Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Een duaal Vlaanderen

17 januari 2017 Guido De Padt
3189505452_86ce1ed79b_b
Guido De Padt (Foto: Flickr CC Agriflanders)

Ik spreek mij niet uit over het wetenschappelijk karakter van al die testen en bevragingen, maar wil wel de vinger op de wonde leggen over de ongelijke wapens waarmee steden en gemeenten moeten vechten.

Zo vind ik de manier waarop de Vlaamse overheid omspringt met bijvoorbeeld de verdeling van het Gemeentefonds

[1]

, ronduit aberrant.

Bij wijze van voorbeeld hieronder een regionale vergelijking van enkele steden in Oost-Vlaanderen:

Gemeentefonds
Verdeling Vlaams Gemeentefonds

Men kan zich afvragen waarom steden als Geraardsbergen, Ninove en Zottegem niét en Dendermonde, Oudenaarde en Ronse wél meer geld krijgen uit het Vlaams Gemeentefonds. Geen rationeel denkend mens die het begrijpt.

Vanwaar dus een (mijns inziens onrechtvaardige) voorkeursbehandeling van 13 Vlaamse centrumsteden (Antwerpen, Aalst, Brugge, Hasselt, Genk, Gent, Kortrijk, Leuven, Mechelen, Oostende, Roeselare, Sint-Niklaas en Turnhout) en 21 provinciale steden (Aarschot, Deinze, Dendermonde, Diest, Eeklo, Geel, Halle, Herentals, Ieper, Knokke-Heist, Lier, Lokeren, Mol, Oudenaarde, Ronse, Sint-Truiden, Tielt, Tienen, Tongeren, Vilvoorde en Waregem)?

[2]

De oorzaak van die verschillen zit vooral in de voorafnames (40,8%) die naar de dertien centrumsteden, de 21 zogenaamde provinciale steden en de 10 gemeenten waarvan het grondgebied grenst aan de zee gaan, maar niet naar andere steden met een centrumfunctie.

Ik begrijp overigens ook niet goed waarom gemeenten waarvan het grondgebied grenst aan de zee ook bijkomende middelen krijgen, terwijl gemeenten die bijvoorbeeld grenzen aan een taalgrens niet kunnen genieten van aanvullende steun.

3189505452_86ce1ed79b_b
Guido De Padt (Foto: Flickr CC Agriflanders)

Gegevens van 20 jaar oud

Het onderscheid tussen steden en de huidige verdeling van het Gemeentefonds vindt zijn oorsprong in een decreet van 5 juli 2002

[3]

met inwerkingtreding vanaf 2003. Daarin doken de zogenaamde provinciale steden als extra begunstigden van dat Gemeentefonds uit het niets op. In eerdere versies van het Gemeentefonds was daar geen sprake van.

In de memorie van toelichting bij dat decreet wordt vooral verwezen naar het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV) waarin sprake is van structuurondersteunende kleinstedelijke gebieden (thans provinciale steden genoemd), maar enige verdere motivering hieromtrent vindt men niet terug.

In het bijhorend advies van de Hoge Raad voor Binnenlands Bestuur leest men wel het volgende:

In het voorontwerp wordt toch gekozen om te werken met categorieën van gemeenten en voorafnames waarbij eigenlijk geen objectieve maatstaven worden gehanteerd: het is een mix van inwonersaantallen, centrumfunctie en andere praktische en historische argumenten.

En de Raad vervolgt:

Het is de Raad ook helemaal niet duidelijk waarom de lijst van kleinere centrumgemeenten beperkt is tot de opsomming in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen.

Dit laatste plan dateert van 1997… en viert volgend jaar zijn 20ste verjaardag.

