Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Is de overheid een blok aan het been van de burger?

15 maart 2016 Koen Smets
occasiewagen

Peersman reageerde hiermee op de redenering (door DS-redacteur Jan-Frederik Abbeloos aangekaart): "Een job in de privé creëert toegevoegde waarde, een ambtenaar slurpt daar een deel van op." Prompt ontstond op Twitter een discussie waarin de standpunten varieerden tussen het pragmatische en het dogmatische, maar waarin vooral de stelling van Peersman, dat het label van een job er niet toe doet, gefileerd werd.

Onder de argumenten contra zat onder meer de stelling dat “de publieke sector de private productiviteit kan versterken, maar wordt gefinancierd door belastingen uit de private sector”, en dat “belastingen welvaart vernietigen.”

Nu ligt het natuurlijk in de aard van Twitter, met zijn 140 tekens, dat er behoorlijk kort door de bocht wordt gegaan, en gemakkelijk in slogans wordt geschreven, maar dit is een belangrijk thema dat toch wat analyse kan verdragen. Laten we twee sleutelfacetten wat nader onder de loep nemen: het scheppen van welvaart, en het destructieve karakter van belastingen.

Toegevoegde waarde

Een sleutelbegrip in het scheppen van welvaart is de zogenaamde toegevoegde waarde. In elke economische transactie – of dat nu gaat om het brood dat je bij de bakker koopt, of de arbeid die je levert voor je werkgever – kijkt elke partij naar het verschil tussen kosten en baten. De bakker wil meer geld voor zijn brood dan de ingrediënten, energie en arbeid voor productie kosten, en jijzelf wil voldoende brood voor je geld. De werkgever wil jou niet meer betalen dan je opbrengt aan productie, en jij wil uiteraard voldoende betaald worden voor de tijd, de moeite en de verantwoordelijkheid die je draagt of het risico dat je loopt in je job. In een succesvolle transactie is dat resultaat voor beide partijen positief (het surplus) en de som ervan is de toegevoegde waarde.

brood
Toegevoegde waarde in brood (Flickr CC Rebecca Siegel)

De toegevoegde waarde van alle transacties in een economie noemt men het bruto binnenlands product (bbp), en is een maat voor de welvaart die wordt geschapen. Elke transactie met een surplus draagt daartoe bij. Is er wat dit betreft een verschil tussen een transactie tussen partijen in de privésector (burgers en firma’s of bedrijven onderling), en een transactie waarin de overheid een partij is?

Dat is een cruciale vraag. Bij transacties van de eerste soort kan elke partij zelf evalueren of ze zinvol is, en zo niet kan ze bij een alternatieve partij, de concurrentie dus, terecht. Als je niet tevreden bent met het brood van bakker Peeters dan kun je wellicht bij bakker De Wever terecht: het is jouw geld, en jij besteedt het zodanig dat je er het grootste nut uithaalt.

Bij transacties van de tweede soort bestaat er vaak een scheiding tussen wie betaalt, en wie van de baten geniet. We betalen immers allemaal in de grote belastingpot en hebben daarin maar weinig vrijheid. De overheid besteedt dat belastinggeld dan naar eigen goeddunken, en ook daarin hebben we veel minder vrijheid dan wanneer we ons eigen geld aan brood voor onszelf besteden. Terwijl het redelijk is aan te nemen dat een transactie tussen een klant en de bakker waarde toevoegt, is dat niet noodzakelijk zo bij een transactie waarbij de overheid betrokken is. Een incompetente bakker die slecht brood bakt, en dus geen waarde toevoegt, verdwijnt al gauw uit de markt: de klanten blijven namelijk weg. Maar er bestaat niet zo’n eenvoudige manier om een incompetente overheidsambtenaar af te voeren. Iemand in overheidsdienst, waarvan de toegevoegde waarde lager ligt dan wat hij of zij kost aan lonen en andere factoren, kan dus wel degelijk de welvaart verminderen.

Onnodige banen

Dat herinnert aan het goedkope, populaire stereotype dat alle ambtenaren incompetente luiwammesen zijn, maar dat lijkt toch onwaarschijnlijk. Er is er geen inherente reden waarom een job in de overheidssector per definitie welvaartsverminderend zou zijn. Wat wel zou kunnen, is dat competente mensen onnodige jobs doen bij de overheid, met andere woorden dat overheidsbanen structureel welvaartsvernietigend zijn.

