Wanbeleid bij justitie en politie: wie speelde de hoofdrol?

1

Gisteren publiceerde Apache de gastbijdrage ‘Is een nieuwe parlementaire commissie tijdverlies?‘  over onderzoek over justitie en politie dat in het verleden gemanipuleerd en weggemoffeld werd. Als vervolg vandaag een overzicht van welke mandatarissen daarbij de hoofdrol speelden.

Walter De Smedt

Walter De Smedt

Alfons Vranckx

Vranckx was van 1965 tot 1966 minister van Binnenlandse Zaken en van 1968 tot 1973 minister van Justitie. Hij richtte op 12 juni 1971 geheel eigenmachtig het Bestuur Criminele Informatie op. Aangezien de leden van deze dienst geen politionele of gerechtelijke bevoegdheden hadden, vielen zij volkomen buiten het gezag en het toezicht van de gerechtelijke overheden. Deze ambtenaren van het departement Justitie deden wel geheime undercoveroperaties en pasten – nog voor daar enige regeling voor was – bijzondere onderzoeksmethoden toe die tot doel hadden criminelen op te sporen en informatie te verkrijgen over de door hen gepleegde feiten.

In 1973 richtte de Rijkswacht, ook eigenmachtig, een dubbelganger van het BIC op, het Nationaal Bureau voor Drugs. Verschil met de leden van het BIC was dat de leden van het NBD als Rijkswachters wel politieambtenaren met gerechtelijke bevoegdheid waren. Beiden diensten werden gesteund en opgeleid door de leden van de Drug Enforcement Administration die vanuit de Amerikaanse ambassade en onder diplomatieke onschendbaarheid opereerden.

De eigenmachtige oprichting en de ontoetsbare werking van deze diensten betekende een totale ommekeer in de wijze waarop de opsporing en het gerechtelijk onderzoek werd gevoerd. Daarvoor waren deze opdrachten geheel aan de gerechtelijke overheden, de procureur des Konings en de onderzoeksrechter toegewezen en waren politieambtenaren wettelijk verplicht alles aan die overheden te melden en hun opdrachten uit te voeren.

Het BIC ontsnapte gezien het buiten de gerechtelijke organisatie en actie stond geheel aan de gerechtelijke leiding en toezicht. Het NBD onttrok er zich feitelijk aan.

Johan Vande Lanotte

Vande Lanotte begon aan een politieke carrière als kabinetschef van minister van Binnenlandse Zaken Louis Tobback (1988-1991). Hij was o.m. minister van Binnenlandse Zaken en Ambtenarenzaken (1994-1998) en Vicepremier (1995-1998).

Het gerechtelijk onderzoek in de zaak François toonde alle disfuncties die in dergelijke diensten mogelijk zijn: op 14 april 1982 werden meerdere leden van het BIC en het NBD veroordeeld omdat zij zelf drughandelaars waren geworden. Door het Pinksterplan van 5 juni 1990 werd de Rijkswacht gedemilitariseerd en kwam het korps vanaf dan onder toezicht van de minister van Binnenlandse Zaken (mede toezicht van de minister van Justitie).

Onder het versterkt gezag van Vande Lanotte kon de Rijkswacht echter geheel zijn eigen weg gaan en werd de werkwijze zoals die in het BIC en het NBD werd gevolgd verder uitgebouwd en versterkt. De generaal De Ridder, die in 1980 verbindingsofficier bij Binnenlandse Zaken was, werd korpsoverste.

Er ontstond een wazige wisselwerking tussen de Rijkswachtstaf en het voogdij ministerie waardoor de wet op het politieambt tot stand kon komen. Deze wet, die geheel in tegenstrijd was met de door de wet Franchimont aan de gerechtelijke overheden toegewezen bevoegdheden, gaf de operationele leiding over de door minister Vranckx bedachte afgezonderde politieoperatie aan de politieleiding. Voor de verwerving en de verwerking van de uit die operatie verkregen informatie werden in de Rijkswachtbrigades afzonderlijke en rechtstreeks met het Centraal Bureau voor Opsporingen werkende geheime informatiediensten opgericht.

