Mensen: robots met een basisinkomen

 Leestijd: 5 minuten2

What a wonderful world! Je typt het woord ‘luddisme’ in en nog geen microfractie van een seconde later lees je op Wikipedia: “Het luddisme was een sociale beweging in het Engeland van begin 19de eeuw, die zich verzette tegen industriële en technologische vooruitgang. De beweging had vooral aanhang onder ambachtslieden en kleine boeren: zij zagen hun traditionele manier van werken bedreigd door de nieuwe fabrieken, die met de Industriële Revolutie waren opgekomen. Hun activiteiten omvatten onder meer het saboteren en vernielen van machines in fabrieken. Hun naam, luddieten, is ontleend aan de vermoedelijk mythische Ned Ludd, die een wever zou zijn geweest, die in 1779 twee weefmachines vernielde.”

Er is, voor zover mij bekend, geen hedendaagse variant, laat staan een revival van deze legendarische sociale beweging. Hoewel de geschiedenis zich nooit herhaalt, kunnen omstandigheden in verschillende tijdperken nochtans sterk op elkaar gelijken. Zoals ook blijkt uit het nieuwste boek van Martin Ford, een bestseller, internationaal zeer gewaardeerd met twee topprijzen en nu ook vertaald: De opmars van robots.

De auteur is een Amerikaanse software-entrepreneur uit de welbekende high tech-regio Silicon Valley, computeringenieur van opleiding en universitair gegradueerd in bedrijfsbeheer. Ford publiceert al jaren in gezaghebbende bladen en is geregeld te gast in radio- en televisiestudio’s. Een doordrammerige vakidioot is hij geenszins. Economie betekent voor hem meer dan alleen maar cijfertjes tot na de komma, ellenlange tabellen en verschrikkelijk ingewikkelde grafieken.

Zijn boek is zeer aanbevolen. Op de keper beschouwd is het een must voor eenieder die wil begrijpen hoe onze wereld door het helse tempo van de technologische ontwikkelingen wordt aangedreven – of opgejut?

In de rij van Piketty

In 2009 publiceerde Ford zijn eerste boek. Daarin ging hij, zoals aangegeven in de titel, ‘op zoek naar het licht in de tunnel’ van de almaar voorthollende technologische vorderingen en hun impact op het leven van alledag, zowel van kinderen als van volwassenen. In tegenstelling tot degenen die technologie nog altijd beschouwen als een goed geoliede machine meent Ford dat de toestand er sindsdien niet echt op verbeterd is. Maar een zwartkijker wil hij niet genoemd worden, wel een realist.

Ford: “De inkomensongelijkheid is gestegen tot een niveau dat we sinds 1929 niet meer hebben gezien, en de stijging van de productiviteit die in de jaren vijftig nog in de loonzakjes van de arbeiders belandde, blijkt nu bijna volledig in handen van bedrijfseigenaars en beleggers te blijven. Het aandeel van het nationaal inkomen dat naar arbeid gaat in plaats van naar vermogen is sterk gedaald, en lijkt een vrije val te hebben ingezet. Er breekt een nieuw tijdperk aan.”

Vanuit zijn eigen technologische optiek schuift Ford wonderwel aan in de rij van Thomas Piketty, Anthony Atkinson, Bea Cantillon, Paul De Grauwe en al de anderen die afgelopen jaren de alarmbel hebben geluid over de almaar groter wordende kloof tussen rijk en arm en de hiermee verbonden risico’s voor de ondermijning van de sociale cohesie en veiligheid. Als schrijnende sociale ongelijkheid, grote technologische werkloosheid en ingrijpende veranderingen in het klimaat samenvallen, dreigt een heuse apocalyps. Ford haalt overigens fel uit naar de techneuten die de nefaste impact van klimaatwijzigingen als bangmakerij van de hand wijzen. Omdat zij er rotsvast van overtuigd zijn dat die veranderingen in een technologische handomdraai gecorrigeerd kunnen worden. Niets is minder waar.

Een nieuwe psyche

Als niet drastisch wordt ingegrepen, zal de technologische opmars onherroepelijk zijn sporen nalaten, ook voor de menselijke psychologie, aldus Ford. “De gevolgen zullen nefast zijn. Dit tijdperk zal worden gekenmerkt door een fundamentele verschuiving van de relatie tussen mensen en machines. Uiteindelijk zal die verschuiving één van onze bepalende veronderstellingen over technologie zondermeer onderuit halen: dat machines hulpmiddelen zijn waarmee arbeiders productiever worden. Inmiddels zijn de machines zelf in arbeiders aan het veranderen, en de grens tussen de capaciteit van arbeid en kapitaal is vager dan ooit tevoren.”

Kortom: mensen zullen robots worden!

robot-1092471_1920-compressor

Middenklasse bedreigd

De economische wereldcrisis, die ontstond na de implosie van het Amerikaanse Lehman Brothers en de ineenstorting van andere financiële instellingen, is niet zonder gevolgen gebleven voor de arbeidsmarkt. Veel jobs zijn sindsdien verloren gegaan en nog veel staan er op de tocht. De voor de hand liggende vraag is bijgevolg: zullen er in de toekomst nog meer jobs sneuvelen door de almaar groter wordende inzet van robots? Die wordt immers als wezenlijk alternatief voorgesteld om de negatieve gevolgen van de crisis te bezweren. En zo ja, wat is dan nog de bijdrage van de mensen?

