Het recht om verantwoordelijk te zijn, ook in tijden van crisis

 Leestijd: 11 minuten0

Tijdens de coronacrisis is inspraak in het crisisbeleid ver te zoeken. Toch zijn er wel degelijk mogelijkheden voor inspraak van burgers, zeker op lokaal en stedelijk vlak. Deliberatieve democratie voorbij de vaudeville van de partijpolitiek is ook meer dan ooit nodig. Solidariteit betekent niet alleen samen de regels volgen, maar ook samen de regels maken.

Begin augustus 2020, en een stralende zon verhit het Krugerplein in Borgerhout, de corona-hotspot van Antwerpen en het land. Mensen stappen voorbij, zitten of staan in het rond. Een recente reportage in Borgerhout stelde dat met de algemene mondmaskerplicht toch 95% van de mensen effectief een mondmasker draagt.

Dat is niet mijn ervaring. Ik woon hier, en op basis van mijn vele doortochten op het plein en mijn stappen in de omringende straten kan ik zeggen dat dikwijls de helft van de mensen in de publieke ruimte het masker niet of verkeerd draagt. Daar horen mensen van alle kleuren, leeftijd of gender bij (voor de slechte verstaander: dus zowel allochtonen als blanke hipsters).

Veel meer dan onwil of onwetendheid is dit voor mij een symptoom van een defaitisme dat in deze crisis leeft onder de mensen. Een defaitisme dat verschillende culturele wortels kan hebben – het zou zijn goed daar verder onderzoek naar te doen – maar dat voor mij vooral gevoed wordt door het feit dat de burger wel gevraagd wordt om zijn of haar verantwoordelijkheid op te nemen, maar daarbij geen eigen stem in het beleid krijgt. Dit is een probleem dat in het huidige crisisbeleid genegeerd of ten minste schromelijk onderschat wordt.

Mondmaskers op de wekelijkse markt in Leuven (Foto: © Jasper Jacobs (Apache))

Een crisis als nooit tevoren

De wereldwijde crisissituatie veroorzaakt door de uitbraak en de verspreiding van het SARS-CoV-2-virus, en de impact ervan op onze samenleving, kent zijn gelijke niet in de geschiedenis. Om het simpel te zeggen: nog nooit eerder werden we zo direct, zo allesomvattend en zo verwarrend geconfronteerd met een bedreiging voor onze fysieke en mentale gezondheid, mét drastische gevolgen op korte en lange termijn, en wel op de volgende manier:

Ten eerste zijn er ernstige redenen om aan te nemen dat deze pandemie een direct gevolg is van de deplorabele staat waarin we de wereld zelf gebracht hebben. Dat werd al in het begin van de pandemie wetenschappelijk gesteld, onder andere in Scientific American.

Sindsdien werd het ook verder onderbouwd. Een alles om zich heen grijpende en opgefokte landbouw- en vleesindustrie in het bijzonder, en het verlies van biodiversiteit en de vernietiging van de natuur in het algemeen, resulteren in een bedreiging voor onze gezondheid. En die ondervinden we, veel meer dan bij klimaatverandering of vervuiling van de oceanen, letterlijk en figuurlijk aan den lijve in ons dagelijks leven.

De meningen over dit oorzakelijk verband blijven verdeeld, maar algemeen wordt de ernst van de crisis als uitzonderlijk beschouwd, voor onze samenleving, en voor ons geglobaliseerde economische systeem in het bijzonder. Over wat ons dat leert op de lange termijn, en vooral over een noodzakelijke hervorming van niet alleen onze economie, maar ook ons politiek systeem, schreef ik een stuk voor het Nieuw Humanisme Project.

Die link tussen oorzaak en gevolg (en de discussie daarrond) is nu niet relevant voor het kortetermijnbeleid om deze crisis aan te pakken, maar zal ongetwijfeld een rol spelen in het debat op lange termijn.

De tweede reden waarom we op een keerpunt in de geschiedenis beland zijn, zit in de manier waarop we deze pandemie moeten interpreteren in het belang van een efficiënt en eerlijk crisisbeleid. Drie aspecten onderscheiden zich hier.

1. Spanning tussen vrijheid verantwoordelijkheid

Nooit eerder heeft de spanning tussen vrijheid en verantwoordelijkheid zich zo scherp gesteld op het niveau van elke individuele mens, binnen elk van ons. Die spanning drukt op ons, en maakt ons onzeker, gelaten of defaitistisch.

