Tussen vrijheid en plicht: een gewetensonderzoek

 Leestijd: 11 minuten2

Het drong bijna per ongeluk in mijn brein door: Fouad Belkacem was zijn Belgische nationaliteit kwijt, omdat hij ‘ernstig tekortgeschoten was in zijn verplichtingen als Belgisch burger’ (AD /Belga). Ik was verbluft. Wat er met Belkacem gebeurt, zijn wetenswaardigheden voor een rechtbankverslaggever, die de indrukwekkende optelling van diens straflijst (27 veroordelingen voor de politierechtbank en 9 correctionele veroordelingen) wel voldoende reden zal vinden voor het ontnemen van de nationaliteit.

Fouad Belkacem: nationaliteit kwijt (Foto: Apache)

Maar wat mij fascineerde, was dat merkwaardige motief: ‘Niet voldoen aan de verplichtingen als Belgisch burger’.

Hoezo? Omdat verplichtingen in de grondwet en de wet zeldzaam, zo niet uniek, zo niet onbestaand zijn. En waar ze staan, staan ze zeer verdoken, en dat is ook hier het geval. Want het gaat hier om artikel 23 van de Belgische grondwet, dat luidt:

Ieder heeft recht een menswaardig leven te leiden. Daartoe waarborgen de wet, het decreet of de in art 134 bedoelde regel, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele rechten, waarvan ze de voorwaarden voor de uitoefening bepalen…

Parket-Generaal

Die plichten had Fouad Belkacem niet voldaan en dus kon hij zijn rechten niet meer mogen uitoefenen, zo luidt de kennelijke redenering van het Antwerpse Parket-Generaal.

Hierbij de tekst van artikel 24 van het Arrest van het vonnis met betrekking tot Belkacem:

24. Nationaliteit is een rechtsband die een individu als onderdaan verbindt aan een staat. Nationaliteit wordt traditioneel gezien als het juridische en politieke lidmaatschap van een persoon bij de bevolking van een Staat. Nationaliteit veronderstelt dus een juridische band tussen een persoon en een staat, waar een sociale binding aan ten grondslag ligt, een effectieve solidariteit van bestaan, belangen en gevoelens gehecht aan wederkerige rechten en plichten. Het is de juridische uitdrukking van het feit dat een persoon die de nationaliteit bezit nauwer verbonden is met de bevolking van de Staat, dan met die van eender welke andere staat. Een bevolking van een Staat bestaat dus, dankzij het begrip ‘nationaliteit’, uit staatsburgers aan de ene kant en uit vreemdelingen aan de andere kant.

Nationaliteit is een werkwoord. In die optiek bundelt de nationaliteit een aantal (lidmaatschaps)rechten waar – als tegenprestatie- ook een aantal plichten tegenover staan.

Het gebruik van de rechten van de Belgische nationaliteit zonder de plichten ervan te willen nakomen moet worden gesanctioneerd in de optiek van de wetgever: vandaar dat de bewuste wetsbepaling uit het WBN het expliciet heeft over verzuim aan de plichten als Belgisch burger (eigen cursivering van het Hof). Volgens het grondwettelijk Hof is dit een legitieme doelstelling. Het kan moeilijk worden ontkend dat in hoofde van verweerder sprake is van onvoldoende burgerschapsdeugd. De veroordelingen geven blijk van intolerantie, asociaal gedrag en een gebrek aan loyauteit t.a.v. de gemeenschap. Het hof stelt vast dat verweerder bijgevolg alleen of minstens in hoofdzaak geïnteresseerd lijkt in rechten die inherent zijn aan de Belgische nationaliteit. Het feit dat verweerder thans verklaart Belg te willen blijven, illustreert zijn gehechtheid aan zijn rechten en vrijheden (en de bescherming) ontleend aan zijn band met de Belgische natie, maar dit doet geen afbreuk aan het feit dat hij de aan deze rechten corresponderende plichten veelvuldig en langdurig op de meest ernstige wijze heeft verzuimd.

Verder wijst het Hof erop dat de verweerder door zijn gedragingen (die resulteerden in definitieve strafrechtelijke veroordelingen) manifest blijk heeft gegeven niet bereid te zijn om aan de verplichtingen te voldoen die uit het Belgisch burgerschap voortvloeien. Het is de combinatie van beide factoren die het Hof bestempelt als ontoelaatbaar en die de vervallenverklaring verantwoorden in voorliggende zaak.

