met de mens en het milieu. Op wereldvlak lijkt de patstelling totaal. Nationale overheden sluiten diplomatische halfslachtige of lege akkoorden af rond wereldproblemen, zoals klimaatverandering of armoede, en raken tegelijk meer en meer verwikkeld in onfrisse relaties met de grote spelers van de markt. Het wantrouwen van de burger, waar ook ter wereld, slaat om in frustratie en boosheid. Mensen stellen zich vragen bij de zin van verkiezingen en organiseren zich dan maar zelf. Ze engageren zich in protestacties, maar steken ook vrijwillig en solidair de handen uit de mouwen in lokale burgerprojecten: geefpleinen, voedselbedeling en collectieve ecologische moestuinen, maar ook in kritisch activisme dat op basis van studie politici confronteert met het problematische van hun beleid rond bijvoorbeeld mobiliteit. Maar vrijwilligerswerk is zwaar, en protesten lopen vaak vast of doven uit. En dan rijst de vraag: wat rest ons nog?”

Die vraag is nu beantwoord. Wat rest ons nog? Alles. Alles wat ons mens maakt, maar wat in onze moderne maatschappij vandaag strategisch genegeerd, gekanaliseerd of beknot wordt: onze unieke persoonlijkheid, onze intelligentie, onze emoties, ons verbeeldingsvermogen en onze creativiteit. We kunnen en moeten ze blijven gebruiken om kritiek te formuleren en om samen zelf praktische lokale initiatieven op te zetten. Maar we moeten niet bang zijn om ze ook te gebruiken in grote ideologische reflecties rond politiek, markt, wetenschap, religie en onderwijs, en om anderen daarin uit te nodigen. Onze kracht is niet alleen de kracht van de daad maar ook die van het woord, van het argument, de suggestie, de vraag en het antwoord. Van A tot Z, wie we ook zijn en wat we ook doen, en of we onze eigen inbreng nu groots of bescheiden zien, feit is dat we allemaal kunnen samenwerken aan dat recept voor gezamenlijke zingeving in deze complexe samenleving. De subversieve kracht van onze intellectuele solidariteit kan niet meer genegeerd worden, want we zijn geen domme burgers of naïeve consumenten meer, integendeel: we hebben meningen die tellen. We zijn allemaal filosofisch activist.

Referentie: Chomsky, Noam. 2002. Understanding Power: The Indispensible Chomsky. Edited by John Schoeffel and R. Mitchell. 9th edition. The New Press.

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Auteur: Gaston Meskens

Gaston Meskens is kernfysicus, filosofisch activist en kunstenaar. Als onderzoeker in de moraalfilosofie bij de Universiteit Gent werkt hij rond het begrip van duurzame ontwikkeling vanuit het perspectief van mensenrechten. Hij is ook medeoprichter van de Science and Technology Studies onderzoeksgroep van het Studiecentrum voor Kernenergie. Die groep bestudeert risico-inherente technologie vanuit het perspectief van sociale rechtvaardigheid en duurzame ontwikkeling. Hij is ook lid van de stuurgroep die op de VN-klimaatconferenties de globale wetenschappelijke wereld vertegenwoordigt.