Ford stelt onomwonden dat het allemaal niet zo evident is/zal zijn. Als de technologie zich steeds verder ontwikkelt, de robots zonder tussenkomst van mensen echt voor zichzelf gaan zorgen, dan zullen er inderdaad steeds minder mensen noodzakelijk zijn, welke ook hun persoonlijke kwaliteiten zijn. Artificiële intelligentie zorgt er nu al voor dat het belang van zogeheten goeie jobs afneemt. Zo wordt de werkgelegenheid van wetenschapslui, journalisten, hogere kaderleden, managers, ja zelfs computerdeskundigen gevaarlijk bedreigd.

Als de technologische evolutie aan dit helse tempo verdergaat, dan zal zelfs het onderscheid tussen de drager van een witte boord en iemand in blauwe werkkiel, tussen white and blue collars, verdwijnen als sneeuw voor de zon. Hetzelfde geldt dan ook voor de middenklasse die vandaag de dag nog aardig boert en de grootste afnemer is van de productie van allerlei consumptiegoederen en diensten.

Maar de kans is gigantisch groot dat steeds meer gezinnen geconfronteerd zullen worden met stijgende kosten, zeker voor onderwijs en gezondheidszorg. Die twee sectoren zijn tot op heden aardig gespaard gebleven van de verwoestende werking van de informatietechnologie. Het gevaar is echter niet denkbeeldig dat ook aan deze maagdelijkheid een einde komt met massale werkloosheid en toenemende ongelijkheid als nefast gevolg.

Nuit Debout

Ford beschrijft in zijn boek tot wat robotica in staat is. Maar hij maakt zich in de allereerste plaats echt wel zorgen over de vaststelling dat het gros van de mensen zich niet eens bewust is welk onheil hun allemaal te wachten staat. Een mankement dat zich ook vooral duidelijk manifesteert bij diegenen die het maatschappelijk gebeuren aansturen, zoals politici en bedrijfsleiders.

Dat blijkt bijvoorbeeld uit de neoliberale bezweringsformules die vandaag de dag opgeld maken: lagere lonen, ‘stimulerende’ kortingen op de sociale uitkeringen en flexibilisering van de arbeidsmarkt, die in Frankrijk aanleiding zijn voor het protest van de deelnemers aan Nuit Debout.

Stop automatisering?

“We moeten nu dringend tot actie overgaan”, aldus Ford. “Anders is de toekomst van onze samenleving al een drama vooraleer we werkelijk hebben ingegrepen. Traditioneel luidt het dat de toenemende werkloosheid kan opgevangen worden door meer onderwijs en scholing. Ik denk evenwel dat die veronderstelling analoog is aan de overtuiging dat het merendeel van de overbodig geworden boerenknechten in het kielzog van de mechanisatie een baan zouden vinden als tractorchauffeur. Het klopt gewoon niet.”

Een andere, vaak voorgestelde oplossing is eenvoudigweg een einde proberen te maken aan de onstuitbare opmars van de automatisering zodat nieuwe arbeidsplaatsen ontstaan. Ford: “Het komt er eigenlijk op neer dat bedrijfseigenaren, niettegenstaande alle retoriek over ‘werkgelegenheid scheppen’, helemaal geen werknemers willen inhuren: ze nemen alleen mensen in dienst omdat ze niet anders kunnen. Het verlangen om steeds verder te automatiseren is geen gevolg van een ‘ontwerpfilosofie’ of van persoonlijke voorkeuren van techneuten: het wordt aan de basis gestimuleerd door het kapitalisme.

Een en ander dateert van minstens tweehonderd jaar geleden, en toen al waren de luddieten er niet blij mee. Het enige verschil met onze tijd is dat we wat de exponentiële vooruitgang betreft het eindspel naderen. Voor elk rationeel bedrijf zal de lokroep van arbeidsbesparende technologie bijna altijd onweerstaanbaar blijken. Om dat te veranderen is er veel meer nodig dan een oproep aan technici en ontwerpers: het vereist een aanpassing van de fundamentele prikkels van de markteconomie.”

Andere kijk op economie

Ford pleit voor een nieuw economisch paradigma, een andere kijk op de wijze waarop we onze welvaart tot stand moeten brengen. De meest effectieve oplossing voor de problemen is de invoering van een gegarandeerd basisinkomen voor iedereen, meent hij. Sommigen percipiëren dit als een vorm van socialisme of een betuttelingsstaat, maar dat is hoegenaamd niet de bedoeling van de introductie. Ford gaat uitgebreid in op de figuur van de conservatief Friedrich Hayek, één van de boegbeelden van het neoliberalisme die het idee van het basisinkomen altijd gunstig gezind is geweest.

Wie meer wil weten over dat het basisinkomen, inmiddels een heuse hype geworden, verwijzen we met aandrang naar stevig gedocumenteerde en wel doordachte artikels van Francine Mestrum en Jan Hertogen. Evenals naar het artikel dat hierover op deze site zelf is verschenen. Uitgerekend daarin wordt uitgelegd dat de invoering van een basisinkomen arbeid goedkoper maakt en vooral flexibeler, meer aangepast aan het tempo van de robots. Tja….

 

Martin Ford, ‘De Opmars Van Robots. Hoe technologie veel banen zal doen verdwijnen’, Uitgeverij Q, Amsterdam, 2016.

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Auteur: Jan Willems

Jan Willems was persmuskiet met een verschrikkelijke hekel aan pseudo-kritische scorebordjournalistiek en schreef enkele boeken over de boven- en onderwereld. Wat hem nooit heeft belet ook oog te hebben voor productiekrachten, -middelen en -verhoudingen.