Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Cuba en de VS (1): warme vijanden, koele minnaars

21 maart 2016 Lotte Lambrecht
8569273039_d9e1a5ce5f_z
Havana (Foto: Flickr (c) Gerry Balding)
8569273039_d9e1a5ce5f_z
Havana (Foto: Flickr (c) Gerry Balding)

Zo dichtbij en toch zo ver

Op 27 oktober 1492 arriveerde Christoffel Colombus op Cubaanse kusten. Snel na de verovering van het eiland op de oorspronkelijke bevolking werd het eiland ingelijfd bij het Spaanse koloniale rijk. Cuba was een interessante kolonie voor de Spanjaarden want het bezat een overvloed aan natuurlijke rijkdommen en vormde de toegangspoort tot het Caribisch bassin en de Golf van Mexico. Deze strategische en commerciële voordelen waren ook de Amerikaanse Koloniën niet ontgaan. Mede door de geografische nabijheid - beide landen zijn amper door 45 kilometer zeewater van elkaar gescheiden - klonk de annexatie van de Parel van de Antillen als muziek in de oren van verschillende Amerikaanse presidenten. Thomas Jefferson dacht dat Cuba de interessante toevoeging zou zijn aan het Amerikaans statensysteem en ook John Quincy Adams beschouwde het eiland door zijn geografische locatie als een natuurlijke appendix van de VS.

De Amerikaanse drang om Cuba in te lijven werd nog sterker door het uitroepen van de Monroe Doctrine in 1823. Ook het geloof in Manifest Destiny, dat uitging van het idee dat de VS over het volledige Amerikaanse continent moest heersen, leek tot een annexatie van Cuba te zullen leiden. Maar racisme en binnenlandse bezwaren staken daar een stokje voor. De toevoeging van Cuba zou immers een extra slavenstaat betekenen en dat zou het slavenvrije Noorden nooit accepteren. Ook de vrees dat de Hispanics de Amerikaanse ‘way of living’ niet zouden begrijpen zorgde er uiteindelijk voor dat de annexatie van Cuba nooit zou plaatsvinden.

De VS vond evenwel een andere manier om Cuba aan zich te binden. De Amerikanen zetten hevig in op economische expansie en slaagden er langzaam maar zeker in de Cubaanse economie naar hun hand te zetten. In 1860 ging er zo’n 62 procent van de Cubaanse export richting de VS en enkel drie procent richting Spanje. De VS investeerde ook zwaar in de Cubaanse spoorwegen en kocht verschillende Cubaanse suikerfabrieken op, wat leidde tot een dalende Cubaanse eigendom over zijn eigen industrie.

Met de uitbraak van de Cubaanse onafhankelijkheidsoorlog op 29 april 1894, zag de VS zijn kans schoon om ook op politiek vlak de touwtjes in handen te nemen. De VS had immers geen zin in de installatie van een revolutionaire regering vlak voor zijn kusten en het Spaanse Rijk was toen al te verzwakt om een bezwarende factor te kunnen zijn voor een interventie.

Van Spaanse naar Amerikaanse voogdij

Met de intrede van Amerikaanse troepen transformeerde de Cubaanse onafhankelijkheidsoorlog in de Spaans-Amerikaanse oorlog. Na amper enkele weken gaf de VS het Spaanse koloniale rijk de genadeslag en de Amerikanen installeerden er een militaire regering die het eiland politiek en militair controleerde. De Cubanen kregen dus bitter weinig te zien van hun felbevochten onafhankelijkheid. Het Spaanse koloniale regime werd in se gekopieerd en verdergezet.

Op 2 mei 1902 verkreeg Cuba uiteindelijk toch zijn langverwachte onafhankelijkheid. Maar de VS installeerde een addertje onder het Cubaanse gras. Zonder medeweten van de Cubanen voegden de Amerikanen het Platt Amendment toe aan de hervormde Cubaanse grondwet. Dit amendement bepaalde dat de VS naar eigen goeddunken kon binnenvallen op het Cubaanse grondgebied. Dit werd in de praktijk gebracht in 1906, 1912 en 1917. Verder bepaalde het amendement ook dat de VS de militaire haven van Guantánamo Bay mocht gebruiken. Een einddatum voor deze bruikleen werd echter niet vastgelegd.

Met het aantreden van president Roosevelt in 1933 werd het Amerikaans buitenlandbeleid ten opzichte van Cuba geheroriënteerd richting samenwerking. Het Platt Amendement werd ingetrokken -  behalve het artikel over Guantanamo. Maar door de langdurige aanwezigheid van de VS in de Cubaanse maatschappij bleef de Amerikaanse invloed nazinderen. De Cubaanse politiek was extreem instabiel en de economische elite was volledig veramerikaniseerd.

