Het sprookje van de markteconomie

3

Wat hebben vrije handel en Sinterklaas gemeen? Ze bestaan niet. Maar terwijl kinderen algauw doorhebben dat de kindervriend een aardig sprookje is voor de allerkleinsten, blijven de meeste volwassenen geloven dat de markteconomie harde werkelijkheid is. Sommige economen winnen er zelfs een Nobelprijs mee. Ook Koen Haegens, economieredacteur bij De Groene Amsterdammer, was een gelovige. Weliswaar een kritische, maar toch een gelovige. Tot het schandaal van de Libor-fraude losbarstte.

De Londen Interbank Offered Rate is de rente die banken elkaar aanrekenen voor onderlinge leningen en die rente bepaalt dan weer rentetarieven in de hele wereld, bijvoorbeeld die van consumentenhypotheken. Haegens was er vast van overtuigd dat de Libor-rente tot stand kwam via vraag en aanbod, zoals de economische handboeken leren. De affaire liet echter zien dat enkele gisse jongens en meisjes de Libor zelf vaststelden, uit eigenbelang en/of in het belang van hun bank. Geen zelfregulerend marktmechanisme, maar pure manipulatie en gesjoemel.

De onzichtbare hand

Deze Pauluservaring opende de ogen van Haegens en bliksemde hem met beide voeten op de grond. Bestond de markteconomie wel? Hij ging op zoek en spaarde tijd noch moeite. Hij worstelde zich door de klassieke grote economen, van Adam Smith tot Milton Friedman, dook in de Nederlandse paprika-industrie, van zaadje tot supermarktproduct, verdiepte zich in de handel in Mesopotamië, Rome en Amerika in de negentiende eeuw en reisde af naar de City in Londen om de financiële wereld door te lichten. Het werd een adembenemende ontdekkingsreis.

Neem nu Adam Smith, algemeen beschouwd als de grondlegger van de economische wetenschap. In geen van zijn boeken komt de term ‘markteconomie’ voor, wel het woord ‘markt’. Bij Smith is dat een strikte plaatsaanduiding voor een plek waar handel gedreven wordt. Denk aan de wekelijkse dorpsmarkt, jaarmarkten, veemarkten, de slager, de kruidenier enzovoort. Het klassieke voorbeeld van Smith is de bakker. Die biedt brood aan en er zijn klanten die honger hebben. Samen bepalen ze wat de prijs is. Als de prijs te hoog is, haakt de klant af, als de prijs te laag is, wil de bakker niet verkopen. Kortom, een ‘onzichtbare hand’ reguleert de economische chaos. De overheid hoeft zich daar niet mee te bemoeien. Importtarieven, handelsbarrières, belastingen en andere regelgeving zijn alleen maar obstakels. Ze maken alles duurder en onrechtvaardiger.

Althans dat is de theorie. Dat is ook wat in scholen en aan faculteiten economie uitentreuren nog steeds wordt onderwezen, en vele economen papegaaien dit na. Zelf nadenken hoeft dan niet meer, makkelijk zat. De realiteit ziet er helemaal anders uit, stelt Haegens verbouwereerd vast. Amerika, de kampioen van ongebreidelde marktwerking, is bijvoorbeeld groot geworden dankzij protectionisme, door overheidsingrijpen dus. “Gedurende vrijwel de hele negentiende eeuw kennen de Verenigde Staten importtarieven variërend van gemiddeld een slordige 35 procent tot zelfs 50 procent.” Daardoor kreeg de textiel-, ijzer- en staalindustrie een heuse boost. “Met mooie praatjes over vrijhandel hoef je er tot de Tweede Wereldoorlog niet aan te komen,” aldus Haegens.

Niemand heeft het beter samengevat dan president Ulysses Grant: “Binnen tweehonderd jaar, wanneer Amerika alles uit protectie heeft gehaald wat eruit te halen valt, zal het ook vrijhandel invoeren.” Het is geen toeval dat China en Zuid-Korea de vroegere protectionistische koers van Amerika nu imiteren, met evenveel succes. Kortom, de idee van een zelfregulerende economie is een fabeltje. It’s the government, stupid.

