Het ongelooflijke krimpende geld

 Leestijd: 5 minuten1

Als u gisteren een auto kocht voor 1000 euro en hem vandaag weer verkocht voor 1200 euro, hebt u dan winst gemaakt? Jazeker, zult u zeggen: 1200 is meer dan 1000, dus u bent natuurlijk 200 euro rijker. Maar wat als u de auto niet gisteren, maar tien jaar geleden had gekocht? Het verschil is nog steeds 200 euro, maar is dat dan ook echt uw winst?

Het potentiële probleem hier is inflatie: het proces volgens het welke geld ‘minder waard wordt’ over de tijd. Geld, zo zeggen de cursussen economie, is een ‘ruilmiddel, een oppotmiddel en een rekeneenheid.’

Maar geldontwaarding maakt die laatste functie toch wat lastig. Beeld u in dat lengtematen ook slonken over de jaren heen, net als geld. Uw kleinkinderen komen op bezoek, en mopperen over de lange wandeling van wel vijf kilometer van de bushalte naar uw deur, en u vertelt ze dan dat, toen hun mama nog een klein meisje was, die afstand amper vijfhonderd meter was.

Het ongelooflijke krimpende geld

We weten best dat fysische maten hun waarde behouden, en geld niet. Of toch niet? In 1928 schreef de econoom Irving Fisher een klein boekje met de titel The Money Illusion (de geldillusie), waarin hij opmerkte dat er in die naoorlogse dagen slechts weinigen waren die goed beseften dat hun toenmalige dollar slechts 70 centen waard was van het vooroorlogse equivalent.

Inflatie: een kleiner gat, of een grotere donut? En wat met de prijs? Foto via Twitter

Men dacht over geld in nominale termen, het getal dat op het muntstuk of het bankbiljet staat, en zag over het hoofd dat “de dollar, of om het even welke andere munteenheid, uitzet, of in waarde krimpt.”

Twee financiële gedragseconomen, de latere Nobel-laureaat Robert Shiller en George Akerlof, wijden een heel hoofdstuk aan de geldillusie in hun boek over de belangrijke rol van de menselijke psychologie in de economie, Animal Spirits.

We weten nu weliswaar beter dan 100 jaar geleden dat geld, in tegenstelling tot een stoel of een tafel, zijn waarde slecht behoudt. Maar, zeggen de auteurs, zo groot is dat besef nu ook weer niet.

In vele landen (België is daarop een zeldzame uitzondering) bevatten arbeidscontracten bijvoorbeeld geen automatische aanpassing van het loon aan de inflatie. Hetzelfde geldt voor schulden: de hoofdsom van een hypotheeklening wordt uitgedrukt in geld van het verleden, niet het heden.

Twee andere toekomstige Nobelprijswinnaars economie, Daniel Kahneman en Richard Thaler, hadden samen met Jack Knetsch ook al iets dergelijks vastgesteld in een paper uit 1986.

Via een peiling bij huishoudens onderzochten ze onder meer wat de bevolking als fair en onfair beschouwde. Ze vroegen bijvoorbeeld of een firma die, in periode van nul-inflatie, de lonen met 7% zou verlagen op een aanvaardbare manier zou handelen.

Neen dus: 68% van de ondervraagden beschouwden dit als onfair. Andere deelnemers kregen een variant op deze vraag: bij een inflatie van 12% (niet zo buitenissig in de jaren 80!), biedt een firma een loonsverhoging aan van 5%.

Is dat fair? 78% van de ondervraagden vonden dat inderdaad redelijk. Nochtans was in beide gevallen de consequentie voor de werknemers in reële termen nagenoeg hetzelfde. Maar dat is niet hoe we dat bekijken, en werknemers zijn wellicht meer tevreden met een opslag van 9% bij 9% inflatie, dan met een stagnerend loon bij nul-inflatie.

We mogen dan al zo’n beetje weten wat inflatie is, maar die geldillusie zijn we dus toch nog niet kwijt. Een spaarrekening die momenteel 1,5% rente oplevert, is niet zo gek, en als je daar 10.000 euro op hebt staan, dan heb je er volgend jaar 10.150.

Dat ziet er niet zo slecht uit, 150 euro is geen triviaal bedrag. Maar bij een inflatie van 2% is de werkelijke waarde van wat op de rekening staat nog slechts 9.950 euro: een verlies van 50 euro, eerder dan een winst van 150.

Het is overigens niet enkel tijd, maar ook ruimte die ons in verwarring kan brengen. We zijn allemaal goed bekend met de munteenheid van ons land, en wanneer we naar het buitenland reizen, zien we vertrouwde goederen en diensten tegen heel verschillende prijzen.

Op mijn eerste reis naar Londen leken zelfs de duurdere platen van £4 goedkoper dan ze thuis kostten (300 BEF), ook al waren ze, tegen de toenmalige koers, zo’n 10% duurder.

Daartegenover herinner ik me dat ik 150.000 lire betaalde (zo’n 80 pond, een kleine 100 euro) voor een overnachting in een lang niet extravagant hotel in Rome ergens rond 1992.  Wisselkoers of niet, het is moeilijk niet te zien dat 4 veel minder is dan 300, en 150.000 veel meer dan 80.

