Syriza, speeltijd, taboe en fetisj

1

De afgelopen dagen vernam het Belgische publiek in de pers dat onze centrumrechtse regeringsleiders eenduidig de standpunten van de ECB en het IMF verdedigen. Premier Charles Michel stelde op de Europees-Latijns-Amerikaanse top fors dat de “speeltijd voorbij is”, en dat Syriza zorgt voor onnodige instabiliteit binnen de groep van Eurolanden (10/06). Minister van Financiën Van Overtveldt reageerde unisono met zijn collega: ingaan op de voorstellen van Syriza staat synoniem voor het aanvaarden van onverantwoordelijk Grieks beleid (Knack, 13/06). De minister van Staat Karel De Gucht waande zich haast in een Koude Oorlog context: Syriza is een stalinistisch gevaar voor de Europese democratie (VTM, 7/6). De hoogste tijd om deplatgetreden paden van de politieke retoriek te verlaten en duiding te geven vanuit de prachtige wetenschap van de politieke economie.

Jelle Versieren

Jelle Versieren

Vooraleerst, de auteur moet De Gucht ongelijk geven. Syriza is geen stalinistische groepering die op het ordewoord uit Moskou wacht. De regering bestaat uit knappe koppen die geschoold zijn binnen de muren van internationaal gerenommeerde onderzoeksinstituten en universiteiten. Hun boeken en essays zijn geen obscure werken, geschikt voor de achterafkamertjes bezet door drie man en een samenzwerende paardenkop. Het zijn uitvoerig geciteerde werken gedrukt door universiteitsuitgeverijen in de Verenigde Staten of Groot-Brittannië of internationale academische uitgevers zoals Routledge of Brill. Hoe sterk ook Van Overtveldt twijfelt aan de intellectuele gaven en deskundigheid van de Griekse minister van Financiën Yanis Varoufakis, de gebeeldhouwde Griek met de vlotte socratische tong is een gevestigde autoriteit binnen het onderzoeksveld van de politieke economie. Vraagtekens moeten worden geplaatst bij deze volhardende pogingen om de Griekse beleidsmakers in diskrediet te brengen als zijnde onwetend of onbekwaam.

Speeltijd en droge feiten

“De speeltijd is voorbij”. De vraag is of de Griekse dansende beer het deuntje van de Europese orgelman wel wist te appreciëren. Griekse werklozen houden de maat aan met een cijfer dat fluctueert tussen de vijfentwintig à dertig procent van de totale werkende bevolking. Zestig procent van alle mogelijke werkende jongeren onder de vierentwintig hebben het voorrecht om te genieten van een verlengd dolce far niente. Vier op tien Grieken leven nu onder de zeer strike armoedegrens (een inkomen onder 7.000€ per jaar). Statistieken die doorheen de laatste jaren alleen een neerwaartse spiraal hebben gekend.

Voorstanders van het ongewijzigd uitvoeren van het schuldplan en structurele hervormingen van de Griekse economie investeren zeer veel energie in het uitdragen van een moreel discours: lenen kost geld en de Griekse volk heeft zichzelf de das omgedaan. Grieken hadden een hedonistische levensstijl die niet strookte met de werking van een mogelijk gezonde economie. Maar dat moreel verhaal botst tegen enkele zeer weerbarstige feiten. Tot 2008 werkte de gemiddelde Griek vijf uren langer dan zijn Noord-Europese collega’s. De voorgaande Griekse regeringen waren in de waan dat aangehouden langere werktijden de economische gevolgen van de structurele onderontwikkeling van het land konden remediëren. Tegelijkertijd konden de vele kleinere Griekse bedrijven de kapitaalgoederen geproduceerd door Noord-Europese bedrijven niet aanschaffen wegens te duur. Ook waren de toenmalige sociale voorzieningen niet vergelijkbaar met deze in Noord-Europa. Werklozen konden weinig of niet rekenen op tijdelijke overheidssteun. Dit werd gedeeltelijk opgevangen door een groter aandeel van het BNP aan pensioenen, wat tevens onontbeerlijk was voor het modale gezinsinkomen. Momenteel verder het pensioenstelsel afbouwen, zoals de ECB en het IMF voorstellen, is dan ook catastrofaal voor die gezinnen. Wanneer de uiteindelijke rekensom wordt gemaakt, dan blijkt dat de Griekse staat betreffende sociale uitgaven eerder de vinger op de knip hield dan daadwerkelijk spilzuchtig te zijn.