Haegens werkt ook andere verbijsterende voorbeelden uit. Gealarmeerd door een klagende paprikaboer bijt de auteur zich vast in de sector. Wie dacht dat de prijs van een doorsnee product als paprika door vraag en aanbod wordt bepaald, komt van een koude kermis thuis. Er speelt helemaal geen zelfregulerend mechanisme. Eerst zijn er de zaadveredelaars, die ontwikkelen voortdurend nieuwe en betere rassen en vragen daar kweekrechten voor. De prijs daarvan bepalen ze zelf. Zekerheid eerst. Eigenlijk hebben ze quasi een monopolie. Aan het eind van de cyclus wachten dan weer de immense supermarktketens, die op hun beurt keihard calculerend de prijs van een paprika vaststellen. Dat kunnen ze, want volume betekent macht. Wie is de dupe? De teler. Hij is de zwakste schakel en heeft totaal geen invloed op de prijs. Vele kwekers gaan eraan ten onder. Hun enige verdedigingsmiddel is kartelvorming, maar dat is verboden, terwijl een supermarktketen zelf een soort kartel is. Vrije marktwerking? Concurrentie? Vraag- en aanbodmechanisme? Nergens te vinden.

Binnen grote concerns is het niet anders. Haegens: “Bijna de helft van de totale Amerikaanse goederenimport vindt binnen bedrijven plaats. Voor de export gaat het om 30 procent.” Een autobedrijf dat zijn motoren in China laat maken, de modellen in de VS ontwerpt en de assemblage uitbesteedt aan een filiaal in België, laat de prijzen van die onderdelen niet bepalen door de markt. Ze stellen die zelf vast. Zo’n concern is in wezen een planeconomie. Haegens citeert in dit verband antropoloog David Graeber, auteur van het ophefmakende boek Schuld: “Een van de schandalen van het kapitalisme is dat de meeste kapitalistische bedrijven intern communistisch opereren.” Hoe dan ook, hoe groter bedrijven zijn, hoe makkelijker ze de markt buiten spel kunnen zetten.

Bestaat er dan nergens  een voorbeeld van een pure markteconomie? Jawel. De souk. Haegens: “Ze beantwoordt aan een ideaalbeeld waarmee wij, moderne waarnemers, zijn opgevoed. Honderden kleine aanbieders, verwikkeld in felle concurrentie over ontelbare minuscule transacties. Zonder opdringerige staat in de buurt. Het heeft inderdaad veel weg van Adam Smiths marktplaats met zijn slager, bakker en brouwer. Zo vrij!” En de auteur voegt er haastig aan toe: “Maar ook: zo inefficiënt.” Over elke transactie moet immers onderhandeld worden, vaak kloppen maten en gewichten niet, bij een conflict komt geen rechtbank aan te pas, de kwaliteit van producten is niet gestandaardiseerd, het ontbreekt deze markt ook aan prikkels om te moderniseren en te innoveren en kopen en verkopen kost zeeën van tijd. Haegens besluit: “Als onze eigen, reëel bestaande markten daadwerkelijk zo zouden functioneren, lag de moderne economie er net zo bij als die sprookjesachtige soek: heel romantisch, maar al duizenden jaren hetzelfde. (…) Hoe vrijer de markt, hoe imperfecter en inefficiënter zij is.”

Souk Marrakesh, Marokko (Foto: (c) Lukasz Janyst)

Souk Marrakesh, Marokko (Foto: (c) Lukasz Janyst)

