Bij de Spaanse griep was de tweede fase het dodelijkst

 Leestijd: 5 minuten0

Als we over de ‘Spaanse griep’ spreken, bedoelen we meestal de tweede fase die in het najaar van 1918 als een zeis door de wereldbevolking maaide. Ingeklemd tussen het geweld van de Eerste en Tweede Wereldoorlog verdween de catastrofe echter uit het collectieve geheugen. Zijn er overeenkomsten tussen de vorige pandemie en onze huidige coronacrisis?

De griep die niet Spaans was

De eerste fase verspreidde zich in de eerste helft van 1918 als een inktvlek over de wereld, maar haalde lang niet altijd de voorpagina’s. Dat kwam niet alleen door het oorlogsgeweld, waardoor men wel wat anders aan het hoofd had. Ook de in het algemeen meer berustende houding tegenover ziekten in een tijd dat de geneeskunde vaak machteloos stond tegenover de meest uiteenlopende ziekten, zorgde voor nonchalance. Bovendien hanteerden de strijdende partijen tijdens de Eerste Wereldoorlog een strenge perscensuur om het oorlogspessimisme van de al vier jaar lang in rouw gedompelde bevolking niet nog verder op te drijven.

In Europa berichtten de Spaanse kranten als eerste over het dodelijke virus, gevolgd door andere neutrale landen. In Nederland kopte bijvoorbeeld De Telegraaf van 30 mei 1918:

“Den 28sten mei bereikte ons uit Spanje het bericht dat daar een geheimzinnige ziekte was uitgebroken, die in alle kringen zijn intrede deed, zodat ook koning Alfonso XIII en verschillende ministers door de kwaal werden aangegrepen.”

De koning herstelde volledig, naar verluidt wel pas na het drinken van een fles Bacardi. De eerste fase klonk al bij al dus nog redelijk onschuldig, zoals ook blijkt uit het luchtige commentaar van de Antwerpsche Courant op 10 juli 1918: “Zonneschijn is hier geneesheer, en droogte ziekenzuster. Dus, de voeten droog houden, en in het Nachtegalenpark gaan liggen, het gelaat naar de zon!”

Het Zwitserse ministerie van Gezondheid muntte rond diezelfde tijd de naam ‘Spanische Krankheit’ en vanaf dat moment sprak de hele wereld van de ‘Spaansche Ziekte’ of de Spaanse griep. Dit tot afschuw van Spanje, dat Frankrijk als broeihaard aanwees. 

Patiënt nul

In Europa openbaarde het virus zich in 1918 inderdaad als eerste in Frankrijk, waar in legerkampen tienduizenden jongemannen op elkaars lip zaten. De beruchte ‘patiënt nul’ – de legerkok Albert Mitchell – werd echter op 11 maart 1918 geregistreerd in een Amerikaanse legerbasis. Ondanks de akelig snel uitdijende epidemie, stuurde de Amerikaanse regering schepen vol (besmette) troepen naar het front in Frankrijk. Logischerwijs bleef de ziekte aanvankelijk aan geallieerde zijde van de loopgraven.

In hun laatste voorjaarsoffensief maakten de Duitsers echter nog honderdduizend krijgsgevangenen, waardoor de griep ook aan die kant van de frontlijn terechtkwam. Dat ook jonge, sterke mannen ziek konden worden alarmeerde artsen en wetenschappers. Dertig procent van de populatie werd getroffen. Afhankelijk van tijd en plaats zou tussen de twintig en zestig procent van de zieken overlijden. Het aantal slachtoffers wereldwijd wordt tussen de vijftig en honderd miljoen doden geschat. Zelfs bij het laagste getal is de Spaanse griep met afstand de grootste medische ramp uit de geschiedenis.

Groepsimmuniteit

Nog nooit had iemand van ‘groepsimmuniteit’ gehoord en verbijsterd staarden deskundigen naar de snelheid waarmee het griepvirus om zich heen greep. De eerste fase was zonder noemenswaardige maatregelen langzaam uitgedoofd, maar het virus was nu overal latent aanwezig. De oorlog zorgde verder voor een perfecte storm. In de burgermaatschappij worden normaliter zware patiënten geïsoleerd.

In de loopgraven was het juist andersom: lichte gevallen bleven aan het (voor anderen afgesloten) front en de zwakkeren gingen naar overvolle legerhospitalen waar talloze hulpverleners vrij in en uit liepen. Op die manier kon de dodelijke variant van het virus zich op die manier in moordend tempo vermeerderen. Over virussen zelf was nauwelijks iets bekend, waardoor de medische wetenschap ondertussen op een onbestaande bacterie joeg.

Over virussen zelf was nauwelijks iets bekend, waardoor de medische wetenschap ondertussen op een onbestaande bacterie joeg

Geïnfecteerden kregen koorts en hadden overal pijn, “alsof je botten knappen”, aldus een overlevende. Vervolgens begonnen bloedingen uit mond, neus en oren, met hoestaanvallen die kraakbeen en ribben beschadigen. Met totaal vernielde longen liep de patiënt uiteindelijk blauw wegens zuurstofgebrek. Amsterdamse arts Arnold Norden schrijft:

“De dood laat dan nog slechts een paar uur op zich wachten en dien tijd wordt gevuld met een gevecht om een paar happen lucht totdat ze stikken in hun eigen bloed. Vreselijk is het.”

Bij milde symptomen was de kans veel groter dat de patiënt het overleefde, de ongelukkigen die er een longontsteking bovenop kregen echter niet meegerekend. Daarvan overleed tachtig procent, deels ook omdat antibiotica nog niet bestonden.