Maar kan dat? Kun je zeggen dat iemand aan bepaalde verplichtingen had moeten voldoen om burger te zijn op rechtmatige gronden? En wat dan? Had hij zijn buurman moeten omhelzen, knielen voor de verkeersagent op het kruispunt, cadeautjes moeten brengen naar burgemeester De Wever, wat had hij dan moeten doen? Ik kon me er geen voorstelling van maken, en ben eens in het onderwerp gedoken om na te gaan hoe dat zit met die ‘verplichtingen’.

Grondrechten

De grondwet van België kent, net zoals die van Nederland, eigenlijk alleen rechten, althans qua terminologie gaat het alleen daarover. Die rechten worden verdeeld in rechten die geassocieerd kunnen worden met negatieve vrijheid (‘vrij zijn van’) en rechten die geassocieerd kunnen worden met positieve vrijheid (‘vrij zijn om’).

Klassieke grondrechten geven aan waar men, en vooral de staat, vanaf moest blijven: recht op leven, vrije meningsuiting, vrijheid van religie en drukpers, gelijkheid voor de wet

In de Nederlandse rechten wordt ook het onderscheid genoemd van Grondrechten en Sociale rechten. Klassieke Grondrechten zijn in wezen het product van de revolutie van de burgers van het eind van de achttiende en de eerste helft van de negentiende eeuw: eindelijk was men van de overheersing af en nu wilde men tegen elk soort overheersing beschermd worden.

De klassieke grondrechten geven aan waar men, en vooral de staat, vanaf moest blijven: rechten zoals het recht op leven, het recht op vrije meningsuiting, vrijheid van religie en vrijheid van drukpers, de gelijkheid voor de wet. Ze zijn de klassieke uiting van het burgerlijk liberalisme, dat in de Franse revolutieperiode de overheersende kracht in de samenleving werd en haar individualistische optiek ten grondslag legde aan de nieuwe napoleontische wetten.

De sociale revoltes van het eind van de negentiende eeuw en de eerste helft van de twintigste eeuw zorgden voor de toevoeging aan de Nederlandse grondwet van iets wat ‘Sociale ‘grondrechten’ is gaan heten: het recht op werkgelegenheid, bestaanszekerheid (= sociale zekerheid), recht op onderwijs. Het zijn de rechten die aangeven wat de burger terug mag verwachten van de overheid waaraan hij als burger bijdraagt (zoals het dus ook in dat artikel 23 van de Belgische grondwet staat). Deze rechten zijn vastgelegd maar niet afdwingbaar, de klassieke grondrechten zijn dat wel.

En precies dat afdwingen doet het Belgische gerecht nu in het geval Belkacem wel: hij moet bijdragen, het is zijn plicht.

Is dat afdwingen, die verplichting, nu zo wettelijk uitzonderlijk?

Burgerlijke plichten

Laten we het eens nalopen: wat voor burgerlijke plichten kennen we eigenlijk?

– De dienstplicht, die in Nederland sinds 1945 zeer omstreden is en was. Die lag daar heel moeilijk. Het fundamentalistisch denkende protestantisme verzette zich met de bijbel in de hand tegen de oorlogsverplichtingen: ‘Gij zult niet doden’. En als iets de bedoeling is van een leger en militairen, dan is het wel juist dat ‘doden’.

Toen het paternalistisch denkende kabinet Schermerhorn, met in zijn sporen het kabinet Beel, van mening was dat het haar plicht was ‘de orde te herstellen’ in Indonesië – wat een eufemisme was voor het neokoloniaal uitroeien van de opstand der autochtonen -, vond men daar niet genoeg vrijwilligers voor en werd in 1946 een wetsvoorstel ingediend om dienstplichtigen gedwongen naar de kolonie af te voeren om daar te sneuvelen, dan wel anderen te laten sneuvelen.

Nederland was en is niet dol op de dienstplicht

Tegenstemmen: niet alleen de CPN maar ook de drie christelijke partijen (CHU, ARP en SGP). Krachtige weerstand van religieus links, waaronder Kees Boeke met zijn Werkplaats de Kindergemeenschap richtten nadien de WRI (War Resistence International) op (= het gebroken geweertje) dat aan de basis van latere anti-oorlogsacties van IKV en Pax Christi zou komen te liggen, en mede leidde tot de oprichting van de Vereniging voor Dienstweigeraars.

Nee, Nederland was en is niet dol op de dienstplicht.

