De nepstrijd tegen het nepnieuws

 Leestijd: 8 minuten1

Het tijdperk is “post-truth” en de locatie het internet. Het nieuwe gevaar is niet meer geel, maar weer rood: nepnieuws. Medeverantwoordelijk voor de verkiezing van Trump. De snelweg naar Brexit. Zelfs de Belgische verkiezingen zijn niet veilig. Het is een bedreiging van ongeziene grootte voor onze democratie die met alle middelen moet worden bestreden.

Gelukkig hebben we de Europese Commissie nog. Wetten worden geleidelijk vervangen door gebruiksvoorwaarden, en rechtbanken door reclamebureaus. Die laatsten krijgen tips van Europol en mediabedrijven wanneer gebruikers hun regels overtreden. Er is geen probleem met een gebrek aan eerlijke processen, want processen zijn niet meer nodig. Vooruitgang wordt enkel afgemeten aan hoe veel en hoe snel online inhoud wordt verwijderd. De Commissie houdt de druk op de ketel met een spervuur aan communicaties, convenanten, persmededelingen en voorstellen tot richtlijn, en ziet dat het goed is.

Jammer genoeg is bovenstaande paragraaf geen poging tot satire. Het enige wat niet klopt, is dat de hype rond nepnieuws niet de oorzaak is van deze evolutie. Ze past er echter wel naadloos in.

Nepnieuws avant la lettre

Charles II “A Proclamation to Restrain the Spreading of False News, and Licentious talking of Matters of State and Government“, 1674. Beeld (c) Folger Shakespeare Library (CC BY-SA 4.0)

Nepnieuws is oud nieuws. In zijn boek “Aandacht is het nieuwe goud” (oorspronkelijk “The Attention Merchants”) linkt Tim Wu het ontstaan ervan aan de opkomst van de tabloids rond 1830. Terwijl de meeste kranten zes cent kostten, betaalde je voor de New York Sun slechts een cent. De al snel massale oplage stond vol gruwelijke details over rechtszaken, en werd hoofdzakelijk gefinancierd door advertenties voor “patentmiddelen” — commerciële geneesmiddelen op basis van kwakzalverij.

Het liedje bij de opkomst van de radio is vrij gelijklopend. RCA, maker van de eerste radio’s, startte het kanaal NBC zodat haar klanten iets zouden hebben om naar te luisteren. Het later opgerichte CBS kaapte echter al snel het gros van de luisteraars weg met licht verteerbare programmering, gekoppeld aan een expansief franchisemodel waarbij lokale stations konden delen in de advertentie-inkomsten. Ook de televisie valt in de herhaling, met Fox News dat erin slaagt een breed publiek aan te boren dat voordien nog maar weinig aan tv-advertenties was blootgesteld.

Opgeklopte verhalen, halve waarheden, en sensationele koppen zijn beproefde methodes van mediabedrijven om meer advertenties te verkopen. Op het internet levert elke klik op “Vijf tips die u niet zal geloven” ook de advertentiemakelaars geld op. Ze verdienen echter even goed aan bezoekers van “Hillary’s geheime concentratiekampen”. In die zin is de verspreiding van nepnieuws via Facebook en Google altijd een natuurlijk onderdeel van hun businessmodel geweest.

De dokter is traag en duur

Wanneer het gaat om desinformatie over een persoon, hebben we wetgeving tegen laster om hier mee om te gaan. Voor specifieke historische gebeurtenissen, zoals de holocaust, bestaan wetten die het ontkennen ervan strafbaar maken. Bepaalde andere foute informatie verspreiden, is dan weer niet strafbaar, zoals beweren dat de aarde plat is.

Het is steeds balanceren op een slappe koord bij dergelijke wetgeving, gezien de spanning met het recht op vrije meningsuiting en de persvrijheid. Deze afwegingen zijn vaak niet evident, en in principe beslist de rechterlijke macht per geval of censuur noodzakelijk is. Deze webstek heeft daar uitgebreid ervaring mee.

Het gerecht is echter overbelast, geld om erin te investeren is er niet, en de hoeveelheid bagger op het internet is gigantisch. Bijgevolg is men naarstig op zoek naar alternatieven.

Dan maar zelfmedicatie

Teneinde de rechtbanken te ontlasten, zet men op Europees niveau steeds meer in op administratieve maatregelen en zelfregulatie om ongewenste online inhoud te weren.