34 steden (ik laat de kuststeden even terzijde) krijgen dus nu nog bijkomende middelen (de zogezegde voorafnames) toegeschoven via het Gemeentefonds en dit op grond van de loutere vermelding in een plan dat zelf gebruik heeft gemaakt van gedateerd materiaal: het onderscheid tussen steden, zoals vermeld in het RSV, werd volgens een antwoord op een parlementaire vraag (nr. 261 van 24 februari 1998) van Bart Vandendriessche, mede bepaald aan de hand van ‘de studie van H. Van der Haegen en M. Pattyn, die de gegevens van de jaren zeventig als basismateriaal heeft’.

Men baseert zich met andere woorden nu nog op gegevens die 20 jaar en zelfs meer dan 45 jaar oud zijn om de ene stad wél en de andere geen geld toe te stoppen.

Geld dat er mee moet voor zorgen dat die steden zich beter kunnen ontwikkelen, maar niet elkeen vertrekt met hetzelfde rugzakje.

Iedereen weet en beseft dat dit niet koosjer en volledig arbitrair gebeurt, maar er wordt gewoonweg niet aan dit heilige huisje geraakt.

Hieronder een overzicht van de jaarlijkse stijging/daling van het Gemeentefonds van enkele Oost-Vlaamse steden, met als referentiejaar 2002:

Grafiek Guido De Padt
Grafiek Guido De Padt

De bovenvermelde steden die een bijzondere bejegening krijgen uit het Gemeentefonds, zagen  hun inkomsten tijdens 2002-2015 met gemiddeld 61% stijgen, de andere met 33%. Om koude rillingen van te krijgen. Ik durf niet uit te rekenen over hoeveel miljoenen euro het in totaal gaat.

Maar de categorisering die in 2002 in het leven werd geroepen, speelt niet alleen voor de toebedeling van middelen uit het Gemeentefonds, maar wordt ook gehanteerd bij het uitdelen van andere Vlaamse toelagen aan steden en gemeenten.

Hieronder een korte opsomming.

Vlaams Fonds ter stimulering van (groot-) stedelijke en plattelandsinvesteringen

De Vlaamse Regering hechtte op vrijdag 18 november 2016 haar definitieve goedkeuring aan het ontwerpdecreet dat de regels vastlegt voor de werking en de verdeling van het Vlaams Fonds ter stimulering van (groot-)stedelijke en plattelandsinvesteringen.

[4]

Het bundelt drie subsidiestromen in één regelgevend kader: het voormalige federale grootstedenbeleid, stadsvernieuwing en het plattelandsfonds. Voor het begrotingsjaar 2017 zal dit fonds 33 miljoen euro bevatten.

En men kan wellicht al raden voor welke steden de middelen uit het vroegere stadsvernieuwingsfonds bestemd zijn. Juist, voor de 13 centrumsteden en 21 provinciale steden. Voor grootstedenbeleid zijn Antwerpen, Gent, Mechelen, Oostende en Sint-Niklaas de enige begunstigden.

En de Sinterklaaspolitiek stopt niet.

Het Stedenfonds

Met het Stedenfonds zorgt de Vlaamse overheid voor een structurele financiering van de 13 centrumsteden. In 2014 werd onder deze steden 132 miljoen euro verdeeld.

Dat blijft zo nadat het Stedenfonds vanaf 1 januari 2017 een apart onderdeel wordt van het Gemeentefonds ten gevolge van het decreet van 2 december 2016.

Interessant (alhoewel) daarbij is het zeer kritische advies van de Raad van State bij dit ontwerp

[5]

:

‘Het gegeven dat de sectorale subsidies in het verleden objectief werden verdeeld ter financiering van de door de gemeenten uit te voeren opdrachten in een tot de bevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest behorende specifieke aangelegenheid, impliceert niet dat die verdelingswijze geacht kan worden objectief te zijn in het kader van de algemene financiering van de gemeenten. Ten aanzien van de verplichting om het gemeentelijk belang te behartigen, staan de gemeenten in beginsel in dezelfde positie. In het ontwerp is de verdeling van de aanvullende dotatie, die bestemd is voor het voeren van een beleid in aangelegenheden van gemeentelijk belang, daarentegen gestoeld op verdelingscriteria die golden voor het voeren van een specifiek beleid, namelijk het voeren van een stedenbeleid dat erop gericht is de stadsvlucht te stoppen en het democratisch draagvlak in de steden te verhogen, en dit teneinde de leefbaarheid van de steden en de kwaliteit van het bestuur te verhogen en dualisering tegen te gaan. In zoverre die doelstelling zou verantwoorden dat thans enkel de centrumsteden recht hebben op een aandeel in het bedrag van het jaarlijkse vastleggingskrediet van het Stedenfonds, en dat drie vierden van dat bedrag wordt gereserveerd voor Antwerpen en Gent, gaat dat niet per se op wanneer die middelen niet langer dienen om die beleidsdoelstelling te verwezenlijken. Het gegeven dat centrumsteden specifieke behoeften zouden hebben, kan op zichzelf evenmin verantwoorden dat de aanvullende dotatie, die deel uitmaakt van de basisfinanciering van de centrumsteden, wordt voorbehouden aan die steden. Het Gemeentefonds wordt immers reeds onder de gemeenten verdeeld op grond van maatstaven waarbij rekening wordt gehouden met de aard van centrumstad en de centrumfunctie. In zoverre kan worden aangenomen dat er in centrumsteden meer fiscale armoede voorkomt en dat er meer personen zijn die beantwoorden aan de sociale maatstaven bepaald in artikel 6, § 1, 5°, van het decreet van 5 juli 2002, houden die criteria tevens rekening met de specifieke behoeften van de centrumsteden. Bij de verdeling van het Gemeentefonds wordt bijgevolg reeds rekening gehouden met de specifieke behoeften van de centrumsteden. Het verdelingscriterium om de gemeentelijke aandelen in de aanvullende dotatie aan het Vlaams Gemeentefonds te bepalen, moet derhalve worden herzien.’

Veel duidelijker kon het niet verwoord worden.

De Vlaamse regering en het Vlaams Parlement legden dit advies naast zich neer. Misschien zouden enkele gemeenten op basis hiervan naar het Grondwettelijk Hof moeten trekken?

Vlaamse Subsidie voor originele en innoverende stadsprojecten

De Vlaamse overheid verleent verenigingen en instellingen subsidies voor innoverende en experimentele projecten die bijdragen tot duurzame en creatieve steden. Deze subsidies dienen als ondersteuning van vernieuwende en experimentele ideeën en praktijken die de creatieve krachten in steden bundelen. De projecten moeten plaats vinden in een van de volgende steden: Aalst, Antwerpen, Brugge, Genk, Gent, Hasselt, Kortrijk, Leuven, Mechelen, Oostende, Roeselare, Sint-Niklaas en Turnhout. De subsidies bedragen minstens 7.500 euro en maximum 30.000 euro/project.

Ooit al gehoord van de Slim in de Stad-prijs 2016?

Met die prijs wil minister Homans de centrumsteden aanzetten om na te denken over hun grote maatschappelijke uitdagingen. Steden kennen de dag van vandaag grote stedelijke uitdagingen op het vlak van onder meer wonen, mobiliteit, leefmilieu, zorg, armoede en economie. Complexer wordende stedelijke uitdagingen vragen innovatieve antwoorden. Men daagt de steden uit om innovatieve ideeën en concepten te bedenken die bijdragen tot de evolutie van onze Vlaamse centrumsteden tot Smart Cities.

Het prijzengeld bedraagt 150.000 euro en wordt toegekend aan een of meerdere concepten.

En de Thuis in de Stad-prijs?

De Vlaamse minister van steden reikt jaarlijks de Thuis in de Stad-prijs uit. Daarmee wil de Vlaamse overheid innovatieve realisaties van de steden stimuleren en onder de aandacht brengen.