Het is ondenkbaar dat de door de Rijkswacht gevolgde politiek niet door de voogdijminister zou zijn goedgekeurd. En die politiek bleek overduidelijk uit een toespraak die de generaal-korpsoverste op een op 7 en 8 oktober 1994 op het Hof van Cassatie gehouden studiedag hield: ”De leiding van de opsporing ligt bij de procureur des Konings. Die bevoegdheid moet worden opgevat als een kwaliteitsbewaking van de opsporingen, uitgedrukt in termen van betrouwbare bewijsvoering en zorgvuldige toepassing van de desbetreffende procedurevoorschriften, eerder dan als een eigenlijke leiding. De procureur des Konings is niet bij machte om de leiding van de opsporing als dusdanig op zich te nemen, hij is daar niet geschikt voor. Hij kan, benevens op de wettelijkheid, alleen maar toezicht uitoefenen op de volledigheid en de degelijkheid van de opsporingen. (…) Welke richting men hier ook uitgaat, het principe volgens hetwelk de onderzoeksrechter het onderzoek leidt en controleert, heeft in de praktijk niet alleen onvoldoende uitwerking, maar vernauwt ook het onderzoekspotentieel van een politiedienst in die mate dat de onderzoeksrechter slechts met bepaalde onderzoekers wenst te werken. (…) Als zou blijken dat er na de geschetste ingrepen die allen te realiseren zijn binnen de vigerende wetgeving, er toch geen beterschap komt inzake de opsporing en vervolging, dan zal naar meer radicale ingrepen moeten worden uitgezien.”

Ontegensprekelijk lag de politieke verantwoordelijkheid voor de door de Rijkswacht-generaal verduidelijkte politiek bij de voogdijminister van Binnenlandse zaken. Dat gold ook voor de door de generaal geuite bedreigingen met ”meer radicale ingrepen”, die nadien door de Rijkswacht ook werden uitgevoerd. Johan Vande Lanotte moest in 1998, toen Marc Dutroux op wandel ging, ontslag geven als minister van Binnenlandse Zaken. Daar waren in de Dutroux-affaire ook andere, meer gegronde redenen, voor. Het door het Vast Comité P gevoerde onderzoek, op het al of niet door de geheime Rijkswachtoperaties achtergehouden verkregen informatie, werd door de ondervoorzitter van het comité, Georges Pyl, gevoerd. Deze vroegere adjunct-commissaris was tot aan zijn bevordering op het Comité P werkzaam op het kabinet Vande Lanotte waar ook zijn partner, Laura Zsabo directeur Personeel en Organisatie was. Hoe het onderzoeksverslag van het comité tot stand kwam, is altijd een geheim gebleven. Wel werd bewezen dat er ook op zondag vergaderd werd zonder medeweten van een lid en de griffier van het comité. Door Georges Pyl werd in het onderzoeksverslag ook verzwegen dat de verhoorde Rijkswachters hadden bekend de informatie te hebben achtergehouden en werd, hoewel daar geen elementen voor waren, de onderzoeksrechter zware tekortkomingen aangewreven.

Door dit vervalst verslag werd de parlementaire onderzoekscommissie nog voor ze was opgericht op het verkeerde been gezet en verplicht het onderzoek geheel te hernemen. Waar haalde deze lagere politieofficier, die voor zijn mandaat afhankelijk was van de minister, de macht en het lef om dat te doen?

Dat de door de Rijkswachttop gevoerde politiek, waarbij de onderzoeksrechter als een hinderpaal voor de politionele onderzoekscapaciteit werd bekeken, ook de persoonlijke mening van de voogdijminister vertolkte, bleek uit het wetsvoorstel dat Vande Lanotte indiende om de zogenaamde mini-instructie, waarbij de onderzoeksrechter enkel toelating geeft tot het stellen van onderzoeksdaden zonder zelf het verdere onderzoek te doen, uit te breiden. Professor grondwettelijk recht Vande Lanotte vroeg om de tussenkomst van de onderzoeksrechter te beperken tot het geven van een toelating tot huiszoeking zodat het parket het verdere onderzoek zonder de onderzoeksrechter kon doen. Dit voorstel was duidelijk een stap verder in de gevolgde politiek om de onderzoeksrechter te vervangen door een rechter van het onderzoek, een rechter die enkel nog oordeelt over de schending van grondwettelijke rechten zodat de gehele gerechtelijke actie van zowel de opsporing als het onderzoek en de vervolging volledig in handen komt van het onder ministerieel gezag geplaatste openbaar ministerie.