Zo introduceerde artikel 25 van de Richtlijn ter bestrijding van de seksuele uitbuiting van kinderen uit 2011 voor het eerst blokkeringslijsten voor websites op Europees niveau. Het doel was sites gerelateerd aan seksuele uitbuiting van kinderen onbereikbaar maken, indien men er niet in slaagde ze af te sluiten of de criminelen erachter te arresteren.

De herziene Richtlijn audiovisuele mediadiensten (AVMS) uit 2010, oorspronkelijk bedoeld voor tv-stations en mediabedrijven, werd uiteindelijk uitgebreid zodat diensten als YouTube er ook gedeeltelijk onder vallen. Ze verplicht sites waar videofragmenten kunnen worden gedeeld (en enkel die sites) op te treden tegen, o.a., haatzaaierij. Momenteel loopt een procedure om dit verder uit te breiden.

Deze strijd werd verder opgevoerd met een Gedragscode voor het tegengaan van online illegale haatzaaierij. De huidige Europese Commissie sloot deze af in mei 2016 met Facebook, Microsoft, Twitter en YouTube. De bedrijven gaan akkoord om het voortouw te nemen in het aanpakken van dit ongewenst gedrag.

De Europolverordening, eveneens van mei 2016, gaat hand in hand met de voorgaande gedragscode. Deze formaliseerde Europol’s “Internet Referral Unit” (IRU) in artikel 4(m). Europol doet zelf niet aan ordehandhaving. Bijgevolg kan de IRU ongewenste inhoud enkel rapporteren bij de online platformen. Die worden vervolgens aangemoedigd tot het “vrijwillig nagaan of deze internetcontent in overeenstemming is met hun eigen voorwaarden”, ongeacht de legaliteit.

De communicatie van de Europese Commissie rond De bestrijding van illegale online-inhoud uit 2017 focuste vervolgens op hoe online platformen gerapporteerde inhoud zo snel mogelijk kunnen verwijderen. Een speerpunt is het opstellen van lijsten van “betrouwbare flaggers” (sic). Hun meldingen over bepaalde onderwerpen worden verondersteld correct te zijn, zodat platformen minder controles moeten uitvoeren alvorens over te gaan tot verwijdering.

De voorlopig weggestemde Richtlijn over het auteursrecht stelde aanbieders van sites waarop filmpjes kunnen worden gedeeld zelfs aansprakelijk voor inbreuken op het auteursrecht door hun gebruikers, zowel direct als indirect. Hierdoor zouden ze preventief moeten gaan filteren bij het opladen. In september hervatten de onderhandelingen tussen de Europese instellingen.

Het nepnieuws kwam aan bod in het werkdocument Online desinformatie aanpakken: een Europese benadering van september 2017, met zelfregulering op de eerste plaats. Het eindrapport van de door de Commissie in het leven geroepen “High Level Working Group on Fake News and Online Disinformation” stelt voor dat een coalitie van onder andere journalisten, advertentiebureaus, en fact checkers een gedragscode moeten opstellen waar iedereen zich vrijwillig aan zou houden. Tot slot spreekt het verslag uit april 2018 van de online bevraging over nepnieuws (georganiseerd door de Commissie) eveneens over een duidelijke voorkeur van de ondervraagden voor zelfregulering.

Opvolging van de symptomen

De Belgische lijst van geblokkeerde sites bevatte oorspronkelijk enkel kinderpornosites, maar ondertussen zijn daar onder andere niet vergunde goksites en racistische/extremistische sites bijgekomen. Naast de terechte bezorgdheid om overheidscensuur en het gebrek aan wederhoor voor de maatregel ingaat, werd bij de invoering ook gevreesd dat men door sites te blokkeren het probleem enkel verbergt en er dus minder druk is om het ten gronde aan te pakken. Tevens bestaat de kans dat een blokkering de eigenaars waarschuwt en zo lopende of toekomstige onderzoeken hypothekeert. Deze vorm van blokkeren is bovendien triviaal te omzeilen.

Eind 2016 –een jaar te laat– publiceerde de Europese Commissie haar eerste evaluatie van de richtlijn tegen seksuele uitbuiting van kinderen. Er was een afzonderlijk rapport over de blokkeringslijsten, maar dat bevatte geen informatie over de effectiviteit noch over neveneffecten. Het Europees Parlement nam een vernietigende resolutie aan waarin het sterk “betreurt” dat er geen enkele statistische informatie is over blokkeringen, het neerhalen van websites, of over problemen die politionele diensten hebben ondervonden vanwege gewiste of verdwenen informatie. Het vroeg de Europese Commissie om haar huiswerk beter te doen in de toekomst.