Het omgekeerde is ook waar: hoe efficiënter de markt, hoe meer overheidsbemoeienis en bureaucratie. Uitgerekend  de zichtbare hand van de staat schept orde in de chaos, niet de onzichtbare hand van het laisser faire. Deze onverwachte paradox vormt de zoveelste eyeopener van zijn boek De grootste show op aarde. De mythe van de markteconomie. De staat verstoort de markten niet, hij maakt ze mogelijk. Hij creëert de voorwaarden. Hij redt banken, bedwingt de financiële wereld door fraude en manipulatie te bestrijden, neemt risico door tot 100.000 euro per persoon garant te staan voor spaargeld, legt (water)wegennetwerken aan, maakt ruimte voor industriezones, enzovoort. De overheid moet streng op de winkel passen, want een markt zonder regels is per definitie instabiel. Precies omdat de overheid dereguleerde en zich dus uit de samenleving terugtrok, is de wereldeconomie in 2008 geïmplodeerd.  We dragen er nog altijd de gevolgen van. Zeepbellen vormen geen uitzondering, ze vormen de cyclische realiteit. Toch blijven liberalen, om van libertairen nog te zwijgen, zeggen: “de beste overheid is een kleine overheid.”

De zichtbare hand

Mariana Mazuccato diept de verhouding privé-overheid in De ondernemende staat: waarom de markt niet zonder overheid kan dieper uit. Mazuccato is een veel geprezen en bekroonde professor economie en innovatie aan de University of Sussex en baseert veel van haar beweringen op eigen onderzoek. Ze schrijft misschien minder wervelend dan Haegens, maar is minstens zo prikkelend. En ook zij komt met verbluffende onthullingen.

Zo noemt ze de Verenigde Staten “een van de meest interventionistische overheden ter wereld”, zeker wat innovatie betreft. Sterker, zonder overheid geen computerindustrie, internet, biotechnologie en farmaceutische industrie, groene- en nano-technologie. Economen die volhouden dat de overheid alleen een rol mag spelen bij marktfalen en dat zo’n marktfalen (zie de bankencrisis) hooguit een uitzondering vormt op een voor de rest gesmeerd lopende markteconomie, hebben een bord voor de kop. Ze roepen maar wat. Het zijn ideologen die wegkijken van de werkelijkheid.

Net als Haegens slecht Mazzucato mythe voor mythe. De alom geloofde durfkapitalisten tonen de facto weinig durf en nemen amper risico’s. Ze kijken de kat uit de boom. Uit haar onderzoek blijkt dat het bedrijfsleven pas ‘durfkapitaal’ inzet nadat de publieke sector al vijftien à twintig jaar overheidsgeld in R & D heeft geïnvesteerd. Mazzucato heeft het over ‘een parasitair systeem’ waarin de private sector de baten ontfutselt aan de staat. Socialisering van de risico’s, heet dat, en privatisering van de beloningen.

De voorbeelden zijn legio: kernenergie zou zonder overheidsinvesteringen nooit ontwikkeld zijn en van Silicon Valley, het symbool van ‘vrijgevochten ondernemers en visionaire durfkapitalisten’, zou zonder de inspanningen van defensie en diverse universiteiten, nooit zijn gehoord. We worden er telkens ingeluisd door kekke beeldvorming en perceptie. De cijfermatige bewijzen zijn nog ontstellender: tussen 1971 en 2006 waren 77 van de 88 belangrijkste innovaties in Amerika volledig afhankelijk van overheidsgeld. En 75% van de radicaal nieuwe medicijnen kwam uit staatslaboratoria.

De private farmaciesector investeert liever in risicoloze variaties op bestaande medicijnen en in … marketing! Zonder deze industriepolitiek van de VS zou de Amerikaanse economie allang verpieterd zijn, “omdat de private sector in veel opzichten minder ondernemend is dan de publieke sector.” Toch luidt het officiële verhaal telkens anders. Amerika is zo succesrijk dankzij het liberale marktmodel! (De auteur spitst zich vooral toe op de VS, maar ook in Europa investeert de overheid in innovatie en neemt ze vaak de leiding. Duitsland met zijn Energiewende is daar een sprekend voorbeeld van)

In het hoofdstuk De staat achter de iPhone schiet de auteur Steve Jobs postuum van zijn troon.  Deze held van twee biopics, talloze biografieën en managementboeken is geen ICT-bolleboos, Jobs heeft vrijwel alles te danken aan de Amerikaanse overheid. Alle kerntechnologie in de iPhone en de iPad is het resultaat van decennialange staatssteun voor innovatie. Apple heeft als het ware die nieuwe technologie van de staat gejat. Wat Jobs toevoegde was design, flair en marketing. Niet Jobs was ‘eigenwijs’ maar de overheid, die tegen de heersende ideologie in hardnekkig koos voor innovatie. Ook hier weer de zichtbare hand dus.