Vande Lanotte was ook verantwoordelijk voor de nieuwe politiek van internationale politie samenwerking. Hij ontliep de bevoegdheid van de Senaat en voerde een nieuwe werkwijze in waarbij de Rijkswacht rechtstreeks en zonder enig toezicht zelf internationale akkoorden kon afsluiten. Dat leidde tot het op 9 juli 1996 door de directeur-generaal van de Nationale Turkse politie Alaaddin Yüksel en de generaal De Ridder ondertekende samenwerkingsakkoord dat een bevestiging was van de reeds uitgevoerde informatie-uitwisseling die uit de geheime Rijkswachtoperatie Rebel was verkregen. Feit is dat Justitieminister De Clerck het bestaan van het akkoord niet kende en hij zich zelfs wegens de delicaatheid van het dossier had verzet tegen het plaatsen van een Turkse verbindingsofficier op het CBO. Dit verklaart dat over dit dossier niet werd gerapporteerd en de erg verregaande miskenning van grondwettelijke en reglementaire voorzieningen door de Rijkswacht-generaal zonder gevolg bleven.

Laurette Onkelinx

Laurette Onkelinx was van 12 juni 2003 tot 21 december 2007 minister van Justitie. Als voogdijminister van het onder versterkt ministerieel gezag geplaatste Federaal Parket was zij verantwoordelijk voor de door dit verzelfstandigd parket gevolgde werkwijze. Daarbij viel vooral de beëindiging van het onderscheid tussen de bestuurlijke en de gerechtelijke bevoegdheden op. Voorheen was er een duidelijke scheidingslijn tussen de bestuurlijke opdrachten van de inlichtingendiensten die tot opdracht hadden het politiek beleid in te lichten over mogelijke bedreigingen en de opdrachten van de gerechtelijke overheden die tot doel hadden tot bestraffing van gepleegde misdrijven te komen.

In het antwoord van de vice-eerste minister en minister van Justitie van 26 mei 2004, op de vraag nr. 214 van de heer Geert Bourgeois van 23 maart 2004, gaf Onkelinx verduidelijking over de nieuwe opdrachten van het Federaal parket: “Krachtens artikel 144ter, § 1, 2o, van het Gerechtelijk Wetboek, kan de federale procureur momenteel de strafvordering uitoefenen voor de misdrijven gepleegd met gebruik van geweld tegen personen of materiële belangen om ideologische of politieke redenen. Hoe dat in de werkelijkheid gebeurde, bleek uit een proces-verbaal over de door de kabinetsdirecteur Vandernacht en de Federale procureur Delmulle voorgezeten werkvergadering omtrent de opsporing en de vervolging van Kimyongur, een Belg van Turkse afkomst waartegen een Turks internationaal aanhoudingsbevel bestond wegens vermeende deelname aan terrorisme. Aangezien de man door de gerechtelijke overheden in vrijheid was gesteld en hij de Belgische nationaliteit had, kon daarop niet worden ingegaan. Daarom werd besloten samen te werken met de Nederlandse diensten zodat de man waarvan geweten was dat hij naar Nederland zou gaan, daar zou kunnen worden opgepakt, wat door een wegcontrole ook gebeurde.

De bestuurder van de wagen werd niet verontrust. Kimyongur wordt wél gescreend en daarbij werd het Turkse aanhoudingsbevel opgemerkt én uitgevoerd. Maar de Nederlandse rechter liet zich niet vangen. Kimyongur werd in vrijheid gesteld omdat de in het aanhoudingsbevel vermelde feiten in Nederland niet strafbaar zijn. Het proces-verbaal van de vergadering op het crisiscentrum eindigde met de vermelding dat meerdere politie-officieren de tussenkomst van de Kamervoorzitter vroegen omdat zij niet akkoord konden gaan met de gevolgde werkwijze.

Kimyongur werd daarop door het Antwerpse Hof van Beroep vrijgesproken met een motivering die erg afwijkend was van de door het kabinet Onkelinx en Federaal procureur Delmulle gevolgde zienswijze: “Verzet tegen de Staat zou nooit toegelaten zijn, zelfs als het gaat om een staat die op grove wijze de mensenrechten miskent… Er zijn uiteraard meer dan genoeg gevallen bekend waarin dergelijk verzet op algemene bijval onthaald wordt en niet alleen wordt goedgekeurd, maar zelfs wordt toegejuicht en bewonderd… Verzet kan legitiem zijn en elk verzet is dus niet gelijk aan terrorisme.”