Prima kandidaten hiervoor zijn gesubsidieerde banen, die per definitie meer kosten dan de marktwaarde – zoals die van hoogleraren Economie als Gert Peersman en Lode Vereeck bijvoorbeeld. Maar zelfs als we aannemen dat de werkelijke marktwaarde van een hoogleraar met 9 jaren anciënniteit lager ligt dan 7.928,04 euro per maand, dan moeten we toch nog rekening houden met de positieve externaliteit die gepaard gaat met het leveren van onderwijs. Een privé-partij die een academicus inhuurt is enkel geïnteresseerd in het directe nut dat de magister oplevert. Maar openbaar onderwijs schept niet alleen baten voor de studenten, maar voor de hele maatschappij, en dat moet ook verrekend worden. De idee dat professoren Peersman en Vereeck welvaartsvernietigers zijn, lijkt me in elk geval wat extreem. Zij voegen vast waarde toe aan de Belgische samenleving die hun overheidssalaris overstijgt.

Het is ook instructief te kijken naar wie het label ‘privé’ of ‘overheid’ draagt. Er bestaan immers nogal wat diensten die zowel door de overheid als door de privé-sector kunnen worden geleverd. Verschilt de toegevoegde waarde van de receptioniste die op de loonlijst staat van het Departement van Administratieve Zaken van die van de receptioniste op het hoofdkantoor van Citibank, of van haar collega wiens job werd uitbesteed naar Group 4? Levert een treinbestuurder bij de NMBS, als ambtenaar, meer of minder toegevoegde waarde op dan zijn collega in het VK bij de privé-firma Chiltern Railways? En als er al een verschil bestaat, is dat inherent aan dat etiket?

Dat lijkt lang niet bewezen. En de conclusie van Peersman, dat wat telt bij een job is dat hij voldoende waarde toevoegt, ongeacht of dat bij de overheid of in de privésector is, blijkt voorlopig dus stand te houden.

Deadweight loss

Maar daarmee zijn we er nog niet. Wie voor de overheid werkt (of dat nu als direct werknemer is, of als onderaannemer of dienstenverstrekker) wordt met belastinggeld gefinancierd. En als het inderdaad zo is dat belastingen in se welvaartsvernietigend werken, dan is het nog altijd zo dat België (of Vlaanderen) slechter af is telkens wanneer een nieuwe overheidsbaan wordt geschapen.

Belastingen worden klassiek beschouwd als een deadweight loss – een dood gewicht op de economie dat tot welvaartsverlies leidt. Dat komt omdat het belasten van een activiteit de kost ervan doet toenemen. Inkomstenbelasting op het salaris van een werknemer doet de loonkost voor een werkgever toenemen, en dus daalt de vraag naar arbeid; ze betekent ook dat de werknemer minder overhoudt in het virtuele loonzakje, en dus daalt het aanbod van arbeid. Er wordt dus minder welvaart geschapen ten gevolge van de geheven belasting. Hetzelfde geldt ook voor aankoopbelastingen: mochten er geen btw en accijnzen worden gevorderd op benzine, dan werd er wellicht een stuk meer gereden.

tanken
Een tank vol belastingen (Flickr CC Mike Mozart)

In hoeverre dat welvaartsverlies speelt, hangt af van twee zaken. Een eerste is de elasticiteit van het goed of de dienst in kwestie: als vraag en aanbod sterk variëren met de marktprijs dan is het effect een stuk groter dan wanneer de prijs weinig invloed uitoefent. Een slimme overheid zal dus vooral daar belastingen heffen waar het deadweight loss, het negatieve effect op de economie, zo laag mogelijk is (en zal natuurlijk ook het niveau van de belasting zo laag mogelijk houden). Een tweede is het bestaan van negatieve externaliteiten. Autorijden veroorzaakt vervuiling, die ook treft wie niet rijdt, en dat werkt welvaartsverlagend. Een belasting op autorijden internaliseert die externaliteit, en laat toe wie nadeel ondervindt van het verkeer te compenseren.

Er is echter nog een ander facet dat wel eens over het hoofd wordt gezien wanneer men het over welvaartsverlies door belastingen heeft. Het onderliggende principe van het deadweight loss is dat schaarse middelen verkeerd worden aangewend. Met andere woorden: als je de markt vrij zou laten bepalen hoe vragers hun eigen middelen zouden besteden, en hoe leveranciers hun aanbod daarop afstemmen, dan kom je tot een betere besteding van de middelen, dan wanneer de overheid dat in hun plaats doet.

