Meer macht aan de verbeelding

 Leestijd: 5 minuten0

Economie is meer dan enkel de economie. Heel wat menselijke interacties zijn een vorm van handel drijven: we geven iets op, en krijgen iets in ruil. Telkens wanneer we zoiets doen wordt er een afweging gemaakt.

Wanneer we dat bewust doen, kunnen we meestal onze keuze rechtvaardigen aan de hand van het redeneren over wat we winnen en opofferen, zelfs als we met beperkte informatie moeten werken, en als we niet alle mogelijke consequenties kunnen uitrekenen. We maken natuurlijk ook onbewuste keuzes – uit gewoonte, of omdat we simpele vuistregels toepassen, bijvoorbeeld. De afwegingen bij zulke keuzes bestaan natuurlijk nog steeds, maar ze weerspiegelen niet noodzakelijk een uitdrukkelijke voorkeur, wat economen die bij gebleken voorkeuren zweren ook mogen beweren.

Niet genoeg geredeneerd

Een opmerkelijk voorbeeld vinden we in een studie van Shaun Larcom, een econoom aan de universiteit van Cambridge, en collega’s, die de reiswegen van Londense pendelaars onderzocht. Zij stelden vast dat een tweedaagse staking bij de ondergrondse bij zo’n 5% van de reizigers een blijvende verandering van route teweegbracht. Een mogelijke verklaring voor de inefficiënte originele reisweg is volgens de auteurs het feit dat de kaart van de Tube vaak een inaccuraat beeld geeft van de werkelijke afstanden: het effect was groter daar waar de vervorming meer extreem is. Pendelaars ‘kiezen’ een route aan de hand van de kaart, en blijven dan bij die gewoonte, zonder ooit na te gaan of die optimaal is. Pas toen ze werden gedwongen een alternatief te proberen, ontdekten sommigen onder hen een betere keuze.

Maar redeneren – of de schijn ervan – is niet noodzakelijk een bewijs van evenwichtig beraad over de kosten en baten. De sage van Faust beschrijft de economische transactie tussen de protagonist en de duivel, waarin Faust zijn onsterfelijke ziel verkoopt in ruil voor onbeperkte kennis en wereldlijk genot. Dat doet hij niet in een plotse opwelling, maar desondanks schildert het verhaal hem af als iemand die wordt gedreven door korte-termijn voordelen, en die de langere-termijn – eeuwigdurende, zelfs – kosten van de overeenkomst verwaarloost.

Niet alle beslissingen vereisen een brandend platform (foto: via Wikipedia)

We hebben natuurlijk niet altijd de luxe om geduldig alle mogelijkheden te beschouwen en de plus- en minpunten netjes af te wegen. In organisatieverandering hoor je wel eens de term brandend platform, die verwijst naar de dwingende reden die er moet zijn om iets bepaalds (anders) te gaan doen. De oorsprong ervan ligt bij de Piper Alpha-explosie in juli 1988. Wanneer het boorplatform achter je in lichterlaaie staat, dan sta je niet stil bij hoe lang je kunt overleven in het koude Noordzeewater, vijftien verdiepingen lager. Wanneer een beslissing werkelijk een kwestie van leven of dood is, dan neemt je denksysteem 1 terecht over. Dan spring je.

Misbruik van ons Systeem 1?

Maar we zijn ook niet slecht in het mobiliseren van ons Systeem 1 wanneer de vraag waarvoor we staan niet over ons onmiddellijke overleven gaat. Als we iets te allen prijze willen verzekeren (of vermijden), dan handelen we alsof het om leven en dood gaat. We schakelen onze intuïtieve mechanismen in, die ons prima dienen wanneer ons leven of dat van de onzen bedreigd wordt – terwijl er hoegenaamd niet zo’n bedreiging bestaat.

Als we iets te allen prijze willen verzekeren (of vermijden), dan handelen we alsof het om leven en dood gaat

Soms kan een specifieke keuze ons redeneervermogen zodanig gaan domineren dat ze onvoorwaardelijk moet worden opgevolgd. We denken dan misschien wel dat we nog aan het redeneren zijn, maar dat maken we onszelf vaak gewoon wijs. Op kleine schaal kunnen hunkeringen zoiets veroorzaken.

We weten wel dat we best niet een derde zak chips zouden openen en naar binnen spelen, of nog een groot glas pinot noir inschenken, omdat we het ons morgen gaan beklagen – wanneer we op de weegschaal stappen, of met het pijnlijke vuurwerk van een kater te maken hebben. En toch, op dat moment is dat het belangrijkste, en moet het gebeuren koste wat het kost – en daarbij redeneren we dan dat de extra chips of het extra glas wijn helemaal niet zo’n verschil zullen maken.

Op grotere schaal vinden we onderwerpen zoals – de onvermijdelijke – Brexit. Maar laten we voor een keer niet naar de pro’s en contra’s kijken van het verlaten van, of het blijven in de EU, en zelfs niet naar de inhoud van het fameuze voorakkoord – de bindende overeenkomst die bepaalt hoe de echtscheiding tussen het VK en de EU na 45 jaar huwelijk zal plaatsvinden. Laten we een blik werpen naar de politiek in het Lagerhuis, de tweede kamer van het Britse parlement.