De staat wendde haar fiscale inkomsten en leningen aan voor zaken die niet onmiddellijk het Griekse volk of de lokale ondernemingen ten goede kwamen. Het huidig Grieks parlement heeft dan ook, onder leiding van de Belg Eric Toussaint een parlementaire commissie over de illegitieme schuld opgericht. Michael Roberts, gekend Engels econoom, stelde reeds dat de stijgende staatsuitgaves in de jaren 2000 het gevolg waren van een samenspel tussen de Griekse regering en haar oligarchische steunpilaar (havenbonzen en vastgoedspeculanten), en het internationaal financieel kapitaal in Londen en Frankfurt. Internationale investeringsbanken en institutionele beleggers beschouwden de Griekse overheid, de havens en vastgoed als high yield debt opportunities. De gemiddelde renten en interesten lagen een stuk hoger dan de gemiddelde Noord-Europese bedrijfswinsten. Daarom werd massaal geld verschaft aan de Griekse staat en bancaire instellingen, met een hogere premium in vergelijking met deze verleend aan Noord-Europese instituties, maar nog steeds aanlokkelijk voor de Griekse economische spelers.

Men hield hierbij weinig rekening met eventuele risico’s. Tussen 2008 en 2011, toen bleek dat het internationale financiële wezen opgezadeld zat met waardeloze Griekse schuld, besloten de ECB, IMF, en de Europese lidstaten (via de fondsen van het EFSF) te elfder ure het bancaire wezen te redden door het uitschrijven van gigantische en irrealistische leningen aan de Griekse staat. Deze leningen worden grotendeels gebruikt om de waarde van de voorgaande leningen te waarborgen. Wat dus maakt dat het beeld geschetst door de media, een eenvoudig verhaal over een schuldeiser (EU-instellingen en IMF) en een schuldenaar (“Griekse volk”), totaal niet beantwoordt aan de realiteit. Het valt dus veel minder uit te maken wie nu precies de oorzaak is van de schuldensneeuwbal.

Fetisj

De Europese instellingen en het IMF hebben dus veel te verliezen bij een eventueel Grieks bankroet. Het gehele financiële wezen kan opnieuw op losse schroeven staan. Dit is deels de verklaring waarom andere lidstaten halsstarrig weigeren in te gaan op de zeer gematigde voorstellen door de Griekse regering. “Hervormingen” hebben voor de ECB en het IMF dan ook maar een welbepaald doel: het ingewikkeld netwerk aan leningen en “subleningen” in leven houden. Een wezenlijke groei in termen van industriële output, een zaak waar Varoufakis redelijkerwijs blijft op hameren, staat niet op de Europese agenda.

Maar de Europese constructie is tevens gebouwd op de ideologische fetisj van het monetarisme. Sinds de jaren 1990 wordt binnen de Europese cenakels niet getwijfeld aan de premisse van het monetaristisch denken: het bestaande geldaanbod moet een stabiele economische groei voorspiegelen en aansturen. Andere parameters zoals werkgelegenheid, fiscale uitgaven, industriële output of effectieve vraag zijn geen determinanten; deze parameters volgen gewoon wat het monetaristisch beleid uitstippelt.