– De zorgplicht is ook een bekende. De toepassing ervan is oneindig breed. Bekendste voorbeelden zijn bijvoorbeeld het niet passief mogen toekijken bij mensen in nood, en de opdracht de naasten te helpen als die behoeftig worden (maar die laatste variant is niet afdwingbaar). Sinds kort wordt de zorgplicht echter ook toegepast door toezichthoudende organen zoals de AFM, omdat die menen dat een bank die onbetrouwbare producten verkoopt zonder zijn klanten daarover goed te informeren, tekortschiet in zijn zorgplicht. Deze variant van de zorgplicht is dus wel afdwingbaar, en dus geldt dat in wezen voor heel het handelsverkeer.

– De stemplicht. Ook die is heel omstreden. Van oudsher lag het verzet bij de anarchisten die meenden dat kiezen niets anders dan bedrog en illusie was. Tegenwoordig is het meer het parool van een groot deel van de teleurgestelden in het bestuur die een recht op onverschilligheid eisen en dus liever niet stemmen.

Al deze vormen van wettelijke verplichting zijn nog gedragen door het overgrote deel van de bevolking. Dat geldt in veel mindere mate zodra het gaat om verplichtingen die nagekomen moeten worden om de gemeenschap te steunen, dat wil zeggen die mensen te steunen die afhankelijk zijn van de gemeenschap.

Dan is er snel verzet, en dat niet alleen bij belanghebbende burgers maar juist ook vaak bij belanghebbende liberale partijen. Voorbeelden:

– De vaccinatieplicht. Die is heel recentelijk zwaar ter discussie komen te staan. Voorheen lag het verzet tegen vaccinatie praktisch uitsluitend bij miniem kleine groepjes in de bible belt. Maar nu ligt het verzet bij brede groepen burgers die de medische wetenschap niet vertrouwen, en daarnaast niet inzien waarom zij zouden moeten deelnemen, terwijl de betreffende ziektes toch hen meestal niet raken maar juist andere groepen waar zij geen boodschap aan hebben.

Voor kwalen die epidemisch zijn is een zekere dekkingsgraad vereist en dus is deze weigering tot participatie vanaf een zekere omvang gevaarlijk voor de hele bevolking. Maar in het geïndividualiseerde maatschappelijke klimaat van nu weerhoudt dat sommigen niet ervan om toch de vaccinatie te weigeren.

Pensioenopbouwplicht is een plicht die door Esther-Mirjam Sent van de PVDA aan de orde werd gesteld in een artikel van 27 oktober 2018 in Trouw. Zij realiseert zich dat door het recht van onttrekking aan die plicht het hele pensioenstelsel op de tocht komt te staan, zoals dat voorheen ook dreigde met de ziekteverzekeringen. Het probleem is dat Nederland met zijn door liberalen geschapen wettelijke ZZP-optie de ruimte heeft geschapen voor grote groepen om zich te onttrekken aan de pensioenopbouw.

De plicht van burgers om bij te dragen aan de samenleving, is bepaald niet onomstreden. Is ‘de gemeenschap’ wel een door de samenleving gedragen idee?

ZZP-ers zijn meestal jong en krachtig en in de bloei van hun leven en voelen daarom zelf geen probleem, maar doordat ze niet meedragen aan het stelsel, veroorzaken ze dat het stelsel niet meer de oudedagsvoorzieningen kan dragen en zo een vergrijzende bevolkingslaag het slachtoffer wordt. Sent pleit dus terecht voor een wettelijke verplichting.

Kortom: de plicht van Burgers om bij te dragen aan de samenleving, is bepaald niet onomstreden. Is ‘de gemeenschap’ wel een door de samenleving gedragen idee? Vinden mensen eigenlijk wel dat het een uitgemaakte zaak is dat ze moeten bijdragen aan de samenleving? En, als ze dat niet vinden, is dat dan te rechtvaardigen?

Ongemeenschappelijk

Het is maar de vraag of er wel een eenvoudig antwoord op die vragen bestaat.

Wat is eigenlijk verplicht zijn? Dat is leven met een ‘last’, dat wil zeggen de opdracht rechtshandelingen te stellen, ofwel de opdracht gedrag te tonen, ook als dat niet gewild wordt. Vadertje staat die vindt wat goed voor u is en u dwingt dat ook te doen. Kant (bd 6, pg 82, vertaling MvdO) zegt daar iets behartenswaardigs over:

Een regering, die op het principe van de welwillendheid tegen het volk als een vader tegenover zijn kinderen opgericht zou zijn, d.i. een vaderlijke regering (imperium paternale), waar dus de onderdanen zijn als onmondige kinderen, die niet onderscheiden kunnen wat voor hen echt nuttig of juist echt schadelijk is, en die enkel uitgenodigd worden zich passief te verdragen, om, hoe ze gelukkig zouden moeten zijn zuiver van het oordeel van het staatshoofd, en, als deze dat ook zou willen, enkel van zijn goedheid te verwachten, is het grootst denkbare despotisme.