Daar valt veel voor te zeggen. Vroeger werd weleens gespot met de Soviet planeconomie, waarin volgens de legende een apparatsjik dicteerde hoeveel schoenen van welke kleur en welke maat moesten worden geproduceerd in welk kwartaal. Een vrije markt, met een prijsmechanisme dat de vraag vertaalt, is natuurlijk een veel betere manier om de productiemiddelen efficiënt te gebruiken.

Marktfalen

Maar soms faalt de markt: soms leidt het door individueel eigenbelang gestuurde gedrag van burgers en bedrijven niet tot het meest efficiënte gebruik van de middelen. Ook hier weer is het best mogelijk dat de overheid evenzeer als de markt zou falen – maar dat is niet noodzakelijk het geval. Marktfalen komt onder meer voor bij zogenaamde publieke goederen of diensten. Dit zijn goederen en diensten die voor iedereen (zonder specifieke betaling) beschikbaar zijn, en waarvan de consumptie door de ene niet leidt tot schaarste voor de andere. Andreas Tirez zet in een blogpost het klassieke voorbeeld van de vuurtoren als publiek goed uiteen.

lighthouse
Het klassieke publieke goed (Flickr CC Shawn Clover)

Dat voorbeeld is overigens extra interessant. Ondanks de technische kritiek van Nobelprijswinnaar Economie Ronald Coase dat een vuurtoren niet echt een publiek goed is (men kon de schippers die ervan profiteerden havenlasten aanrekenen), kwamen immers ook de Britse vuurtorens die oorspronkelijk privé werden uitgebaat uiteindelijk toch in handen van de overheid omdat dat efficiënter was. Je zou je een gelijkaardige situatie kunnen voorstellen met privé-tolwegen, maar ook hier is het in het algemeen economisch efficiënter als de overheid verantwoordelijk is voor de infrastructuur en de aanleg en het onderhoud via belastingen financiert – zelfs al gaat het niet strictu sensu om een marktfalen.

Er bestaan overigens nog andere vormen van marktfalen waarin de overheid een corrigerende rol kan spelen. George Akerlof, ook weer een Nobelprijswinnaar Economie, beschreef in een klassieke paper hoe asymmetrie in informatie (de verkoper weet meer dan de koper) tot een degeneratie van de markt kan leiden. Als regelgever en handhaver kan de overheid het efficiënte functioneren van de markt vrijwaren. En natuurlijk speelt ze ook een belangrijke rol bij het beschermen van het eigendomsrecht. Zelfs de Amerikaanse Libertaire partij vindt dat een legitieme rol van de overheid.

occasiewagen
"Zo goed als nieuw", zei de verkoper (Foto: Flickr CC Kushal Goenka)

Tenslotte doet de overheid ook aan herverdeling: een belangrijk deel van de belastinginkomsten wordt direct (bijvoorbeeld onder vorm van toelagen en uitkeringen voor wie kinderen heeft of werkloos is) of indirect (via gratis verstrekte of gesubsidieerde diensten als onderwijs en bejaardenzorg). Dat is in de eerste plaats een moreel en ethisch verhaal, maar ook hier kun je een economisch perspectief hanteren, en je afvragen wat het effect op de algemene welvaart is. Het nut van de superrijke, op wie je 1 euro extra belasting heft, neemt af, en het nut van de arme, bij wie die euro terechtkomt neemt toe. Utilitaristen voeren aan dat het netto resultaat een toename is van het nut (want die euro is minder waard voor de rijke dan voor de arme). Dat betekent dus dat door herverdeling de welvaart toeneemt.

Dat houdt weliswaar geen rekening met fundamentele morele bezwaren tegen belastingen (het nutsverlies van de rijke is meer dan enkel het verlies van de euro), maar het pareert wel de bewering dat belasting, ook wanneer die herverdeeld wordt, noodzakelijk een deadweight loss is, en tot welvaartsverlies leidt.

De welvaartsverhogende ambtenaar

Het etiket dat op een job kleeft is op zichzelf niet bepalend voor de vraag of hij al dan niet economische waarde toevoegt. En ook wat met belastinggeld betaald wordt kan economische waarde toevoegen.

Blijft Peersmans' stelling dat een overheidsjob net zo goed (of net zo min) waarde kan toevoegen als een job in de privésector overeind? Het cruciale woord in die stelling is: “kan”. Er zijn immers tal van redenen waarom een job economisch inefficiënt en dus welvaartsvernietigend kan zijn. Bij een privé-onderneming is zoiets minder waarschijnlijk omdat de marktwerking dat op termijn afstraft, en bij de overheid kan dat gemakkelijker blijven doorgaan.

Maar dat is geen principiële kritiek. Gert Peersman heeft het dus bij het rechte eind.

LEES OOK