Twee kanten van subsidies

 Leestijd: 4 minuten0

Ergens in Worcestershire, in de Britse Midlands, gaat een dame de apotheek binnen met een voorschrift van haar huisdokter voor twee medicijnen. Ze betaalt in totaal 18 pond (zo’n 20 euro), want de standaardprijs voor een voorschrift is 9 pond. Ze heeft er geen idee van dat het ene medicijn de nationale gezondheidsdienst NHS 9,43 pond kost, en het andere meer dan 400 pond.

In Dresden, in het oosten van Duitsland, stapt een man op de trein naar Berlijn. Zijn kaartje kostte hem 49 euro, maar hij is er zich niet van bewust dat de werkelijke kost van zijn reis het dubbele is (de regering betaalt Deutsche Bahn ongeveer 20 cent per passagier-kilometer). In Diest opent iemand zijn brievenbus en haalt er zijn dagblad uit. Het werd gratis aan huis besteld – dat wil zeggen, de regering betaalt de post 170 miljoen euro om daarvoor te zorgen.

Dit soort dingen is wat ons voor de geest komt wanneer we het hebben over subsidies: de regering die geld van de belastingbetaler betaalt aan leveranciers van goederen of diensten, opdat deze de prijs zouden verlagen (soms tot nul). De rechtvaardiging hiervoor is dat die goederen en diensten zo beschikbaar en betaalbaar worden voor diegenen die anders niet zouden worden bediend door de markt – wanneer er anders sprake zou zijn van marktfalen.

Subsidies maken gebruik van het oudste en simpelste mechanisme om gedrag aan te moedigen: een materiële prikkel. Geef extra geld aan apothekers, vervoersmaatschappijen en de post, en dan doen ze wat anders verlieslatend zou zijn.

Waar voor je geld – zeker als de staat 20 cent per km bijlegt voor je kaartje (foto: TeaMeister @N02CC BY)

Dat is niet direct onredelijk. Sommige medicijnen en ingrepen zijn inderdaad zo duur dat de overgrote meerderheid van de bevolking ze onmogelijk uit eigen zak zou kunnen bekostigen. Maar in andere gevallen is dat toch meer twijfelachtig. Wanneer musea en opera’s staatssteun krijgen, leidt dat dan werkelijk tot meer belangstelling van burgers met een laag inkomen? Critici zien dit soort subsidie als een voorbeeld van het Mattheuseffect, naar de parabel van de talenten in het evangelie van Mattheus: “Want aan ieder die heeft, zal gegeven worden; maar wie niet heeft, hem zal nog ontnomen worden zelfs wat hij heeft”. Het zijn vooral mensen die niet om een euro verlegen zitten die genieten van de vrijgevigheid van de staat, en niet de armere medemens. En dat kan ook worden gezegd over intercity treinen, en de gratis bedeling van kranten.

Men kan zich eveneens vragen stellen bij het flagrante paternalisme van zulke maatregelen. Waarom denkt de regering dat de subsidies het welzijn van mensen met een laag inkomen ten goede komt? Is een subsidie van zeg maar 40 euro voor een kaartje voor een voorstelling van Nabucco een betere manier om hen te steunen dan het hen gewoon in cash te geven?

Andere subsidies, met complexe effecten

Maar er schuilt meer achter het begrip subsidie dan een oppervlakkige blik suggereert. Damiaan De Schrijver, die afgelopen zaterdag te gast was in het radioprogramma De Liefhebber, had het onder meer over een klein platenwinkeltje in het Zuid-Franse Toulouse. De eigenaar was een groot muziekliefhebber, die er veel plezier in vond aanbevelingen te doen aan zijn regelmatige klanten, op basis van hun vorige aankopen (die hij moeiteloos kon onthouden). Hij kon het zich makkelijk veroorloven flink wat tijd te besteden aan hen, omdat hij net zoveel verdiende op een plaat die hij verkocht aan klanten die op enkele minuten bediend waren en meteen weer weg, als aan diegenen die zijn uitgebreide advies waardeerden. Maar naarmate de manier waarop muziek wordt gekocht veranderde, waren er steeds minder klanten van de eerste soort, en er kwam een eind aan het waardevolle advies wanneer het winkeltje uiteindelijk voorgoed dichtging.