De volgende steden kunnen zich kandidaat stellen voor de Thuis in de Stad-prijs: Aalst, Antwerpen, Brugge, Brussel, Genk, Gent, Hasselt, Kortrijk, Leuven, Mechelen, Oostende, Roeselare, Sint-Niklaas, Turnhout.

Komen daarbij nog de stadscontracten

Elk van de dertien centrumsteden heeft een ‘stadscontract’ met de Vlaamse overheid afgesloten. De bedoeling van deze stadscontracten is om de centrumsteden administratief en financieel beter en meer integraal te ondersteunen in functie van de globale ontwikkelingsvisie van elke stad. De bedoeling is om de centrumsteden administratief en financieel meer integraal te ondersteunen in functie van de globale ontwikkelingsvisie van elke stad. Ieder stadscontract bevat een collectief luik rond ‘wonen’ en een specifiek luik waarin de Vlaamse overheid en de steden afspraken maken over specifieke stadsprojecten.

Uit deze opsomming blijkt duidelijk dat Vlaanderen gebukt gaat onder een bestuurlijke versnippering waarbij 44 steden bijzondere financiële toemaatjes krijgen, die de resterende 274 gemeenten gewoonweg niet krijgen. De 8 miljoen euro die naar 50 plattelandsgemeenten gaat kan als een doekje voor het bloeden worden beschouwd.

Het beste moet nog komen

Wie gedacht had dat de Vlaamse overheid een en ander toch niet in vraag zou durven te stellen, heeft het verkeerd voor.

In 2011, 14 jaar na de totstandkoming van het RSV, kwam er een studie “Selectie van kleinstelijke gebieden in Vlaanderen”

[6]

die tot doel had aan te geven tot welk type kleinstedelijk gebied de geselecteerde gemeenten kunnen behoren dan wel of een dergelijk onderscheid nog zinvol is of verscherpt moet worden.

Men vergeleek de situatie van 1997 met deze van 2010, hetgeen aanleiding gaf tot volgende indeling die twee keer vrijwel hetzelfde resultaat opleverde:

"Zeer goed uitgeruste kleine steden: Ieper, Dendermonde, Geel, Lier, Halle, Tongeren, Knokke-Heist, Diest, Oudenaarde, Tienen, Waregem, Vilvoorde, Herentals."

"Goed uitgeruste kleine steden: Aarschot, Asse, Maaseik, Eeklo, Mol, Tielt, Sint-Truiden, Lokeren, Zaventem, Geraardsbergen

[7]

, Maasmechelen, Ninove, Deinze, Beveren."

"Matig uitgeruste kleine steden: Heist-Op-Den-Berg, Torhout, Blankenberge, Zottegem, Menen, Wetteren, Lommel, Mortsel, Izegem, Veurne, Brasschaat, Boom, Ronse, Bree, Poperinge, Diksmuide, Neerpelt-Overpelt en Bilzen.”

Meteen valt de ongelijke financiële behandeling (Gemeentefonds en andere) tussen ruimtelijk gelijk gerangschikte gemeenten op. Ook de uiteindelijke hiërarchie van alle Vlaamse steden (pagina 154-155 van het onderzoek) spoort slechts partieel met de manier waarop Vlaanderen financiële middelen onder de gemeenten verdeelt.

Maar er is meer…

In het traject naar de totstandkoming van een Witboek voor het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen (BRV)

[8]

heeft SumResearch in opdracht van Ruimte Vlaanderen, in 2013 een onderzoek

[9]

gedaan naar de stedenstructuur in Vlaanderen.

In deze studie wordt aan de hand van vijf indicatoren (knooppuntwaarde, voorzieningenniveau, integratie in de economische structuur, internationale connectiviteit en verstedelijkingsgraad) een actuele typologie van steden opgebouwd.