Die spanning drukt op ons, en maakt ons onzeker, gelaten of defaitistisch

De vrijheid waarvan sprake is onze vrijheid om ons te gedragen zoals in normale tijden (al is dat op zich al een perspectief van een mens die het in normale tijden goed heeft).

De verantwoordelijkheid is de verantwoordelijkheid om het virus zelf niet op te doen en niet verder te verspreiden. Die is dubbel en ondeelbaar: ons gedrag bepaalt ons risico, maar ook altijd dat van onze medemens. We kunnen onbezorgd zijn over ons eigen risico, maar we zullen daarmee altijd ook anderen in gevaar brengen, inbegrepen onze naasten van wie we houden.

2. De wetenschap worstelt met wetenschappelijke onzekerheid

Nooit eerder heeft de wetenschap, in haar rol als adviseur van beleidsmakers, zo algemeen en acuut geworsteld met wetenschappelijke onzekerheid. Experten worden dringend om duidelijke analyses (‘waarheden’) gevraagd die het liefst per direct kunnen omgezet worden in ondubbelzinnige aanbevelingen. Na een half jaar pandemie wordt duidelijk dat een dergelijke eis zonder meer onrealistisch is.

Crisisbeleid is dus kortetermijnbeleid dat in eerste instantie moet (leren) omgaan met de onmogelijkheid van berekenbare voorspellingen

Het gedrag van het virus (de natuurlijke verspreiding, de mutaties en dergelijke) en de reactie van ons lichaam en onze psyche erop zullen op lange termijn waarschijnlijk (hopelijk) in kaart kunnen worden gebracht.

Echter, dit laat zich nu op korte termijn niet vatten in berekenbare voorspellingen, evenmin als ons eigen sociaal gedrag ten opzichte van de virusdreiging.

Crisisbeleid is dus kortetermijnbeleid dat in eerste instantie moet (leren) omgaan met de onmogelijkheid van berekenbare voorspellingen. Dat voelen we nu meer dan ooit tevoren, of we nu expert, burger of politicus zijn.

3. Onzekerheid polariseert

Nooit eerder hebben we samen, in onze directe lokale omgeving noch op wereldschaal, met een risico geleefd waarvan de onzekerheid die er rond hangt zo polariseert. Zelfs als slagen we er nu in wetenschappelijke analyses te produceren waarmee beleidsmakers aan de slag kunnen (zoals aantal besmettingen, hotspots en ziekenhuisopnames), dan nog kunnen die analyses duidelijk nog steeds resulteren in verdeeldheid over de nodige maatregelen, zowel binnen politiek crisisbeleid als in het dagelijkse leven in de maatschappij in het algemeen.

Het debat over hoe we met het virus moeten omgaan, rekening houdend met de wetenschappelijke onzekerheden, de onderbouwde meningen, de cowboy-verhalen en de samenzweringstheorieën, is allesomvattend en algemeen en belangt iedereen aan. Het speelt zich nu af op sociale media, binnen bubbels, op café, in de labo’s, zorgcentra, scholen, kantoren en hospitalen en in de kamers en de wandelgangen van de politieke en economische macht.

Niet alleen de privésector en het middenveld, maar ook de burger, moet betrokken worden

Dat volstaat niet, want hier zit hem het algemene en voor mij tot nu toe niet onderkende probleem. In een situatie zoals hierboven geschetst zou een gemandateerde overheid een moderator moeten zijn die een verbindende dialoog met de samenleving initieert en onderhoudt. Daarbij moet niet alleen de privésector en het middenveld, maar ook de burger, betrokken worden.

Die dialoog zou een beter gesprek over de spanning tussen vrijheid en verantwoordelijkheid mogelijk kunnen maken. Tegelijk zou die dialoog tot maatregelen kunnen leiden die beter gesteund en gevolgd worden, gewoon omdat ze in samenspraak tot stand gekomen zijn.

Paternalisme en vrijheid kopen

De verwarring bij de experten en politici in de eerste weken en zelfs in de eerste maanden van de uitbraak van het virus was begrijpelijk. We zijn nu een half jaar verder, en we kunnen zeker stellen dat er op alle niveau’s (lokaal, nationaal en Europees) een debat met de maatschappij op gang gekomen is.

Het is te zeggen: dat debat speelt zich af tussen politiek en privé-sector enerzijds en tussen politiek en middenveld anderzijds. Het heeft zoals altijd als onderwerp het verdedigen en balanceren van belangen. Het valt daarbij op dat de urgentie niet iedereen evenveel steun en privileges oplevert.