De Europese Commissie lijkt voorlopig echter gewoon verder te gaan op de ingeslagen weg. In januari 2018, vier maanden na haar communicatie over het aanpakken van illegale online-inhoud, kwam ze naar buiten met een persmededeling die opriep tot “meer inspanningen en snellere voortgang” op dit vlak, zonder evaluatie van wat reeds was gebeurd. Het oorspronkelijke document bevatte bovendien geen concrete doelstellingen, dus de vraag rijst meer en sneller dan wat. In maart 2018 volgde een aanbeveling van diezelfde Europese Commissie waarin iedereen, behalve de Commissie en de lidstaten zelf, wordt opgeroepen om een tandje bij te steken in de strijd. Ze wil nu in september 2018 een richtlijn lanceren rond dit onderwerp, ongetwijfeld met een verplichting om nog meer en sneller te werk te gaan.

Doorverwijzing naar de ziekteverspreider

Als beginsel hebben online platformen het recht om, binnen het wetgevend kader, gebruiksvoorwaarden op te leggen en deze af te dwingen. Wat nu gebeurt, gaat echter een stuk verder.

Systematisch worden meer en meer beslissingen over wat illegaal is uitbesteed aan online platformen. Vervolgens worden convenanten tussen overheden en deze platformen afgesloten om ook niet-illegale inhoud te verwijderen. De publieke middelen en het gezag van Europol worden ingezet om dergelijke inhoud op te sporen en te rapporteren. Ten slotte wordt de platformen aangeraden om meldingen van bepaalde groepen minder te controleren, en zijn er nu en dan pogingen om platformen zelf aansprakelijk te stellen voor het gedrag van hun gebruikers. Dit zou hen uiteraard enkel meer geneigd maken om controversiële inhoud preventief te wissen. Het volgende ophefmakende artikel van Apache zou u dan misschien niet meer op Facebook of Twitter terugvinden.

Wanneer een overheid maatregelen neemt, worden deze steeds getoetst aan het Europees Handvest. De proportionaliteit, doelmatigheid en subsidiariteit moeten gerespecteerd worden in het licht van fundamentele grondrechten zoals het recht op vrije meningsuiting, geen arbitraire toepassing van wetten, en het recht op een eerlijk proces. Bepaalde categorieën van ongewenst gedrag niet direct vervolgen of zelfs niet illegaal maken, maar in plaats daarvan online platformen “aanmoedigen” er actie tegen te ondernemen, ondergraaft deze fundamenten van onze rechtsstaat op weinig subtiele wijze.

Die online platformen zijn bovendien geen willekeurige bedrijven. Zoals de oprichters van Google schreven in hun oorspronkelijk academisch artikel over de zoekmachine:

Eén van de eerste resultaten van onze prototype-zoekmachine voor “mobiele telefoon” is “Het effect van mobiele telefoons op de aandacht van bestuurders” [..] Het is duidelijke dat een zoekmachine die geld aanneemt voor mobiele-telefoonadvertenties moeilijk een dergelijk resultaat zou kunnen rechtvaardigen tegenover zijn adverteerders. Vanwege deze reden en ervaringen uit het verleden met andere media, verwachten we dat zoekmachines gefinancierd via advertenties inherent de adverteerders zullen bevoordelen in plaats van de belangen van de consumenten.

Ondertussen is Google een van de grootste reclamebedrijven ter wereld. Ook Facebook en Twitter halen het gros van hun inkomsten uit de verkoop van advertenties. Als de Commissie de vraag zou stellen of we het handhaven van onze grondrechten niet beter zouden uitbesteden aan reclamebedrijven, zou je wellicht een heel andere respons krijgen dan bij de zoveelste holle aankondiging over hoe internetplatformen illegale online content sneller en grondiger moeten aanpakken.

Een moeilijke diagnose

Als we specifiek naar nepnieuws kijken, zijn er nog twee extra problemen: geen definitie en zeer weinig studies erover in zijn huidige vorm. Zelfs de publieke consultatie over nepnieuws van de Europese Commissie zaaide verwarring door haatzaaierij, terrorisme en kindermisbruik als voorbeelden van “reeds illegaal nepnieuws” te geven. Geen van die termen verwijst echter naar iets dat noodzakelijk nep dan wel nieuws is. Dat maakt het moeilijk om conclusies te trekken uit de antwoorden, want je weet niet waarover de respondenten het juist hebben. Er zijn gelijkaardige problemen met de Eurobarometer over dit onderwerp.

