Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Waarom klimaatopwarming afremmen moeilijk is (en hoe daar toch in te slagen)

5 november 2021 Koen Smets
overstroming
(CC BY-ND 2.0 Sue Thompson (Flickr))

Als je op een avond zou ontdekken dat je huis in brand staat, dan vermoed ik dat je reactie even gezwind zal zijn als doeltreffend: zonder aarzelen zorg je ervoor dat iedereen in je gezin veilig naar buiten is, en waarschuw je de hulpdiensten. Maar wanneer heb je de batterijen van je rookmelders laatst gecontroleerd? (Je hébt trouwens toch rookmelders?)

We zijn een stuk beter in het doen van wat onze onmiddellijke aandacht opeist, dan van wat ver weg is en niet zo dringend – hoe belangrijk het ook is. Dringende situaties die we verwaarlozen worden vaak snel nóg dringender, en we leren algauw de les dat we beter meteen uit onze sloffen schieten. Maar wat enkel belangrijk is, wordt meestal niet zo snel nog belangrijker, of zelfs merkbaar dringender, als we het negeren – en we kunnen dat een hele tijd ongestraft volhouden. Wanneer het dan uiteindelijk toch dringend wordt, is reageren veel moeilijker of duurder – en erger nog, we leren er ons lesje niet van.

opwarming
Mooie grafiek, maar zo erg is het hier toch nog niet? (Met Office)

In de gedragswetenschappen wordt dit fenomeen present bias genoemd (de bias van het heden). Pensioensparen wordt vaak als voorbeeld aangehaald: het is toch veel leuker nú je geld te spenderen dan het te sparen voor (veel) later. In meerdere opzichten is de klimaatverandering – het thema van de COP26-conferentie die momenteel plaatsvindt in Glasgow – vergelijkbaar. We horen dat de zeven warmste jaren sedert 1850 zich voordeden in de laatste tien jaar. Maar voor de meesten onder ons zijn de consequenties ver van ons bed, of ver in de toekomst.

We horen de Britse premier Boris Johnson in zijn openingstoespraak voor de conferentie aanvoeren dat het voor de wereld “één minuut voor twaalf” is. Maar de meesten onder ons voelen die hoogdringendheid nog helemaal niet. En dus is actie ondernemen (en opgeven wat we aangenaam vinden) geen prioriteit.

Klimaatverandering lijkt op pensioensparen, maar de vergelijking gaat toch maar zo ver. Het beleid van bijna 200 landen, de activiteiten van miljoenen bedrijven en het gedrag van miljarden mensen bijsturen, weg van een potentieel bijzonder onprettige toekomst, dat is een uitdaging van een groter kaliber.

Landen zijn geen mensen

Een belangrijk verschil is bijvoorbeeld dat voor het aanpakken van de klimaatverandering collectieve actie nodig is. We kunnen zelf voor ons eigen pensioen sparen zonder iemand anders nodig te hebben, maar geen enkel land kan op zijn eentje de opwarming van het klimaat voor zichzelf afremmen: Liechtenstein niet, en China niet. Dit gaat enkel werken wanneer de landen die de overgrote meerderheid van de wereldbevolking vertegenwoordigen samen actie ondernemen.

Het is als een stadje dat wordt bedreigd door een bosbrand. Als elk huisgezin een persoon afvaardigt voor de vrijwillige brandweer, dan kan het vuur met succes worden bestreden, maar als te veel mensen niet meedoen, dan zullen zij die toch deelnemen hun leven riskeren voor niets. Het risico is dat iedereen afwacht om te zien wat anderen zullen doen, en er niets gebeurt tot het te laat is.

Nu kan in een klein stadje, met echte mensen, sociaal conformisme wel een invloed uitoefenen. Als het uiteindelijk wordt gered van de vlammen, zal iedereen die naliet daaraan mee te werken gemeden en misschien zelfs uitgestoten worden. Dat vooruitzicht kan voldoende zijn om de meeste mensen tot medewerking aan te moedigen. Maar landen zijn geen mensen, en de vrees later te worden uitgestoten, wat betekent dat überhaupt voor een land? Uit de VN gezet worden? So what?

Politieke leiders zijn echter wél mensen, en zij staan voor hetzelfde dilemma dat ook wij ervaren in onze keuzes: het dilemma tussen het heden en de nabije toekomst enerzijds, en de verre toekomst anderzijds. In het bijzonder ligt de horizon van politici vaak niet veel verder dan de volgende verkiezingen. Grote offers introduceren op korte termijn (zelfs als ze – hopelijk – over tientallen jaren vruchten zullen dragen) is niet iets waarmee ze geloven op grote stemmenwinst te kunnen rekenen. Vraag het maar aan de Australische premier Scott Morrison, die van plan is “de steenkoolmijnen zo lang mogelijk open te houden.”

De hefbomen van de regering

Toch zijn het uiteindelijk niet landen die hun gedrag moeten veranderen. Het zijn beleidsmakers, industriële leiders en gewone burgers. En dit is waar overheden indirecte, maar krachtige hefbomen hebben die verandering kunnen teweegbrengen van de nodige grootteorde.