Op pag. 46 van het onderzoeksrapport krijgt men een overzicht van de typologie van een 90-tal steden:

(de steden vermeld in vetjes liggen in Oost-Vlaanderen)

1.     Top Stedelijke regio

Antwerpen, Gent

2.     Stedelijke regio niveau 1

Leuven, Brugge, Mechelen, Hasselt, Kortrijk

3.     Stedelijke regio niveau 2

Aalst, Sint-Niklaas, Oostende, Roeselare, Zaventem, Vilvoorde, Halle, Lier, Dendermonde, Asse

4.     Openbaar vervoer-Knooppuntstad

Lokeren, Beveren, Tienen, Herentals, Waregem, Oudenaarde, Denderleeuw, Aarschot, Mortsel, Geraardsbergen, Merelbeke, Wetteren, Deinze, Zottegem, De Pinte

5.     Verzorgende stad niveau 1

Geel, Sint-Truiden, Diest, Ieper, Tongeren, Mol, Knokke-Heist, Diepenbeek

6.     Verzorgende stad niveau 2

Heist-op-den-Berg, Dilbeek, Ninove, Kontich, Willebroek, Puurs, Menen, Liedekerke, Sint-Katelijne-Waver, Temse, Boom, Izegem, Harelbeke, Tielt, Landen, Bornem, Wevelgem, Bilzen, Haacht, Ternat, Kapellen, Beringen, Erpe-Mere, Lede, Aalter, Zele, Lommel, Torhout,  Eeklo, Ronse, Essen, Lichtervelde, Blankenberge, Diksmuide

7.     Beperkte stedelijke functie

24 gemeenten waaronder Hamme

Ook hier is de link met de voorafnames die sommige gemeenten wel en andere niet krijgen in het Gemeentefonds soms ver te zoeken.

Merkwaardig genoeg werd aan deze studie in de voorbije weken, n.a.v. de voorstelling van het BRV (bewust ?) geen aandacht besteed. Er werd wel gehamerd op de zo noodzakelijke kernversterking en -verdichting binnen ons stedelijk weefsel.

Dat wil de regering onder andere voor elkaar krijgen door mensen aan te moedigen meer in steden en bij ‘knooppunten’ te gaan wonen.

Die knooppunten zijn plaatsen waar er openbaar vervoer is, waar er stations zijn, en bij voorkeur plaatsen waar mensen sowieso ook al werken.

In De Tijd van 30 november 2016 lezen we het volgende: “Dat wil ze (minister Schauvliege)  verwezenlijken door een knooppuntmodel te lanceren dat de woonintensiteit rond belangrijke knooppunten, zoals stadskernen, moet verhogen. Zo moeten er minimaal 35 woningen per hectare in een straal van 1 kilometer rond de belangrijkste verkeersknooppunten komen.”

Op pagina 5 van het Witboek lezen we ook nog het volgende:

Het RSV voorzag een hiërarchisch en proportioneel stedelijk groeimodel. In tegenstelling tot kleine steden en dorpskernen, konden enkel grote steden sterk groeien. Het BRV kiest voor een bijgesteld groeimodel. Goed gelegen kernen moeten hun groeipotentieel kunnen benutten. Steden en andere kernen vormen samen één krachtig geheel. De ligging ten aanzien van of de onmiddellijke aansluiting op collectieve vervoersstromen en de aanwezige basisvoorzieningen van de plek bepalen mee de mate van gemengde ontwikkeling van wonen, werken en voorzieningen. Omgekeerd worden vervoersknooppunten en voorzieningen maximaal versterkt waar woongelegenheden en bedrijvigheid zijn en waar het wenselijk is om deze te behouden.

“Samen aan de slag om Vlaanderen te transformeren,” zo leest men in de titel van het BRV, maar "where is the money?"