Waar de VS echter geen rekening mee hield was het Cubaans nationalisme. Dit patriottisme was sinds jaar en dag een sterke onderstroom binnen de Cubaanse samenleving. José Marti, die de Cubaanse onafhankelijkheidsstrijd had gestart en waarschuwde voor Amerikaanse inmenging, wordt nog steeds als nationale volksheld vereerd. De Amerikaanse bezetting na de Amerikaans-Spaanse oorlog, de talloze invallen en de veramerikanisering van de Cubaanse economie en politiek hadden kwaad bloed gezet bij de modale Cubaan en de nationalistische drang enkel aangedreven.

Dit nationalisme vond zijn definitieve uiting in de figuur van Fidel Castro. De jonge en charismatische Castro ondernam een eerste poging tot revolutie op 26 juli 1953. Deze poging mislukte, Castro werd veroordeeld tot levenslange opsluiting en uiteindelijk geband naar Mexico. Hier ontmoette hij samen met zijn jongere broer Raul Castro de jonge Argentijnse revolutionair Ernesto Che Guevara. De rest is geschiedenis. Na twee jaar vechten viel het Batista regime in december 1958, nadat een muiterij was ontstaan en de VS zijn steun voor het regime had ingetrokken. Batista zelf vluchtte richting Santo Domingo.

Hasta La Victoria Siempre

De overwinning van de Cubaanse Revolutie veroorzaakte een ware schokgolf binnen de politieke scene in Washington. Terwijl Castro riep om de Amerikaanse invloed uit zijn land zoveel mogelijk te bannen, zag de VS de toegang tot zijn speeltuin meer en meer sluiten. De relatie verslechterde in ijltempo. Beide partijen bekeken elkaar met argusogen. Deze spanning  werd nog versterkt door de Koude Oorlog.

Castro was geen communist toen hij aan de macht kwam in 1959. Hij was als groot bewonderaar van José Marti en Simon Bolivar vooral een Cubaanse nationalist. Desalniettemin bestempelde toenmalig vice-president Richard Nixon hem als communist na een ontmoeting in 1959. Castro leek deze verdachtmakingen te bevestigen door gematigde ministers in zijn regering te vervangen door radicaal-gezinde. Hij was ook niet bang om te onderhandelen met de communistische regimes van de Sovjet-Unie en China.

De Cubaans-Amerikaanse relatie baadde in achterdocht en verdachtmakingen. Castro nationaliseerde Amerikaanse bedrijven en herverdeelde land van Amerikaanse bedrijven. De VS reageerde op zijn beurt met het verlagen van suikerquota. Deze situatie leidde uiteindelijk tot het verbreken van alle diplomatieke relaties in januari 1961. Vier maanden later, op 16 april, riep Castro Cuba voor de eerste maal uit tot socialistische staat. De dag nadien vond de desastreuze ‘Bay of Pigs’-operatie plaats. Eisenhower had de plannen ontworpen, maar Kennedy gaf zijn toestemming tot uitvoering.

Met een militie van uitgeweken Cubanen viel de VS het eiland binnen. Maar Castro’s ongetrainde troepen waren sterker en smoorden de inval in de kiem. De operatie faalde, consolideerde het Castro-regime en dreef het eiland verder in de armen van de Sovjet-Unie, die de officiële sponsor werd van het Cubaanse regime. Het eiland vormde enkele jaren later ook het toneel voor één van de gevaarlijkste momenten tijdens de Koude Oorlog , de Cubaanse Raketcrisis.

Andere president, zelfde beleid

Sinds de overwinning van de Cubaanse Revolutie hadden de tien opeenvolgende Amerikaanse presidenten, democratisch of republikeins, één doel: het uitschakelen van het Castro-regime en containment van de communistische dreiging. Na de mislukking in de Varkensbaai deinsde de VS terug van openlijke militaire inmenging binnen Cuba. Economische isolatie gecombineerd met geheime militaire operaties werd het geprefereerde recept om dit doel te bereiken. Officieel overleefde Castro zo’n 638 moordpogingen. Maar wat weinigen weten is dat de Verenigde Staten en Cuba gedurende al de jaren van economische boycot in contact bleven. Zelfs onder de Kennedy-administratie, die de Varkensbaai-invasie had gevorderd, zijn er pogingen ondernomen om beide landen te verzoenen. Maar keer op keer liepen de toenaderingspogingen vast.

Toen de Sovjet-Unie viel in 1990, werd verwacht dat het Castro-regime het ook zou begeven. Maar Castro bleef aan de macht. Het Amerikaanse beleid ten opzichte van Cuba veranderde evenmin. Het beleid was een gevolg geweest van de containmentstrategie die heerste in de Koude Oorlog. Maar met het eindigen van de Koude Oorlog was dit volledig overbodig geworden.

Voor het aanhouden van dit beleid moet vooral gekeken worden naar de politieke macht die de Cubaans-Amerikaanse gemeenschap uitoefende. Anti-communisme en anti-Castrosime overheersten binnen deze groep. Via lobbying, maar ook dankzij de grootte van hun gemeenschap en geografische locatie waren ze in de mogelijkheid het Amerikaans isolerend beleid ten opzichte van Cuba te bewaren.

Morgen, deel 2: Make money, not war. Hoe wederzijdse commerciële belangen voor toenadering zorgen. 

LEES OOK