Ook deze door een socialistische Justitieminster gevolgde werkwijze vormde een belangrijke breuk met de voorheen gevolgde scheiding der machten waarbij de minister zich onthield tot actieve tussenkomst in lopende vervolgingen en onderzoeken, er geen vermenging gemaakt werd van de afgescheiden opdrachten en bevoegdheden van de gerechtelijke diensten en de bestuurlijke inlichtingendiensten, een Belg niet werd uitgeleverd – zeker niet aan een Staat die een andere opvatting heeft over terrorisme – en de beoordeling van misdrijven wegens politieke redenen de bevoegdheid van het Assisenhof uitmaken.

Als Justitieminister en dus verantwoordelijk voor de uitoefening van de religies nam Onkelinx ook een eigen houding aan ten overstaan van de Moslim Executieve. In 1999 weerde Justitieminister Verwilghen acht leden uit de executieve omdat zij niet van integratie wilden weten. Ondanks negatieve adviezen van zowel de Staatsveiligheid als het Comité I benoemde minister van Justitie Laurette Onkelinx de acht die door Verwilghen werden geweerd.

De experts van het Vast Comité I die een grondig onderzoek deden over de bedreiging door extremistische en terroristische islamitische activiteiten, kwamen in hun verslag van 2001 tot een duidelijk besluit. Het comité stelde vast dat het beleid en de diensten voorrang gaven aan de terrorismebestrijding op gerechtelijk vlak, dat er onderzoek werd gevoerd naar bedreigende islamistische stromingen die hun politiek-religieuze kijk op de samenleving proberen op te dringen binnen sommige migrantengemeenschappen in ons land en in de organen van de institutionele islam in België, welke manoeuvres een reële, ernstige en precieze bedreiging voor het voortbestaan van de democratische en grondwettelijke orde in ons land vormen, maar er geen diepgaande analyse werd verricht en de communicatie met de politieke overheden niet voldoende was, zomin als er voldoende personeelsmiddelen waren.”

Ondanks het comité aangaf welke manoeuvres een reële, ernstige en precieze bedreiging vormden, deed het politiek beleid er weinig of niets mee. Daardoor konden bedreigende islamistische stromingen zoals in Molenbeek, of het wahabisme in de institutionele islam zoals in de grote Moskee van Brussel, hun gang gaan.

Het verschil in standpunt tussen de socialistische en de liberale regeringspartners kwam ook tot uiting in het probleem van het migrantenstemrecht. Toenmalig Vlaams minister-president Patrick Dewael verklaarde in 2000 in zijn 11 juli-toespraak “Sommigen […] beschouwen stemrecht als het wondermiddel tegen onverdraagzaamheid en discriminatie. Zij dwalen. Anderen schilderen stemrecht voor migranten af als een regelrecht doemscenario dat het voortbestaan van onze gemeenschap bedreigt. Zij dwalen eveneens. Het komt er nu eerst op aan om een volwaardig integratiebeleid te voeren. Dat zal de vaak emotionele polarisatie rond dit thema doen wegebben en ruimte creëren voor een rationeel debat.”

Enkele maanden later verklaarde toenmalig partijvoorzitter Karel De Gucht: “Principieel is de VLD niet gekant tegen migrantenstemrecht. Maar mensen die betrokken zijn bij een plaatselijke gemeenschap hebben rechten én plichten. Daarom hechten wij zoveel belang aan inburgering. Wij willen dat alle elementen in het debat worden opgenomen.”

De oproep tot een rationeel debat werd zoals Patrick Dewael erop wees, door wijlen Steve Stevaert als een ‘foularke’ afgedaan. Karel De Gucht werd door de premier als partijvoorzitter afgezet.