De snelheid waarmee bijvoorbeeld KLM een miljardencompensatie kon verkrijgen, staat in schril contrast met de strijd die de cultuursector in Vlaanderen heeft moeten voeren om zelfs maar gehoord te worden. Cultuurmakers organiseren zich nu noodgedwongen in een crisiscel, en vragen zich samen met kritische burgers terecht af waarom we wel met 200 dicht bij elkaar in een vliegtuig kunnen, maar niet in een theaterzaal.

De overheid antwoordt niet, want het antwoord is te gênant: de cultuursector is in haar diversiteit goed verbonden en georganiseerd, maar de luchtvaartlobby is sterker (lees: heeft meer geld om lobbyisten en advocaten te betalen), en de economische belangen zijn belangrijk voor deze rechts-conservatieve en liberale regeringen. Dat betekent niet dat vliegen niet veilig kan. Het toont vooral aan dat een theaterzaal met 200 mensen en met dezelfde veiligheidsmaatregelen (regelmatig desinfecteren, mondmasker verplicht) ook veilig zou kunnen.

De luchtvaartsector heeft via lobbywerk de vrijheid verkregen om zelf haar verantwoordelijkheid te nemen qua veiligheidsmaatregelen

De luchtvaartsector heeft dus niet alleen veel financiële steun kunnen verkrijgen, ze heeft ook via lobbywerk de vrijheid verkregen om zelf haar verantwoordelijkheid te nemen qua veiligheidsmaatregelen.

Het argument dat de opvolging van de maatregelen veel beter gecontroleerd kan worden in een vliegtuig dan in een theater houdt geen steek. Belangrijker is dat de luchtvaartsector die vrijheid heeft verkregen dankzij haar economisch belang. Ze heeft die vrijheid dus eigenlijk afgekocht.

Ik wil niet beweren dat hier een zekere wetmatigheid speelt, enkel uitnodigen om de zaak op die manier te bekijken. Vrijheid is het hoogste goed voor de rechtsconservatieve en liberale politiek, maar die vrijheid gaat blijkbaar goed samen met het paternalisme waarmee onze overheid tijdens deze crisis bepaalde sectoren en vooral de burger behandelt.

De volksgezondheid is het eerste doel van dit crisisbeleid, niet ‘op zich’, maar omdat het de essentiële voorwaarde is om terug te kunnen naar een rechtsconservatieve en liberale versie van een normaal waarin de economie de belangrijkste motor blijft. Dat paternalisme manifesteert zich in verschillende versies.

Naar de cultuursector manifesteert het zich als de beperking van haar vrijheid om zelf op een verantwoordelijke manier haar evenementen te organiseren. De radicale manier waarop in de provincie Antwerpen – zonder enig overleg – voor de meest getroffen zone alle evenementen verboden werden is daar het laatste triestige voorbeeld van, zeker omdat we weten dat de tweede uitbraak van het virus in Antwerpen vooral begon in familieclusters in kansarme buurten, shishabars en enkele trouwfeesten.

Voor de horeca manifesteert het paternalisme zich in het sluitingsuur. Veel café-uitbaters pleiten voor het opnieuw afschaffen ervan, zodat ze samen met hun klanten zelf hun verantwoordelijkheid kunnen nemen over de gang van zaken in hun café.

Bij de aankondigingen was geen enkele uiting van zelfreflectie, geen enkele suggestie dat deze tweede golf misschien voor een stuk ook aan een falend beleid ligt

Van het sluitingsuur van de café’s naar het paternalisme waarmee de burger bejegend wordt, is maar een kleine stap, en met de tweede besmettingsgolf toont de overheid nu duidelijk haar ware aard. De toon en het  opgestoken vingertje waarmee de nieuwe maatregelen aangekondigd werden zegt alles. We zijn stout geweest, en hebben niet genoeg ons best gedaan, en daarom moeten we nu jammer genoeg boeten voor ons wangedrag.

Bij de aankondigingen was geen enkele uiting van zelfreflectie, geen enkele suggestie dat deze tweede golf misschien voor een stuk ook aan een falend beleid ligt. We weten tegelijkertijd goed genoeg dat de organisatie van de contactopsporing te wensen overliet, en dat de uitbreiding tot een wisselende bubbel van vijftien personen misschien een verkeerde inschatting was. Om maar een paar zaken te noemen.