Voor de goede verstaander: de acties van een burger moeten niet voortvloeien uit de wil van de staat, maar door hemzelf gewild zijn. Maar moeten ze daarom niet de gemeenschap dienen? Kunnen wij ons als mensen eigenlijk permitteren ongemeenschappelijk te zijn; oftewel is de gemeenschap eigenlijk wel een misbaar onderdeel van onszelf?

Huxley, Orwell, Ray Bradburry, scheppers van Brave New World,1984 en Fahrenheit 451, verketterden uitgebreid de dwingende staat. Big Brother is een schrikbeeld waaraan wij allemaal hebben bijgedragen als een te verafschuwen situatie. Maar als de staat niet dwingt, hoe komen we dan tot zorg voor elkaar, zoals Plato die in zijn tijd heeft verkondigd?

Minder romantische noties overheersten de staten van nazi’s, fascisten en Sovjets: alles voor de gemeenschap, waarin de rol van het individu als individu geheel werd opgedoekt

Er zijn wat pogingen ondernomen in de negentiende en twintigste eeuw om het zichzelf aantrekkelijk maken van de gemeenschappelijkheid te stimuleren. Thoreau schiep zijn Walden om te bewijzen dat ook in isolatie en door zelfvertrouwen de mensen in self-reliance (op zichzelf bouwen) konden overleven als gemeenschap. Frederik van Eeden deed Walden als gemeenschap na in Nederland met het idee dat de natuurlijke gemeenschap de oervorm van ons bestaan was.

Ayn Rand geloofde in een gemeenschap van puur egoïstische individuen die toch kon bestaan. Minder romantische noties overheersten de staten van Nazi’s, Fascisten en Sovjets: alles voor de gemeenschap, waarin de rol van het individu als individu geheel werd opgedoekt. We zijn niet vrolijk geworden van de resultaten van al deze pogingen tot gemeenschappelijkheid.

Vrije wil

Onderwerping aan de gemeenschap lijkt niet de goede oplossing; paternalisme (zie Kant) is geen aanmoediging. Maar de vrije wil schiet nu, als het om het gemeenschappelijk belang gaat, tekort. Gemeenschapsvoorzieningen komen in toenemende mate op de tocht te staan, doordat steeds grotere groepen zich vrij voelen niet mee te dragen. Zonder de onderlinge solidariteit vervalt de gemeenschap tot gruis, en verkommert de vrede tot oorlog van allen tegen allen.

Uiteindelijk is er geen andere modus denkbaar dan een gemeenschappelijke wil die we niet als verplichtend voelen, omdat we die onszelf hebben opgelegd. En die wil zal alleen ontstaan als we de gemeenschap voelen als een deel van onszelf, zodat we die niet als een lot over ons heen hebben gekregen maar die zelf gekozen hebben.

Erkennen de Belgische gerechtelijke instanties, met die motivering van het beëindigen van de nationaliteit van Belkacem, dat participatie in de gemeenschap der Belgen een kwestie is van de wil om bij te dragen aan de verplichtingen?

En dan nu Belkacem. Die koos kennelijk niet voor het ondersteunen van de gemeenschap, zo zegt het vonnis, en het Parket-Generaal zegt daarbovenop dat hij dat wel had moeten doen. Waar we dus enerzijds vinden dat dwang betekent een afglijden naar Big Brother of Kants paternalisme, zeggen we anderzijds dat de bijdrage aan de gemeenschap door de wil van de burgers gedragen moet worden. Maar als het om Belkacem gaat, wordt die enige optie voor een democratisch land verbroken en wordt het bijdragen toch een plicht, en gaan wij ons tegenover Belkacem gedragen als Big Brother, dan wel als despotisch paternalist.

Dat voelt toch niet lekker!

Is het dan niet eigenlijk zo dat de Belgische gerechtelijke instanties daarmee, met die motivering van het beëindigen van de nationaliteit van Belkacem, erkennen dat participatie in de gemeenschap der Belgen een kwestie is van de wil om bij te dragen aan de verplichtingen? Of, verder gaand, is het dan eigenlijk zo dat je alleen lid van de gemeenschap kunt zijn, als je deelt in de wil van de gemeenschap en dus door dat delen in de wil ook daardoor verplicht bent?