De introductie van de euro in 2002 confronteerde ruim 300 miljoen Europeanen met een dergelijke schok van de ene dag op de andere. Twee onderzoekers, Benjamin Bittschi en Saskia Duppel speurden in de Duitse belastingdossiers naar aanwijzingen voor ongewone veranderingen in de giften aan goede doelen net na de muntwijziging.

En die vonden ze ook: zelfs wanneer rekening werd gehouden met factoren als regionaal BBP en leeftijd, en potentieel vervormende specifieke inzamelingen voor natuurrampen, vonden ze een geldillusieeffect van 2,4% tot 7,6%. Een euro is ongeveer twee mark, en daardoor doneerden de Duitsers in 2002 naar schatting tussen 89 en 281 miljoen euro meer dan ze anders zouden hebben gedaan.

Niet enkel geld

De geldillusie is niet beperkt tot geld, en staat meer algemeen bekend als de nominale illusie. We weten dat we de getallen die we zien verkeerd interpreteren, maar toch laten we ons in de luren leggen. Wanneer ik met de auto rijd op het Europese vasteland ben ik telkens weer aangenaam verrast hoeveel korter 200 km wel is dan 200 mijl. Maar toen ik pas in het VK woonde onderschatte ik systematisch de realiteit van een afstand van 50 mijl (toch zo’n 60% langer dan 50 km).

En er is meer. Econoom Justin Wolfers vroeg onlangs op Twitter om voorbeelden van de nominale illusie, en er zaten toch wel wat pareltjes onder de suggesties.

Eentje die ik zeker niet achterwege mag laten is dat van het moeilijke examen van gedragseconoom Richard Thaler (dat hij beschrijft in zijn boek Misbehaving). Hij had het zo opgesteld dat de gemiddelde score 72/100 zou zijn, maar dat vonden de studenten onaanvaardbaar weinig. Hoe met die onvrede om te gaan?

Thaler had een ingeving: hij verhoogde het totale aantal punten naar 137. 70% van dat totaal werd zo een “vrolijke 96 punten” in nominale termen – tot vreugde van de studenten.

In dezelfde trant vermeldde iemand dat Austan Goolsbee (wellicht niet toevallig ook een econoom) op een keer per ongeluk een examen had opgesteld waarvan de punten samen maar op 90 uitkwamen. Wanneer de studenten hem hierop wezen werd zijn aankondiging dat de hele klas een bonus van 10 punten zou krijgen op applaus onthaald.

Wat is het punt? Foto’s via Pinterest en Pinside.

 

Net als de Zimbabwaanse dollar hebben flipperkasten een punteninflatie ondergaan. De Moonshot machine uit 1969 had slechts vier cijfers nodig om de punten van de spelers weer te geven. In 2016 slaagde een flipperkampioen er echter in een recordscore van 43 miljard punten te behalen op een Ghostbustersflipperkast. Met een score van 9.999 kom je tegenwoordig nergens meer.

Als u niet zo’n flipperaar bent, dan wijs ik u nog even op de getrouwheidspunten. Daarvan is de waarde vaak nog minder dan die van de kleinste munt in omloop. De Britse supermarktketen Sainsbury’s geeft Nectarpunten: voor elk pond dat je spendeert krijg je 1 punt (dus een korting van 0,5%).

Je krijgt wel vaak extra punten voor de aankoop van dit of dat product, en zo verzamel je typisch een 200-tal punten wanneer je hebt afgerekend. Dat klinkt natuurlijk een stuk indrukwekkender dan een pond in cash. Bovendien kun je met zulke weinig waardevolle punten goedkoop spectaculaire ’10 x punten!’- promoties voeren.

De nominale illusie is een intrigerend effect, dat erin slaagt ons te vangen, zelfs wanneer we al te goed weten hoe het ons denken verstoort. Het beste wat we kunnen doen is proberen onszelf nog meer bewust te zijn van het bestaan ervan, en zo bewust mogelijk onze beslissingen te maken.

We kunnen het effect trouwens ook in ons eigen voordeel gebruiken. Sommige mensen zetten bijvoorbeeld hun uurwerk vijf minuten vooruit. Ook al weten ze dat de werkelijke tijd eerder is, toch zet de nominale tijd hen ertoe aan tijdig te vertrekken voor de trein, of stappen te zetten om een vergadering af te sluiten. (Ik kan u vertellen dat het werkt.)

Maar wellicht de beste manier om u te herinneren wat de nominale illusie is en hoe ze werkt is dit clipje van de mockumentary This is Spinal Tap, met erin een gitaarversterker waarvan de knoppen niet tot 10, maar tot 11 gaan:

https://www.youtube.com/watch?v=KOO5S4vxi0o

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Auteur: Koen Smets

Koen Smets is een deskundige op het gebied van organisatie-ontwikkeling, met een fascinatie voor menselijk gedrag op de grens tussen het rationele en het irrationele. Hij is op Twitter als @koenfucius.