Van een verstandige en correcte overheid zou men kunnen verwachten dat ze geactualiseerd studiemateriaal nuttig zou gebruiken en bijvoorbeeld van de oprichting van het Vlaams Fonds ter stimulering van (groot-) stedelijke en plattelandsinvesteringen en van de nieuwe allocatie van het Stedenfonds gebruik zou hebben gemaakt om recht(vaardigheid) te laten geschieden, maar niets van dat alles. Men kiest er opnieuw (!) voor om enkel de in de aanhef vermelde 34 steden verder te laten groeien.

Of hoe men de ongelijkheid tussen “gelijkgetypologeerden” zelf installeert en in stand houdt.

Zo geeft men verder geld aan negen steden die in het recente typologiemodel niet eens een knooppunt zijn. Begrijpe wie begrijpen kan…

De blik op Oost-Vlaanderen

Uit het kaartmateriaal van het SUM-onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat Geraardsbergen en ook Wetteren en Zottegem wat betreft typologie (stedelijke regio, knooppuntstad en verzorgende stad) te vergelijken zijn met bijvoorbeeld Deinze, die nu als provinciale stad kan genieten van belangrijke subsidiestromen.

Er blijkt ook dat wanneer men de SUM-steden zou gaan selecteren tot op niveau 4, er van de 33 steden 7 Oost-Vlaamse (Beveren, Denderleeuw, Geraardsbergen, Merelbeke, Wetteren, Zottegem, De Pinte) zouden bijkomen, maar Ronse en Eeklo (en ook Geel, Sint-Truiden, Diest, Ieper, Tongeren, Mol, Knokke-Heist) dan wel zouden moeten afhaken. Dertien gemeenten of 25 % zouden Oost-Vlaams zijn.

Bestuurlijk gelijkekansenbeleid

Uit voorgaande rangschikkingen en tabellen blijkt dat men met cijfers en studies in feite alles en ook met elkaar strijdige dingen kan bewijzen. De moraal van dit verhaal is dat de Vlaamse overheid geen durf heeft en haar eigen beleidsinzichten niet kan of wil omzetten in concreet en rechtvaardig beleid: tegelijkertijd het belang onderstrepen van stedelijk wonen, maar daar verder niets mee doen en wegkijken wanneer het op eerlijkheid, gelijkheid en gelijke kansen aankomt, kan worden gelijkgesteld met 'schuldig verzuim'.

Ik hoef niet te onderstrepen dat dit heel frustrerend en ontmoedigend is voor burgemeesters die daar met lede ogen op moeten toekijken. Ze zien hoe andere steden jaarlijks miljoenen euro in de schoot geworpen krijgen, terwijl ze niet kunnen begrijpen waarom deze Vlaamse vetpotten niet ook aan hen kunnen besteed worden.

Hebben onze Vlaamse ministers al gehoord van bestuurlijk gelijkekansenbeleid? Durven zij onder druk van de steden, die nu al gretig uit deze ruif kunnen eten, de rug niet rechten? En waarom is de Vereniging voor Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG) hier geen pleitbezorger voor meer solidariteit?

De beste reactie lijkt me de volgende: nu duidelijk is dat er een fundamentele en niet te verantwoorden scheefgroei bestaat in de financiering van de Vlaamse steden en gemeenten, zet men best die koehandel weg. Stop gewoon met al die voorafnames (bijna 1 miljard van het Gemeentefonds), schaf de aanvullende toelagen (160 miljoen) af en voeg alles gewoonweg toe aan de algemene pot van het Gemeentefonds.

Dan vertrekt elke stad en gemeente vanuit eenzelfde financieel uitgangspunt en worden er geen lieve kinderen bevoordeeld.

De door de Vlaamse regering bestelde onderzoeksrapporten duiden aan dat er scheefgegroeide mechanismen zijn. Vaag deze weg van het Vlaams bestuurlijk bord en vervang ze door een verregaande vorm van solidariteit tussen de steden en gemeenten.

Want op schaalniveau wordt iedereen wel met dezelfde problematieken geconfronteerd: 34  steden bevoorrechten op basis van criteria die de toets van een redelijke verantwoording niet kunnen doorstaan, leidt tot een duaal Vlaanderen.

