Moet links op zoek naar de vijand?

4

In een recent artikel, gepubliceerd op De Wereld Morgen, maakt de Vlaamse protestbeweging Hart Boven Hard gewag van een terugkeer van het befaamde ‘wij-zij-denken’ in de Belgische politiek. In een gezamenlijke tribune schrijft men:

Anton Jäger

Anton Jäger

“De uitspraken van De Wever versterken het verhaal van ‘zij’ versus ‘wij’. Ze wijzen een bepaalde bevolkingsgroep met de vinger. Ze zaaien verdeeldheid tussen de juiste en de ‘verkeerde soort migranten’. Ze stigmatiseren één bepaalde groep… Samen willen we gaan voor een samenleving waarin iedereen zijn plaats heeft en krijgt vanuit gelijkwaardigheid. Van ‘wij’ tegen ‘zij’ naar ‘onze’ samenleving.”

Het pleidooi dat hier door Hart Boven Hard wordt opgevoerd past binnen een cascade aan opiniestukken die als repliek dienen voor de recente uitspraken van Bart De Wever over het Belgische migratievraagstuk. De algemene tendens van deze kritieken laat zich nog het best samenvatten in een aanklacht tegen de omnipresente ‘wij-zij-cultuur’. De crisis van hedendaagse links lijkt bovendien, volgens deze auteurs, nauw verbonden te zijn met de ergste aller politieke doodzonden; terwijl weldenkend Vlaanderen zich ver van stigmata houdt, gaan de demagogen met alle prijzen lopen. In de afwezigheid van een sociaal-democratisch alternatief ligt het terrein nu open voor de populistische bloedhonden.

Het mag anno 2015 stilaan een platitude heten dat links aan een algemene wedergeboorte toe is. Verscheidene commentatoren spreken van een algemene crisis, en Peter Mertens noemde ‘een linkse herbronning nodig’ (Knack, 17/01). Gretig wordt er dan ook uitgekeken naar internationale evenknieën die een oplossing voor de malaise dienen te bieden. Eén van de meest veelbelovende voorbeelden is zichtbaar in het electorale hoogtij van Syriza en Podemos. Na de verkiezingsoverwinning van deze eerste sprak Kathleen Van Brempt van een “verschuiving op het pan-Europese schaakbord” (Knack, 27/01), en John Crombez noemde de Griekse partij een “signaal van hoop” (De Morgen, 27/01). Geen van deze analyses slaagde er echter in het ware succesingrediënt te identificeren van de Zuiderse kameraden. In zijn op de sp-a-site gepubliceerde tekst beantwoordt Crombez drie vragen die, zijns inziens, het belangrijkste zijn nu Syriza de macht heeft gegrepen in Griekenland. De vraag ‘Hoe heeft Syriza de macht weten te grijpen?’ figureert echter niet in Crombez’ lijstje, en zijn tekst vertelt ons bitter weinig over het electorale falen van zijn eigen partij.

Misschien ligt dit wel aan het feit dat Crombez en zijn Europese evenknieën er een fundamenteel andere kijk op het begrip ‘politiek’ op na houden. Als er iets is dat Syriza en Podemos verbindt, dan is het wel hun onbeschaamd antagonistische wijze van aan politiek doen. Door de Griekse verkiezingscampagne dwaalde het spook van het marxistische klassendenken, en Podemos heeft zowat zijn hele strategie geënt op het idee dat alle gewone Spanjaarden te verenigen vallen in hun afkeer van “la casta” of de ‘kaste’. Beide bewegingen zijn uitgesproken populistisch en zweren bij wat de Duitse rechtsgeleerde Carl Schmitt het ‘ontologische’ postulaat van de politiek heeft genoemd: het onderscheid tussen vrienden en vijanden. Geen wonder dat zij de mosterd halen bij postmarxistische denkers zoals Ernesto Laclau en Chantal Mouffe, die in de academische wereld berucht zijn om hun ‘agonistische’ kijk op het gemeenschapsleven. In een recent gesprek met de leider van het Podemos-campagneteam Inigo Errejon gaf Chantal Mouffe bovendien te kennen dat voor haar Zuid-Europa de weg toont aan andere partijen, en legt de sleutel voor een linkse wederopstanding expliciet bij deze ‘nieuwe populismen’.