Wilsgemeenschap der Belgen

Dat zou grote gevolgen hebben. Als we aannemen dat iemand alleen lid van de gemeenschap kan zijn door dat te willen zijn, vervallen alle andere gronden voor nationaliteit. Kinderen zouden dan bijvoorbeeld na hun middelbare school een soort motivatieproef dienen af te leggen: ‘deel jij wel de waarden van onze gemeenschap, en ben je dan ook wel bereid om die met daden te steunen en lasten op je te nemen?’.

En immigranten, ongeacht of die op de vlucht zijn of alleen economisch komen shoppen, zouden bij binnenkomst al moeten getuigen van hun wil deel te nemen in de wilsgemeenschap der Belgen. Dat is Belkacem allemaal zeker nooit gevraagd, en ik betwijfel zeer of hij dat dan wel gewild zou hebben, en ik betwijfel dus ook zeer of je hem daartoe achteraf kunt verplichten.

Maar los van dat laatste is het dus de vraag hoe wij met die morele verplichtheid aan de gemeenschap moeten omgaan. Zonder de morele onderschrijving van onze gemeenschap kan die niet bestaan, maar met de morele onderschrijving sluiten we wellicht mensen uit. Dus is het beslissend hoe we onze gemeenschap definiëren.

Het verdragen en aanvaarden van de ander is een basiselement van onze cultuur

Het is een wilsgemeenschap, dat weten we nu. Maar wat willen we? Gemeenschap zijn op raciale gronden willen we niet, op gronden van afstamming en grond (Blut und Boden) is ook zacht uitgedrukt niet eerbaar. Op grond van cultuur een gemeenschap willen zijn, doet ons belanden in het kamp van de neo-nationalisten; in hen schuilt wel een element van waarde, want zij erkennen de facto dat het de gemeenschappelijke cultuur moet zijn ‘die ons verenigt’. Maar dan gaat het wel gevaarlijk worden, want in een multi-culti-samenleving zijn er nu eenmaal ook culturele trekken die ons scheiden, en waar we toch mee willen en kunnen samenleven.

Als we eenmaal erkennen dat we in een modern Europa een gemeenschappelijke multiculturele cultuur willen, dan maakt die wil deel uit van onze gemeenschapsmoraal; het verdragen en aanvaarden van de ander is een basiselement van onze cultuur. Kees Boeke schreef daarom al in 1938:

Opent de grenzen, open ze wijd
Holland sta open voor alles wat lijdt
Zo is het vroeger altijd geweest
Zo is van oudsher de Hollandse geest

Als nu eens Jezus stond aan de grens
Zonder papieren, alleen maar een mens,
Zoudt gij hem zeggen: ‘word maar gedood.
Gij zijt een vreemdeling, een vluchteling, een jood?’

Het is deze cultuur die onze gemeenschap onderbouwt, onze wilsgemeenschap is, en dus moet, fundamenteel gesproken, Belkacem aanvaard worden als hij zichzelf binnen die wilsgemeenschap plaatst, net zoals dat voor eenieder ander geldt en door het grondwetsprincipe van de gelijkheid voor de wet vereist wordt.

De enige wijze waarop het Antwerpse Parket-Generaal haar vonnis kan rechtvaardigen, is door te bewijzen dat Belkacem zich bewust buiten die wilsgemeenschap plaatst, en niet doordat hij zich niet aan verplichtingen heeft gehouden waaraan in België waarschijnlijk honderdduizenden zich in meer of mindere mate niet houden.

Alleen de vrijwillig opgenomen last verplicht, en die last wordt vrijwillig door de deelname aan de gemeenschap. Als bewezen wordt dat Belkacem zichzelf buiten de wilsgemeenschap van de Europese cultuur plaatst en daar ook niet bij wil horen, dan is hij geen Europese nationaliteit waardig. Maar het ontbreken van het geven van cadeaus aan burgemeester de Wever is geen reden om hem zijn nationaliteit te ontnemen.

Lees hier het volledige vonnis van het Antwerpse Parket-Generaal:

Belkacem, vonnis by Apache.be on Scribd

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Auteur: Maarten van den Oever

Maarten van den Oever is schrijver-cultuurcriticus en uitgever. Hij is voorzitter van de stichting Dubitatio Liberat.