Arm wordt armer, rijk wordt rijker…

 

Guido De Padt

Burgemeester Geraardsbergen, januari 2017

 

PS. De gemeenteraad van Geraardsbergen keurde op 16.12.2014 een motie goed waarin aan de Vlaamse regering werd gevraagd om in het Gemeentefonds rekening te houden met de overstromingsproblematiek als maatstaf bij de verdeling van de middelen. Resultaat: zelfs geen ontvangstmelding.

[1]

Het Gemeentefonds is een mechanisme waarlangs de Vlaamse  overheid belastinggeld verdeelt naar de steden en gemeenten. Het is een van de grotere inkomstenbronnen voor de lokale besturen.

Het Gemeentefonds wordt op grond van de volgende maatstaven onder de gemeenten verdeeld:

1° 40,8 % voor de bijzondere financiering van de centrumsteden en de kustgemeenten:

a) 30 % volgens het aantal inwoners in de gemeenten met 200.000 inwoners of meer;

b) 1,6 % volgens het aantal inwoners van gemeenten tussen 100.000 en 200.000 inwoners;

c) 6,2 % volgens het aantal inwoners in de volgende steden: Turnhout, Roeselare, Genk, Oostende, Hasselt, Sint-Niklaas, Kortrijk, Mechelen, Aalst en Leuven;

d) 2 % volgens het aantal inwoners in de volgende steden: Aarschot, Deinze, Dendermonde, Diest, Eeklo, Geel, Halle, Herentals, leper, Knokke-Heist, Lier, Lokeren, Mol, Oudenaarde, Ronse, Sint-Truiden, Tielt, Tienen, Tongeren, Vilvoorde en Waregem;

e) 1 % volgens het aantal inwoners in de gemeenten waarvan het grondgebied grenst aan de zee;

Dit zijn de voorafnames.

2° 8 % voor de centrumfunctie:

a) 4 % volgens de actieve bevolking, tewerkgesteld in de gemeente;

b) 4 % volgens het aantal leerlingen en studenten dat onderwijs volgt op het grondgebied van de gemeente;

3° 30,2 % voor de fiscale armoede:

a) 19 % op de omgekeerde evenredigheid van de totale opbrengst van de personenbelasting van de inwoners in de gemeente, exclusief de aanvullende belasting op de personenbelasting;

b) 11,2 % op de omgekeerde evenredigheid van het totale belastbare kadastrale inkomen op het grondgebied van de gemeente;

4° 6 % voor open ruimten op basis van de oppervlakte bos, tuinen en parken, woeste gronden, gekadastreerde wateren, akkerland, grasland, recreatiegebieden en boomgaarden;

5° 15 % voor sociale maatstaven :

a) 1 % volgens het aantal personen met een voorkeursregeling in de ziekteverzekering, exclusief leefloners;

b) 4 % volgens het aantal kortgeschoolde werkzoekenden met een werkloosheidsuitkeringsaanvraag;

c) 3 % volgens het gemiddelde aantal geboorten in een kansarm gezin over drie jaar;

d) 3 % volgens het aantal sociale huurappartementen;

e) 4 % volgens het gemiddelde aantal personen dat recht heeft op een leefloon over drie jaar.

[2]

Hier en verder worden de centrumsteden in het rood en de provinciale steden in het blauw weergegeven.

[3]

[4]

[5]

[6]

[7]

Op te merken valt dat voor deze  stad op pagina 56 van het  onderzoek een fout is geslopen. Daar waar Geraardsbergen voor de detailhandelsfunctie in 1997 op de 49ste plaatst stond, is er voor deze functie in 2010  geen enkele (!) vermelding meer van deze stad. Dat kan niet kloppen. De vraag stelt zich naar de gevolgen op de uiteindelijke hiërarchie op pagina 154-155.

[8]

LEES OOK