En Apple is niet de enige parasiet. Het algoritme van Google is gefinancierd door publieke fondsen, de gps werd bedacht door het Pentagon, en dan zwijgen we nog van internet, lcd-technologie, touchscreens, spraakherkenning, de harde schijf, de microprocessor en de geheugenchip. En toch: “Het verhaal dat Amerikaanse belastingbetalers wordt voorgehouden, is dat economische groei en innovatie tot stand worden gebracht door individuele genieën, ondernemende types in Silicon Valley, durfkapitalisten en kleine bedrijfjes, zolang er maar niet te veel (of helemaal geen) regulering is en de belastingen maar laag zijn.”

En wat krijgt de overheid terug? Stank voor dank. Apple ontwijkt al jaren Amerikaanse belastingen via een filiaal in Ierland. Google betaalt geen dollarcent voor het gebruik van het algoritme dat de National Science Foundation heeft gefinancierd. “Het feit dat sommige van de bedrijven die het meest geprofiteerd hebben van grote publieke investeringen dezelfde zijn die hebben gelobbyd voor belastingverlagingen, waardoor de publieke middelen aanzienlijk zijn geslonken, zou mensen de ogen moeten openen en tot een andere beleidsaanpak moeten leiden.”

Het belastingvermijdend gedrag van deze concerns  dreigt zelfs de doodsteek te worden voor de staatssteun aan nieuw fundamenteel innovatief onderzoek. De staat kan niet blijven investeren zonder rendement terug te krijgen. Mariana Mazzucato heeft daar even eenvoudige als doeltreffende oplossingen voor. De overheid moet royalty vragen op de technologie die door haar financiële inbreng ontwikkeld is. Dat geld moet in een innovatiefonds gestort worden zodat nieuw onderzoek kan gefinancierd worden. Een bedrijf zou ook gedwongen moeten kunnen worden om een deel van zijn winst af te staan aan de staat die het oorspronkelijke financiële risico nam.

Een andere mogelijkheid is dat de staat een aandeel blijft houden in ondernemingen die van het onderzoek beter werden. Zo heeft Finland een participatie in Nokia gekregen in ruil voor zijn initiële onderzoeksinvesteringen. Het is de logica zelve. Voor wat hoort wat, zeker in het bedrijfsleven. Alleen, in Amerika en Groot-Brittannië roept dit, totaal kierewiet, het spook van communisme op. Mazzucato: “In plaats van af te gaan op de valse droom dat ‘markten’ de wereld voor ons optimaal zullen besturen ‘als we ze maar hun gang laten gaan’, moeten beleidsmakers leren hoe ze de instrumenten en middelen om markten vorm te geven en te creëren, efficiënt kunnen inzetten. Om dingen te laten gebeuren die anders niet zouden gebeuren, en ervoor te zorgen dat het om de dingen gaat die we nodig hebben.”

Haar suggesties lijken wel het ei van Columbus. Ze zijn concreet en realiseerbaar. Een beetje politieke wil volstaat. Enkele drukken op de parlementaire knop. Je slaat je voor het hoofd dat je dit niet zelf hebt bedacht. Na lezing van dit boek (en dat van Koen Haegens) ontwaak je echt in een totaal andere economische wereld. De werkelijke wereld, niet die van de mythes, de sprookjes, de newspeak en de economische handboeken.

Koen Haegens, De grootste show op aarde. De mythe van de markteconomie, 288 blz., Ambo/Anthos

Mariana Mazzucato, De ondernemende staat: wwaarom de markt niet zonder overheid kan, 320 blz., Nieuw Amsterdam

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst. Zelf een bijdrage insturen, doe je hier.

Auteur: Leo De Haes

Leo De Haes werkte 17 jaar als journalist bij Humo en was 22 jaar uitgever bij Houtekiet.