Qua paternalisme tart het beleid in Antwerpen nu alle verbeelding. Maatregelen zoals het sluitingsuur van de horeca terugbrengen tot elf uur ’s avonds en een avondklok moeten ‘het zootje ongeregeld’ binnenhouden, maar hebben het potentieel om contraproductief te zijn: zij die graag lockdown-feestjes organiseren worden hiermee niet ontmoedigd, eerder gestimuleerd.

Op het moment van dit schrijven wordt die avondklok ‘tijdelijk niet gehandhaafd’ omwille van de hittegolf. Als ze niet meer terugkomt zal het een elegante manier geweest zijn om ze zonder al teveel gezichtsverlies af te voeren.

Het idee van een avondklok is vooral een voorbeeld van krampachtige autoritaire politiek

Het idee van een avondklok is vooral een voorbeeld van krampachtige autoritaire politiek, en eerdere opinies in de media hebben het in die zin terecht over machtsvertoon, symboolpolitiek, een teken van zwakte of een gebrek aan respect voor de rechtsstaat (de combinatie avondklok en samenscholingsverbod was trouwens al eerder een idee van de Antwerpse burgervader).

Naast paternalistisch kan de avondklok ook een slordige uiting van onaantastbaarheid genoemd worden, gegeven dat er juridische argumenten voor de ongrondwettelijkheid ervan zijn.

Desondanks was er volgens gouverneur Cathy Berx in eerste instantie geen andere optie en reageerde ze in een interview op de kritiek met de uitspraak: “Je hebt maar één absoluut grondrecht: het recht op leven. De andere grondrechten zijn relatief.” Niet alleen juridisch maar ook ethisch-filosofisch is deze uitspraak in veel opzichten problematisch.

Al was het maar omdat de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens het recht op leven niet speciaal vooropzet, maar in artikel 3 net op gelijke hoogte zet met het recht op vrijheid en het recht op veiligheid of bescherming. (“Everyone has the right to life, liberty and security of person.”)

Bovendien kan niet ondubbelzinnig aangetoond worden hoe dit grondrecht het ’s nachts opsluiten van burgers rechtvaardigt. Zeggen dat haar uitspraak klinkt als die van een leider die eigenhandig beslist over leven en dood van haar onderdanen zou overdreven zijn. Ze klinkt vooral als symptomatisch voor een visie op leiderschap die onderdanen ziet als hulpeloze of roekeloze nitwits en niet als mensen met zin voor verantwoordelijkheid.

Recht op leven is één ding, recht om verantwoordelijk te zijn voor het eigen leven is een ander. Een avondklok ontneemt de burger niet alleen zijn recht op bewegingsvrijheid, maar ook zijn recht om zelf verantwoordelijk te zijn in die vrijheid.

Het recht om verantwoordelijk te zijn

In hetzelfde interview zegt gouverneur Berx nog het volgende: “Dat er weerstand is spreekt voor zich. Bij elke maatregel moeten we afwegen welk doel hij beoogt, wat de neveneffecten zijn en hoe goed we hem kunnen handhaven. Als de mensen dat proces niet begrijpen is de bereidheid tot aanvaarding nihil.”

Ze geeft vervolgens aan dat ze naar tegenargumenten luistert en dat ze het graag heeft “dat mensen zich kwaad maken”. Dat geeft haar de gelegenheid om eigen argumenten beter te onderbouwen, stelt ze. Dat klinkt allemaal redelijk, maar haar betoog klinkt te veel als een ‘decide-announce-defend’ strategie en is daarom een uiting van autoritaire politiek.

Het is frappant dat gouverneur Berx een burger die de avondklok niet aanvaardt, afdoet als iemand die het niet begrijpt en zich kwaad maakt. Dat er ook burgers zijn die op basis van inzicht in de complexe materie een maatregel zoals de avondklok onaanvaardbaar kunnen vinden en vervolgens in staat zijn om die mening op een coherente en rustige manier te debiteren, lijkt niet in haar visie te passen.

Dit is natuurlijk het punt waartegen politici een gemakkelijk excuus kunnen aanhalen: we hebben in deze crisis nu echt geen tijd om met de burger te praten

Het is trouwens niet gezegd dat inspraak van burgers bij het nadenken over een dergelijke maatregel automatisch zou leiden tot het verwerpen ervan. Wat ook de uitkomst zou zijn, de kans zou veel groter zijn dat de maatregel na inspraak aanvaard en gevolgd wordt.