Zowel Laclau als Mouffe kenden een kort exposé in de Vlaamse pers. Mouffe zelf kwam haar ideeën toelichten in Brussel Deze Week tijdens haar termijn als lector aan de Brusselse VUB. In datzelfde interview sprak ze van een hernieuwde Vlaamse interesse voor haar gedachtengoed. Men zou verwachten dat het politieke succes van het Laclauiaans-Mouffiaanse denken een welkom antidotum zou vormen voor de ideeënarmoede die hedendaags links aan het bed gekluisterd houdt. Dit is echter verre van het geval: behalve enkele bescheiden pogingen van de PVDA lijkt nagenoeg geen linkse partij zich aan het ‘antagonistische’ spel te wagen. Het merendeel laat het strijdperk dan maar over aan de N-VA, die in afwachting van een volgende calamiteit zich met het gevaarlijke ‘wij-zij-denken’ mag inlaten. Zo hoort het toch?

Deze aanname zou echter de interessantste aller politieke vragen vergeten. Wat als het ‘wij-zij-denken’ niet zomaar een strategische aberratie is, maar net een essentieel element van elk politiek discours? Wat als het scheppen van vijanden nu eenmaal nodig is als men aan politiek doet? Wat als het onderscheid tussen een inclusief ‘wij’ en een buitengesloten ‘zij’ net de eerste aller politieke scheidingslijnen is?

In één van zijn latere gesprekken tekende Ernesto Laclau op dat onze huidige definitie van populisme als synoniem voor ‘demagogie’ theoretisch onhoudbaar is. “Hoe men ook draait of keert” schrijft hij, “politiek zal altijd beginnen met het erkennen van een verschil”. In zijn ogen zou het populisme veel meer zijn dan een gemakkelijke vorm van electoraal schapendrijven. Elke politieke praxis vertoont een bepaalde graad van populisme in zoverre ze een onderscheid maakt tussen vrienden en vijanden, tegenstanders en medestanders. Laclau’s diagnose is zelfs toepasbaar op de meest inclusieve aller politieke denkers: zelfs multiculturalisten als Abou Jahjah maken een onderscheid tussen zij die het multiculturele ‘schild en vriend’ kunnen onderschrijven en zij die weigeren dit te doen. Het succes van het Weveriaanse discours ligt net in deze volkomen zelfbewuste wijze van aan politiek doen: hij weet dat politiek vijanden vereist, en bij afwezigheid van tegenstanders moet hij ze dan maar zelf creëren.

Het wij-zij-denken is een logica die inherent is aan elke vorm van politiek. Het gemakkelijke universalisme dat op heden ter linkerzijde wordt beleden – tezamen met het jargon dat elke vorm van ‘wij-zij-denken’ in de ban slaat – zal nooit ofte nimmer electorale resultaten opleveren. Er is niets in de Laclauiaanse analyse dat erop wijst dat de scheidingslijn van het politieke leven altijd op basis van raciale en etnische criteria moet getrokken worden. Zowel Syriza als Podemos gaan aan de slag met het antagonistische denken zonder te zwichten voor een retoriek van ‘cultuurverschillen’ en ‘beschavingsoorlogen’. Hun dichotomie geldt anders: zij loopt tussen ‘gentes’ en ‘casta’, ‘volk’ en ‘heersers’, ‘peuple’ en ‘élite’. Er was een tijd dat ook Vlaams links onbeschaamd tot klassenoorlogen opriep en geen angst had voor het wij-zij-denken. Wie zegt dat deze oude formules zo versleten zijn, en dat we moeten wachten “tot die oude vormen en gedachten gestorven zijn”?

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst. Zelf een bijdrage insturen, doe je hier.

Auteur: Anton Jäger

Er is geen biografische informatie beschikbaar voor deze auteur.