Dat wil niet zeggen dat er geen informatie beschikbaar is. De Duitse NGO Stiftung Neue Verantwortung heeft een experiment uitgevoerd door zelf vals nieuws via aangekochte Twitter-volgers te verspreiden, en kwam tot een aantal interessante conclusies:

  • Nepnieuws is zoals “memes”: de essentie is niet het bestaan ervan, maar wel hoe goed ze worden opgepikt. Dit wil zeggen dat zelfs als je de bron van een populair stuk nepnieuws blokkeert, het nog steeds zal worden verspreid;
  • Nepnieuws wordt meestal verspreid door sterk gelinkte gebruikers, terwijl de ontkrachting ervan gebeurt door een veel gevarieerder publiek. Mensen met een gelijkaardig gedachtegoed delen dus hetzelfde nepnieuws, maar het grote publiek lijkt er op het eerste zicht minder door beïnvloed.

Een analyse door de Poolse NGO Panoptykon betreffende het artificieel opdrijven van de populariteit van Twitter-berichten over Poolse politiek kwam tot vaststellingen die hierbij aansluiten:

  • Je hebt bubbels van mensen die weinig met elkaar interageren. In elke bubbel heb je invloedrijke personen die over hetzelfde onderwerp praten, maar die mensen discussiëren zelden of nooit met elkaar;
  • Prominente figuren en gevestigde organisaties, en niet robots (valse accounts), sturen de discussies. Robots kunnen gebruikt worden om invloed uit te breiden, maar creëren of veranderen op zich geen trends;
  • Het is vrijwel onmogelijk om robots te onderscheiden van professionele accounts door enkel naar hun netwerk of activiteit te kijken. Het is dus zeer moeilijk om automatisch dergelijke accounts te identificeren voor studies of om ze te blokkeren.

Dit zijn slechts kleinschalige studies en je moet dus opletten met er algemene conclusies uit te trekken. Ze beweren zeker niet dat nepnieuws geen invloed heeft, of dat we het gewoon moeten negeren. Ze bevatten daarentegen wel meer concrete informatie dan alle pagina’s die de Europese Commissie reeds heeft gepubliceerd over dit onderwerp.

Wat dan te doen? Er zijn geen wondermiddeltjes, maar wel een paar interessante voorbeelden uit het verleden. In 1905 kwam er een ware opstand tegen patentmiddelen nadat onderzoeksjournalisten de gevaren ervan hadden blootgelegd. Enkele spelprogramma’s op commerciële tv-stations moesten het op hun beurt ontgelden in de jaren 1950, toen bleek dat de meest telegenieke kandidaten steeds wonnen ter wille van de kijkcijfers. Inkomsten die de inhoud sturen is van alle tijden. Onafhankelijke media moeten bijgevolg een belangrijk onderdeel van de aanpak vormen.

De remedie en de kwaal

Het spectaculaire falen van het politieke establishment in zowel de VS en het VK kon onmogelijk aan hen zelf hebben gelegen, dus was een andere verklaring nodig. Vergeet de heisa indertijd over Obama’s geboortecertificaat of zijn veronderstelde geheime moslimagenda, David Camerons wanhoopsgok om aan de macht te blijven en de resulterende publieke afkeer, en de traditie van tabloids en hun verzonnen verhalen in het VK. Dit is iets totaal anders. Overgiet alles met een sausje van online gevaren en presenteer jezelf als de digitale ridder op het witte paard die orde op zaken komt stellen. Of beter gezegd, die de grootverdieners aan sensatie en clickbait (waaronder nepnieuws) opdraagt om orde op zaken te stellen.

Bovenstaande is wat kort door de bocht, maar het is ongelofelijk hoe deze Europese Commissie zonder verpinken de Facebooks en Googles van deze wereld tot hoeders van de Europese grondrechten bombardeert. De democratie en rechtstaat beschermen is geen businessmodel. Het is een roeping. Eentje die weinigen aan Mark Zuckerberg zullen toeschrijven.

Aanvulling (18/07):

De Belgische lijst van geblokkeerde sites bevatte oorspronkelijk enkel kinderpornosites, maar ondertussen zijn er ook niet vergunde goksites en plaatsen waar je illegaal films kan downloaden aan toegevoegd.

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Auteur: Jonas Maebe

Jonas Maebe is waarnemer bij European Digital Rights (EDRI), een vereniging van NGOs die rechten en vrijheden in de digitale wereld verdedigt.