Dit is natuurlijk het punt waartegen politici een gemakkelijk excuus kunnen aanhalen: we hebben in deze crisis nu echt geen tijd om met de burger te praten. In zekere zin klopt dat, maar dan alleen omdat onze democratie als systeem helemaal niet gericht is op inspraak van burgers. Het zou dus tijd vragen om die inspraak te organiseren.

We zijn echter ondertussen een half jaar verder, en de overheid heeft nog steeds onze mening niet gevraagd. Van een groep die zichzelf de Superkern noemt en die, bij wijze van voorbeeld, bij hun bubbel-overleg over een gratis Rail Pass voor elke burger ‘vergat’ de NMBS zelf te raadplegen, kan inderdaad niet verwacht worden dat ze ook nog eens het nut en het nodige van burgerinspraak gaat inzien.

We mogen bovendien niet vergeten dat dit soort crisisbeleid gegrond zit in een politiek van de normaliteit die sowieso al niet geïnteresseerd is in de mening van de burger. Dit argument onderbouwde ik uitgebreid in mijn reeks voor Apache over deliberatieve democratie en concreet rond de regeringsvorming in het stuk ‘Het probleem is de partijpolitiek, niet België’.

Natuurlijk zijn ook nu veel politici in principe geïnteresseerd in wat er ‘leeft onder de mensen’. Of dat nu oprecht of puur strategisch is, uiteindelijk willen ze straks opnieuw verkozen worden in een partijpolitiek systeem waarin enkel hun mening en die van de partij telt. De bescheiden politicus ziet dat als een noodzakelijk kwaad, en de zelfgenoegzame als de evidentie zelve.

Ondertussen gaat de partijpolitieke vaudeville rond de regeringsvorming verder, en het populisme en de polarisatie, kenmerkend voor dat ‘strategische spel’, maken de kloof met de burger nog groter dan hij structureel al is.

Solidariteit betekent niet alleen samen de regels volgen, maar ook samen de regels maken

Toch zijn er ook in deze crisistoestand mogelijkheden voor inspraak van burgers, zeker op lokaal en stedelijk vlak. Je krijgt mensen niet mee als ze voelen dat je geen moeite doet om hen te betrekken als gesprekspartner of, nog erger, als ze voelen dat je hen behandelt als nitwits of kleuters. Dat hebben veel politici en experten duidelijk nog steeds niet begrepen.

Van alle kanten wordt ons gezegd dat we hier samen zullen uitraken als we allemaal meewerken en solidair zijn. Solidariteit betekent niet alleen samen de regels volgen, maar ook samen de regels maken. “Democratie is het ontsluiten van de sociale intelligentie van de burgers”, zei de Amerikaanse filosoof John Dewey ooit. We zullen die sociale intelligentie meer dan ooit nodig hebben.

Er zijn namelijk redenen om aan te nemen dat dit niet de laatste crisis van deze schaal is. We kunnen er dus maar beter voor zorgen dat niet alleen de dialoog met het middenveld minder moeizaam verloopt, maar dat we ook structuren opzetten waarin we de burger op alle niveau’s beter kunnen betrekken bij het debat.

Deliberatieve democratie voorbij de vaudeville van de partijpolitiek is meer dan ooit nodig. Het heeft niet alleen meer potentieel om dergelijke crisissen beter aan te pakken, maar ook om ze te vermijden. Het recht om verantwoordelijk te zijn – in woord en daad – moet daarbij als grondrecht overleg en beleid inspireren.

Een recht voor elke burger, voor de cultuurmaker en voor elke andere stem die dat recht niet kan (en niet wil) afkopen in een cynische strijd rond economische belangen.

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst. Zelf een bijdrage insturen, doe je hier.

Auteur: Gaston Meskens

Gaston Meskens is kernfysicus, filosofisch activist en kunstenaar. Als onderzoeker in de moraalfilosofie bij de Universiteit Gent werkt hij rond het begrip van duurzame ontwikkeling vanuit het perspectief van mensenrechten. Hij is ook medeoprichter van de Science and Technology Studies onderzoeksgroep van het Studiecentrum voor Kernenergie. Die groep bestudeert risico-inherente technologie vanuit het perspectief van sociale rechtvaardigheid en duurzame ontwikkeling. Hij is ook lid van de stuurgroep die op de VN-klimaatconferenties de globale wetenschappelijke wereld vertegenwoordigt.