Hoe de toenmalige socialistische regeringspartner erin slaagde zijn zienswijze over justitie en politie aan de liberale op te dringen, maakte eveneens een wijziging uit in de tot dan gevolgde werkwijze. Deze materie was voorheen de verantwoordelijkheid van de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken die voor het Parlement aanspreekbaar waren. Om daaraan te ontsnappen werd in de Wetstraat 16 de functie van Nationaal Veiligheidsadviseur gecreëerd. Die opdracht werd ingevuld door de Genste professor Brice De Ruyver. Als academicus verkreeg hij zowat alle nationale en vele Europese onderzoeksopdrachten. Als voorzitter van het College van Inlichtingen en Veiligheid leidde hij ook het feitelijk veiligheidsbeleid. Als expert kwam hij tussen bij menig probleem in lokale politiediensten. Als notoir socialist stelde hij daardoor de liberale vakministers onder voogdij: elk liberaal initiatief dat niet de goedkeuring van de socialistische partner verkreeg, werd afgevoerd. In zijn onlangs in de media gebrachte uitspraak heeft Marc Verwilghen tweemaal gelijk: “Elio Di Rupo en Laurette Onkelinx (beide PS) hebben rond de eeuwwisseling een doeltreffend beleid tegen terreur tegengehouden.” Verwilghen werd naar eigen zeggen ook niet gesteund door premier Guy Verhofstadt (Open VLD). “Hij vroeg me het los te laten, omdat hij de PS toch niet kon overtuigen. Di Rupo kon de regering met een vingerknip laten vallen”, besluit Verwilghen. (Belga/AVE)

Philippe Moureaux

Philippe Moureaux was minister van Binnenlandse zaken in 1980 en minister van Justitie in 1980-1981. Als Justitieminister was hij betrokken in het dossier De Bonvoisin, een zaak die vele jaren aansleepte en telkens de media haalde, waarbij verdachtmakingen geuit werden als zou de zwarte baron in de periode van C.C.C. aanslagen en de Bendeovervallen van extreem-rechts hebben gefinancierd. Maar ook een duidelijk voorbeeld hoe in ons land een inlichtingendienst, of een innerlijk afscheiden deel ervan, onder het gezag van een justitieminister kan optreden als politieke politie.

Als burgemeester van Molenbeek nam Moureaux dezelfde houding aan ten overstaan van het gemeentelijk politiekorps waarvan hij het hoofd was. Maar het gebeurde nu in de omgekeerde richting. Omdat de migranten in zijn gemeente tot zijn kiezers behoorden, liet hij deze de vrije teugel. Tot welke wantoestanden dat heeft geleid, werd aangegeven in meerdere verslagen van het Vast Comité P over de werking van verschillende Brusselse politiezones. Ook de verhuis van Onkelinx naar Schaarbeek, waar zij gemeenteraadslid werd, moet gezien worden in de poging van de PS om het verlies van kiezers langs die weg goed te maken.

Wat en hoe

In het door de socialistische regeringspartners gevolgde veiligheidsbeleid moeten twee elementen worden opgemerkt: de van de zowel christendemocratische als liberale regeringspartners erg afwijkende eigen opvatting over justitie en politie, en de wijze waarop gehandeld werd om deze aan de verschillende regeringspartners op te dringen en zelfs af te dwingen.

Omdat het verschil in mening in een parlementaire democratie een vast gegeven is, moet vooral de gevolgde werkwijze worden bekritiseerd. Eigenmachtige beslissingen die veelal in tegenstelling stonden met de vaststellingen van gerechtelijke en parlementaire onderzoeken, brachten ernstige wijzigingen in het justitie- en politielandschap, maakten een einde aan de eenvormige en duidelijke invulling van de begrippen gezag, leiding en toezicht op de gerechtelijke actie om plaats te maken voor bijzonder diensten en nadien voornamelijk door de Rijkswacht gevoerde geheime operaties waarvan de verkregen informatie werd achtergehouden. Door deze radicale maatregelen werd het politieprobleem een politieoorlog, werd de informatieverwerving, -verwerking en rapportering en de daaruit te verkrijgen coördinatie ernstig tegengewerkt en verloor de gerechtelijke actie zijn eenheid en doelmatigheid.

De laatste onder de regering Verhofstadt genomen “radicale maatregel” vormde het sluitstuk van deze bijzondere werkwijze: door de informele regel “For Your Eyes Only” werd belet dat de leden van de parlementaire begeleidingscommissies gebruik zouden maken van de door de Vaste Comités veelvuldig gerapporteerde disfuncties in deze materie. Nadat de gerechtelijke overheden meerdere opdrachten en bevoegdheden waren ontnomen, werd daardoor ook de wetgever buitenspel gezet. Dat maakt dat de eerste opdracht van de nieuwe parlementaire onderzoekscommissie erin bestaat de ontnomen onderzoeksbevoegdheid en de Freedom of Speech te herwinnen. Uiteraard is het te verwachten dat de socialistische fracties daarin niet erg meegaand zullen zijn.

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Auteur: Walter De Smedt

Is gewezen raadslid van Comité I en Comité P