Voor België bestaan er geen statistieken wegens de chaotische laatste oorlogsmaand. Afgaande op cijfers uit omringende landen gaat het vermoedelijk om zo’n tachtigduizend doden, waarvan de helft door een longontsteking. In kleine dorpen vonden per week evenveel begrafenissen plaats als normaliter in een jaar en in de steden stapelden de lichamen zich in de lijkhuizen op.

Stille getuigen

In de gecensureerde pers van het bezette België is het zoeken naar berichten over de epidemie en alleen tussen de regels door is de vertwijfeling te lezen van het door de oorlog uitgeteerde land. Als stille getuigen gelden bijvoorbeeld de 89 overledenen, die op 5 november 1918 in de Antwerpsche Courant stonden. Ter vergelijking: in de (willekeurig gekozen) uitgave van 10 juli stonden er maar vier overlijdensberichten. Maar zelfs in de volle hevigheid van deze rampzalige tweede fase kwamen er geen algemene maatregelen.

Pas na de bevrijding gaven de autoriteiten wat halfslachtige adviezen, zoals het consigne “zich zo goed mogelijk te voeden” en “alle vergaderingen en samenscholingen te vermijden”. In het juist bevrijde Brugge werden de scholen wel gesloten, maar in het nog bezette Antwerpen bleven opera, vrijdagmarkt en openbare verkopen gewoon doorgaan.

Nest met kinderen

Voor een vergelijkbaar beeld over het alledaagse leven zijn dus vrijwel alleen buitenlandse bronnen beschikbaar. In Nederland, bijvoorbeeld, vertoont het gehakketak over schoolsluitingen gelijkenissen met onze coronacrisis. Artsen drongen aan op sluiting omdat jongeren erg vatbaar bleken te zijn.

Artsen drongen aan op sluiting omdat jongeren erg vatbaar bleken te zijn

Tegenargumenten sneden echter evenveel hout: vergeleken bij de kleine, bedompte woningen waar een heel nest kinderen bij elkaar klitte, waren de relatief schone, droge en geventileerde klaslokalen te prefereren.

Uiteindelijk moesten de gemeenten de knoop maar doorhakken, waardoor in de meeste Nederlandse gemeenten de scholen wel sloten en in andere dan weer niet. Achteraf zou blijken dat het in de sterftecijfers weinig verschil had gemaakt.

Nog zo’n overeenkomst zijn de mondkapjes, waarvan men in 1918 nog wonderen verwachtte. In de zwaar getroffen VS patrouilleerden politieagenten met mondkapjes in uitgestorven straten. Maar vaak circuleerde het virus al, waardoor de maatregel doorgaans te laat kwam.

Pseudo-oplossingen

“Neem toch vooral het stof in Uw vertrekken niet droog op” of “de sterkste rokers komen er meestal het best vanaf”, adviseerden kranten goedbedoelend. Vooral onder militairen en studenten gold sterkedrank als een probate remedie.

Kwakzalvers adverteerden bijvoorbeeld met het “electro-homeopatische middel” van de niet-bestaande Italiaanse graaf Mattei. Dat bestond uit drie flesjes: één met “scrofulosis” en twee met “blauwe en rode elektriciteit”. Scrofulosis bleek een mix van suiker en bloem te zijn, de blauwe en rode elektriciteit was gewoon water in gekleurde flesjes.

Zelfs artsen schreven in hun radeloosheid middelen voor waarvan ze in hun hart wisten dat ze niet hielpen, maar waarvan ze tegen beter weten in hoopten dat het toch iets uithaalde. Zo probeerden ze ‘sublimaat-injecties’ (onderhuids ingespoten kwikoplossingen) of ‘berokingen met salpeterig zuur, eucalyptusolie en suikerbieten’. Ook de volksapotheek in de Antwerpse Brederodestraat bood hulp, zo blijkt uit een advertentie:

“De Spaansche Ziekte is in 24 uren vermeesterd door onze speciale remedie. De koorts is in eenige uren verdwenen. Kan ook gebruikt worden als voorkomend middel. Prijs.fr.250”

Patiënten werden door dit alles vaak nog zieker, maar dat werd natuurlijk ook aan ‘influenza’ toegeschreven.

Licht aan het einde van de tunnel

De griep verdween uiteindelijk vrij plotseling. In 1920 flakkerde er nog een laatste fase op, maar die was lang niet meer zo dodelijk. De immuniteit nam toe, het virus muteerde en de virulentie verminderde. Onze bekende ‘seizoensgriep’ is een afgeleide van het originele H1N1-virus. Maar de waarschijnlijkste reden voor de snelle uitdoving is ook meteen de meest morbide: een virus kan zich alleen in een levend organisme inplanten. Door een grote sterfte gaat het virus zelf ook dood en dat gebeurde in 1918 in ijzingwekkende vaart.


Uitgelichte afbeelding: cromaconceptovisual (Pixabay)

Bronnen:

Bergen, Leo van: Ziek zonder loopgraaf, artikel www.ssew.nl

Mecking, Eric: Het drama van 1918, Mets & Schilt, 2006 (De auteur publiceerde recent een herziene uitgave van dit boek, onder de titel ‘Pandemie, van Spaanse griepvirus tot coronavirus’.)

Spinney, Laura: De Spaanse griep, Arbeiderspers, 2018

Krantencitaten: www.warpress.cegesoma.be/nl en www.delpher.nl

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst. Zelf een bijdrage insturen, doe je hier.

Auteur: Hugo Luijten

Hugo Luijten (1969) is schrijver en historicus. Hij debuteerde in 2017 met de WOI-roman ‘Offer voor een verloren zaak’. De thrillers ‘Verast’ en ‘De Brexitmoorden’ volgden daarna. Zijn derde thriller, ‘Het jaar van de slang’, verschijnt in mei 2020.