Eén zo’n maatregel is zo drastisch als maar kan: wettelijke verplichtingen. Het VK besloot, tien jaar eerder dan oorspronkelijk gepland, auto’s op fossiele brandstof al vanaf 2030 te verbieden, waarmee het zich aansluit bij Duitsland, Nederland en Ierland (in Noorwegen gebeurt dat al in 2025). Vlaanderen voorziet – weliswaar onder voorwaarden – al vanaf 2029 zo’n verbod.

Dit doet denken aan een gelijkaardige uitdaging in de jaren 90, toen de uitstoot van ozonaantastende gassen (zoals CFK’s, toentertijd alomtegenwoordig in koel- en diepvriestoestellen) moest worden stopgezet om het gat in de ozonlaag te dichten. In Duitsland moesten toen alle nieuwe koeltoestellen op korte termijn CFK-vrij worden gemaakt. De Duitse producenten namen de geworpen handschoen op, en werden wereldleiders in de ontwikkeling van meer efficiënte, ozonvriendelijke koeling.

We zien nu al een gelijkaardige reactie: Ford verbindt zich ertoe in Europa enkel nog elektrische auto’s te verkopen, en alle nieuwe Jaguars worden elektrisch vanaf 2025. Wanneer de industrie een duidelijke, realistische impuls krijgt van de overheid, dan leveren zulke wijs geconstrueerde wettelijke verplichtingen de nodige focus voor grondige gedragsverandering.

In zekere zin weerspiegelt de manier waarop een beslissing een tijd voor de werkelijke invoering wordt aangekondigd een klassieke gedragseconomische ingreep in pensioensparen: Save More Tomorrow, ontwikkeld door Nobelprijswinnaar en nudging-boegbeeld Richard Thaler en Shlomo Benartzi. Het kernidee hier is dat werknemers nu beslissen dat ze een deel van toekomstige salarisverhogingen in hun pensioenfonds zullen storten. Dit maakt het – ook voor politieke leiders – makkelijker de beslissing zelf te nemen, en verlaagt de kans dat ze later wordt teruggeschroefd.

Maar enkel elektrische auto’s (en warmtepompen in plaats van gasboilers enz.) zullen het probleem niet oplossen. Uiteindelijk moet het verbruik van fossiele brandstof van ieder persoon naar beneden. Daarvan is een deel direct onder onze controle (de energie die huishoudens gebruiken), maar er is ook een flink stuk dat zit ingekapseld in de productie- en transportprocessen van de producten die we kopen.

Hoe kunnen wij, gewone mensen, worden aangemoedigd onze koolstofvoetafdruk te verkleinen? Social proof – anderen nabootsen om erbij te horen – zou kunnen helpen, maar er zijn toch vele obstakels, waaronder de present bias, de intention-action gap (de kloof tussen goede voornemens en daden), en natuurlijk de uitdaging van de collectieve actie die we al zagen op het landenniveau.

Hier is een van de oudste conventionele economische instrumenten veelbelovend – en eens te meer is het een beleidskeuze van overheden: een koolstoftaks, die zoals econoom Tim Harford uitlegt, de gigantische uitdaging voor de wereld in talloze kleine, maar haalbare stukjes hakt. Ook wanneer heffingen worden ingevoerd voor de industrie, dan zal dat zich snel weerspiegelen in de prijs voor de consumenten. En als die merken dat ze voor elke kilo koolstof die, vanwege hun keuzes, in de atmosfeer terechtkomt een hogere prijs moeten betalen, dan zullen ze klaar zijn voor goedkopere alternatieven. Dat zal dan weer producenten aanzetten om die te ontwikkelen.

Of het nu gaat om vakantievluchten, een nieuwe smartphone, tomaten uit verwarmde serres, of hoe hoog we de thermostaat zetten in onze woning, onze keuzes zullen voor verandering zorgen. (En mocht men zich zorgen maken dat dit vooral de armsten zal treffen, ik twijfel er niet aan dat slimme economen mechanismen kunnen verzinnen die de last eerlijk verdelen.)

Geen gedragseconomie?

Ook al zijn het niet landen en overheden die hun gedrag moeten veranderen, de politieke leiders van elk land kunnen een beleid vormen en voeren dat cruciale veranderingen teweegbrengt in het gedrag van bedrijven en burgers – en dat zowel aanbod als vraag wijzigt. Maar we zien hier vooral conventionele ingrepen. Kan de gedragseconomie ook niet een bijdrage leveren met een duwtje, of zelfs een flinke por?

Ik schreef ooit een column in een Vlaamse krant waarin ik pleitte voor een 100% erfbelasting, vanwege de economische efficiëntie ervan, en de manier waarop ze gelijkheid van kansen helpt bereiken. Er kwamen meer dan 500 reacties op, waarvan de meeste zeer verontwaardigd waren: hoe durfde ik het aan het recht van mensen weg te nemen hun welstand door te geven aan hun kinderen! Wel, als dat zo belangrijk is, is er misschien een gelegenheid om een gelijkaardige link te leggen met de nakomelingen. Net zoals ouders de erfenispot kunnen spijzen door offers te brengen en te sparen eerder dan te spenderen, zo ook kunnen ze keuzes maken die de temperatuurstijging helpen te beperken, en zo voor de komende generaties van afstammelingen een bestaan in een aangenaam milieu en klimaat verzekeren.

Uiteindelijk zijn alle keuzes die we maken geworteld in emoties. En deze emotionele connectie is misschien wel de sluitsteen die – tenminste voor ouders – net dat extra beetje motivatie levert.

LEES OOK