Toen premier Theresa May onverwacht haar meerderheid verloor tijdens de vervroegde verkiezingen die ze had uitgeschreven in mei 2017, had ze steun nodig van buiten haar partij om een minderheidsregering te vormen. Die vond ze bij de Democratisch Unionisten van de DUP, een partij die ernaar streeft Noord-Ierland in het VK te houden, tegen de langzame maar zekere tendens naar een verenigd Ierland. Bij het betekenen van het akkoord zei de DUP: “Het alternatief [voor een Conservatieve regering] is onduldbaar. Zolang Corbyn de Labourleider is, zullen we er voor zorgen dat er een Tory-eerste minister is.”

Nu komt die overeenkomst in gevaar. De DUP, met amper 10 parlementsleden, was erin geslaagd belangrijke toegevingen te verkrijgen van de regering in ruil voor hun steun. Maar nu weigeren ze de scheidingsovereenkomst goed te keuren, omwille van de beruchte backstop rond de grens tussen Ierland en Noord-Ierland. Daardoor ondermijnen ze niet enkel de onevenredig grote invloed die ze hebben op het beleid, maar riskeren ze ook nieuwe verkiezingen. En die zouden wel eens in een regering onder Corbyn kunnen resulteren – iets wat ze nauwelijks een jaar geleden als ‘onduldbaar’ beschouwden.

Aan de overkant vinden we Labour, dat onder Corbyn een verenigd Ierland voorstaat, en zich dus diametraal tegenover de DUP bevindt. Nochtans verklaarde Diane Abbott, de schaduwminister van Binnenlandse Zaken, vorige week in een radio-interview: “We zijn het niet eens met de DUP rond de vragen waar het om gaat, maar in deze turbulente tijden in het parlement kun je niets uitsluiten. De mensen in [Abbotts kiesdistrict] Hackney hebben me verkozen om de Tory’s buiten te gooien, en als het erom gaat deze Toryregering te laten vallen, dan moet je doen wat nodig is.” Misschien niet helemaal een pact met de duivel, maar het komt toch in de buurt.

Nochtans is het niet helemaal correct deze twee gevallen van intense focus op een enkele kwestie toe te schrijven aan de dominantie van Systeem 1. Er wordt hier wel degelijk geredeneerd. Maar wat we hier wellicht waarnemen is dat men nalaat zich de consequenties van alle opties ten volle in te beelden.

1, 2 en 3

Om goede beslissingen te nemen moeten we immers in staat zijn ons de wereld in de toekomst voor te stellen. Ons Systeem 1 kan een snelle, zij het wat onnauwkeurige, beoordeling van een toekomstige toestand leveren, en ons Systeem 2 kan ons na wat tijd een meer weloverwogen inschatting geven – maar beide hebben iets nodig om mee te werken. Dit is wat Leigh Caldwell, een cognitieve- en gedragseconoom, Systeem 3 noemt. En er bestaat zowel neurologisch als psychologisch bewijsmateriaal voor zo een derde, afzonderlijke mentaal proces.

Misschien is dat Systeem 3, zoals Leigh beargumenteert, in staat autonoom beslissingen te maken naast Systemen 1 en 2. Een andere mogelijkheid is dat de drie cognitieve systemen samenwerken naar een soort consensus – waarbij soms maar één of twee ervan actief meewerken. Welk model je echter ook beschouwt (en we moeten er ons van bewust blijven dat de drie systemen deel zijn van een model, en niet de werkelijkheid), een ding is zeker. Als we geen goed gedetailleerd beeld hebben van de mogelijke uitkomsten van een beslissing, dan kunnen we enkel werken met de huidige informatie, en die is niet altijd een goede predictor van de toekomst.

Een kortere weg naar het werk: een kwestie van wat verbeelding?

We gebruiken dat Systeem 3 niet altijd zoveel als we het zouden kunnen. Het vergt inspanning, en het kan leiden tot cognitieve spanning – we zeggen wel dat we ons iets “niet kunnen inbeelden”, maar wat we daarmee vaak bedoelen is dat we het ons niet willen inbeelden. Dus reageert ons Systeem 1 op de onmiddellijke situatie, en/of berekent ons Systeem 2 de kosten en baten van de opties zoals we ze hier en nu zien. Met meer input van ons Systeem 3 zouden we niet enkel de eindresultaten, maar ook de manier waarop ze kunnen worden bereikt, beter kunnen beoordelen.

Of het gaat om een snellere manier op ons werk te komen, of om een verstrekkende politieke keuze, we zouden wel eens beter af kunnen zijn als we meer macht geven aan onze verbeelding.

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Auteur: Koen Smets

Koen Smets is een deskundige op het gebied van organisatie-ontwikkeling, met een fascinatie voor menselijk gedrag op de grens tussen het rationele en het irrationele. Hij is op Twitter als @koenfucius.