Orthodoxe economen, waaronder Van Overtveldt, veronderstellen zonder de nodige logische of empirische bewijzen dat de “juiste” monetaire doelstellingen automatisch leiden tot efficiënte marktwerking. Men aanziet pro-actieve fiscale maatregelen om eventuele neerwaartse cycli bij te sturen als een ongewenste en onnodige gast. Fiscale inkomsten en uitgaven moeten zich aanpassen aan de gegeven economische realiteit. In de Griekse casus betekent dit verdere besparingen (fiscale uitgaven moeten zich aanpassen aan de neerwaartse economische spiraal) in combinatie met verdere leningen (monetaire stabiliteit). Het monetaristisch recept blijkt niet te werken voor de Griekse casus: “liquiditeit” ten over, maar geen enkel teken van herstel. Dit is eveneens het geval voor “probleemlanden” zoals Spanje en Portugal: reële groei in termen van industriële output is nog steeds compleet afwezig, terwijl de aangewende liquiditeit het bankwezen en de vastgoedsector boven water houdt.

Varoufakis heeft dus plannen die afwijken van de ideologische fetisj van de Europese instellingen. Hij vindt geen bewijs, terecht, dat de monetaristische theorie logisch of empirisch steek houdt, en wil zowel de effectieve vraag als industriële activiteiten aanmoedigen met een pro-actief fiscaal beleid. De toevloed aan liquiditeit wordt nooit daadwerkelijk omgezet in industriële activiteiten. Eerder worden deze leningen onmiddellijk omgezet in klinkende Euro-munten die verdwijnen in de wijdvertakte financiële kanalen. De resterende koek wordt grotendeels opgepot door Griekse speculanten, waarvan de EU-instellingen Varoufakis verbieden hen fiscaal te belasten. Het globale beleidsprobleem situeert zich dan ook niet in het feit dat liquiditeit afwezig is, zoals de monetaristen beweren, maar eerder dat de leningen niet resulteren in een hogere vraag of industriële activiteiten op de Griekse binnenlandse markt. Monetaristen grijpen dan ook naar het enige resterende wapen: de Griekse lonen zodanig drukken dat de resterende industriële activiteit zich richt naar het exporteren van spotgoedkope maar compleet inferieure consumptiegoederen. Dit geeft uiteindelijk als resultaat dat het land zichzelf gestaag deïndustrialiseert.

Taboe

Syriza is een taboe voor Europese beleidsmakers omdat het ideologisch failliet van haar monetaristisch denken elke dag meer duidelijk wordt. Het zijn ironisch genoeg niet meer de financiële markten die de Griekse economie dwingen om verdere leningen aan te gaan. Het gaat louter om extra-economische dwang. Meer specifiek, het is een doelgerichte politieke dwang door andere lidstaten om Griekenland te verplichten verdere nodeloze leningen aan te gaan. Het taboe maakt dat Griekenland zich niet bevindt op een economisch mijnenveld, maar op een economisch-politiek slagveld. Het is een crisis die aansleept door politieke motieven.

Vincent Scheltiens, in een interview met Werner Trio op Klara (14/6), heeft op een zeer precieze en accurate wijze de politieke angel aangewezen: Europese dwang moet worden aangehouden omdat afwijkende en waarschijnlijk meer correcte economische visies geen politieke vertaling mogen krijgen in andere lidstaten. Een morele en politieke overwinning door Syriza kan ook het Spaanse kiezerspubliek op onzuivere gedachten brengen, en dit is een risico dat Brussel te allen prijze wil vermijden. TINA, “there is no alternative”, blijkt alvast betreffende het economische beleid niet meer te kloppen. Een politieke TINA, de ijzeren politieke vuist ontdaan van de fluwelen marktretoriek, wordt reeds enkele maanden in stelling gebracht. Het is een Europese materie die niet alleen het Griekse volk aanbelangt, maar ook U en ik.

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst. Zelf een bijdrage insturen, doe je hier.

Auteur: Jelle Versieren

Historicus en onderzoeker aan de Universiteit Antwerpen