Zulke kruissubsidies vind je niet enkel in obscure winkels, en zijn meer courant dan we misschien wel vermoeden. Kleinhandelaars bieden vaak producten aan tegen verlaagde prijzen of houden promoties zoals twee kopen, een betalen. Soms gaat het om items waarvan de voorraad te hoog is, of waarvan het einde van de houdbaarheid in zicht is. Maar geregelde aanbiedingen lokken klanten die natuurlijk heel wat meer aanschaffen dan die koopjes, en het is deze extra verkoop die uiteindelijk betaalt voor de promotie. Je zou kunnen zeggen dat de klanten, die hun karretje tot aan de rand vullen, de klanten die enkel voor de promoties komen subsidiëren.

Soms zijn zulke subsidies ook essentieel voor het aanbieden van een volledige dienstverlening. In treinen tijdens de daluren, vooral laat op de avond of vroeg in de ochtend, zitten vaak maar enkele reizigers. Zelfs met de subsidie van de staat is de totale inkomst van deze reizigers lang niet voldoende om de kosten van de trein te dekken. Waarom blijven ze dan rijden, als ze technisch verlieslatend zijn? Zouden ze die niet beter gewoon afschaffen?

Dat was de logica van Dr Beeching, die in de jaren 1960 meer dan een derde van het spoorwegennet en de helft van de stations elimineerde in het VK. Als een landelijke aftakking of stationnetje te verlieslatend was, dan ging die onvoorwaardelijk dicht. Maar er werd niet altijd rekening gehouden met het feit het sluiten van zo’n verlieslatende kleine lijn ook het aantal passagiers op de hoofdlijn zou kunnen reduceren – misschien wel in die mate dat ook die nog veel meer verlieslatend zou worden. Op dezelfde manier kun je zeggen dat de reizigers op de vroege en late treinen dan wel niet direct het uitbaten ervan rechtvaardigen, maar ze dragen wel bij tot de winstgevendheid van de piektreinen – en dat kan wel eens het verlies compenseren dat de zo goed als lege treinen maken.

Werkende subsidie

Meer perfect opgevouwen kleren vind je nergens (foto: Benetton Newsroom)

Zelfs op het werk zien we subsidie aan het werk. Vroeger werd wel eens gezegd dat verkopers in de winkels van Benetton, tijdens stille periodes wanneer er geen klanten waren die moesten worden geholpen, de uitgestalde kleren moesten opvouwen – zelfs als die al perfect opgevouwen waren – “zorg dat je er bedrijvig uitziet”. Dat droeg weinig of niets bij aan het bedrijfsresultaat, maar ze werden er natuurlijk wel hun volle uurloon voor betaald. En dat is ook zo voor de meeste werknemers, wat ze ook doen: tenzij ze per stuk worden betaald, ontvangen ze exact dezelfde som voor elk gewerkt uur – ongeacht hoe productief ze zijn. De meer productieve uren subsidiëren die minder productieve.

(Bedrijven als Uber en Deliveroo hebben die subsidie geëlimineerd: de mensen die voor hen werken worden slechts betaald wanneer ze productief zijn. Wanneer er geen eten te bedelen is of geen klant naar zijn bestemming te brengen, dan is er geen salaris te betalen.)

Maar wie subsidieert wie eigenlijk? Zijn het de werknemers die de werkgever subsidiëren, door een lager loon te accepteren wanneer ze het productiefst zijn? Of is het de werkgever die de werknemers subsidieert door ze meer te betalen wanneer ze het minst productief zijn?

Zijn het de klanten die de supermarkt subsidiëren door producten met een hogere winstmarge te kopen, zodat die dan producten tegen een lagere marge (of zelfs met verlies) kunnen aanbieden? Of subsidiëren de supermarkten de klanten, doordat ze het met hun afgeprijsde producten aantrekkelijk te maken al hun aankopen bij hen te doen?

Er is wat te zeggen voor beide perspectieven: de ene partij doet een concessie die het gedrag van de andere partij beïnvloedt. Werkgevers hebben er baat bij dat ze verzekerd zijn van werkkrachten, ook wanneer de vraag naar hun goederen of diensten te laag is om iemand tegen het volle salaris te rechtvaardigen. Werknemers hebben er baat bij dat ze geen extra baantje moeten zoeken om hun inkomen aan te vullen als ze enkel kunnen werken wanneer het druk genoeg is. Dezelfde redenering gaat op voor supermarkten en hun klanten.

En eigenlijk doet het ook niet ter zake wie wie subsidieert. Het mag dan al zo zijn dat subsidies, zeker staatssteun, dubieus is, maar ze zijn ook vaak het smeermiddel voor transacties waarbij beide partijen voordeel hebben.

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Auteur: Koen Smets

Koen Smets is een deskundige op het gebied van organisatie-ontwikkeling, met een fascinatie voor menselijk gedrag op de grens tussen het rationele en het irrationele. Hij is op Twitter als @koenfucius.