‘Loonsverhoging helpt Bengalese textielarbeiders niet vooruit’

 Leestijd: 7 minuten1

In Bangladesh, waar kledingarbeidsters moeten rondkomen met 53 euro per maand, lopen momenteel onderhandelingen over hogere minimumlonen. “Verandering is nodig, maar helaas niet genoeg”, vreest vakbondsactiviste Kalpona Akter. Een openhartig gesprek met een kinderarbeidster die zich opwerkte tot kritische en gedreven stem in de sector.

Rana Plaza
Wat is er veranderd, vijf jaar nadat 1.138 textielarbeiders het leven lieten toen fabriekscomplex Rana Plaza instortte in Bangladesh? Niet genoeg. De fabrieken zijn dan wel veiliger geworden, maar de mensen in die fabrieken zijn daarom niet veilig.

Journaliste Sarah Vandoorne trok voor Apache naar Bangladesh en kwam terug met een driedelig dossier.

“Ik kan geen nieuwe Rana Plaza meer aan. Het idee dat ik in de sector werk en niet genoeg heb gedaan, ik ben daaraan kapotgegaan. Nooit meer.” Kalpona Akter is zichtbaar geëmotioneerd als we haar spreken over hoe de kledingindustrie vijf jaar geleden opgeschrikt werd door de instorting van het fabriekscomplex, met 1.138 doden en 2.500 gewonden tot gevolg, de zwaarste ramp in de industrie.

Akter is oprichtster van BCWS, het Bangladesh Centre for Worker Solidarity, een organisatie die arbeiders wil beschermen en tegelijk informeren over hun rechten. Daarmee won Akter anderhalf jaar geleden de Alison des Forges Mensenrechtenprijs voor buitengewoon activisme van Human Rights Watch.

Van kindsbeen

Kalpona Akter: “Ik kan geen nieuwe Rana Plaza meer aan. Het idee dat ik in de sector werk en niet genoeg heb gedaan, ik ben daaraan kapotgegaan. Nooit meer.” (Vijf jaar na de ramp in Rana Plaza zijn de textielarbeiders in Bangladesh nog altijd niet veilig. (Foto: © Lieve Blancquaert/Wereldsolidariteit)

Dat Akter zich specifiek voor deze sector inzet, is geen toeval. De intussen 41-jarige vrouw begon haar carrière op dezelfde manier als de arbeiders die ze probeert te emanciperen: met een schaar in de hand.

“Ik was twaalf. Mijn vader kon niet meer werken door ziekte. Samen met mijn broertje van tien stonden we in voor de broodwinning van een gezin van zeven. Het weinige geld dat we verdienden, ging vooral op aan eten. Aan het einde van de maand was er amper nog iets over voor de medicatie van mijn vader.”

‘Ik werkte 400 uur per maand voor een loon van 5 euro. Wist ik veel wat mijn rechten waren.’

“Ik werkte 400 uur per maand voor een loon van 5 euro. Wist ik veel wat mijn rechten waren, wat een minimumloon is, dat misbruik strafbaar is. Neerzitten tijdens mijn shift zat er niet in: als stoffenverknipster moest ik de hele dag blijven rechtstaan. Een minuutje rusten op een stoel betekende dat ik geslagen of geschopt zou worden. En ik vond dat normaal.”

Was jouw fabriek even onveilig als het Rana Plazacomplex?

Kalpona Akter: “De fabriek was zeker niet veilig. Er is eens een brand uitgebroken, op de vijfde verdieping van het complex. Zelf werkten we op de derde verdieping, de productievloer. Onze manager zei dat de brand wel niet zou afzakken tot daar. Hij sloot ons op en gebood ons verder te werken.”

“Twee uur lang jammerden we, tot uiteindelijk de deuren geopend werden. Met slechts één trappenhal in het volledige gebouw, was het vechten om snel beneden te geraken. Velen geraakten gewond, gelukkig liet niemand het leven.”

Heeft de vakbond opgetreden na die brand?

Akter: “In mijn fabriek was er geen vakbond actief. We kenden dat woord zelfs niet. Na twee jaar werken op de productievloer, brak wel een staking uit. Het management kondigde aan dat we nog minder zouden verdienen voor overuren, en we kregen nu al zo weinig. Daar konden ze niet mee wegkomen, vonden we.”

‘De fabriekseigenaars reageerden repressief op de staking. De maand nadien kregen we minder betaald. De arbeiders die het voortouw hadden genomen, werden ontslagen.’

“Ik deed mee, als enige vrouw samen met 92 mannen. De aankondiging kwam net voor het Suikerfeest en ik was van plan om met mijn extra geld nieuwe kleren te kopen voor mijn jongere broers en zussen. Ik was het aan hen verschuldigd om mee te staken.”

“De fabriekseigenaars reageerden repressief op de staking. De maand nadien kregen we minder betaald. En de arbeiders die het voortouw hadden genomen, werden een voor een ontslagen.”

In training

“Een van mijn ontslagen collega’s ging op zoek naar een organisatie die hem kon helpen. Hij kwam terecht bij een soort van solidariteitscentrum, zoals BCWS, waar trainingen georganiseerd werden over arbeidsrecht en vakbonden. Daar leerde hij dat hij zijn voormalige bazen voor de rechtbank kon dagen. Ik reageerde zo verbaasd dat hij me aanraadde om dezelfde cursus te gaan volgen.”

“Vier uur training heb ik gevolgd. Meer was er niet nodig om mijn hele leven te veranderen. Daags nadien begon ik mezelf en mijn collega’s te verenigen.”

Die vakbond kwam er dus uiteindelijk toch?

Akter: “Nee. Mijn aanvraag werd geweigerd en het management trad opnieuw hard op. Ik werd ontslagen, mijn naam kwam op de zwarte lijst terecht. Maar een andere vakbond heeft mij opgevist, ze zagen iets in mij en ik werd onderwijzer in arbeidsrecht. Daar ben ik nooit echt mee gestopt. Die show gaat door bij BCWS.”

‘Mij ontslaan was eigenlijk de slechtste beslissing dat die fabriekseigenaar ooit genomen heeft. Mocht ik gebleven zijn, had ik 1.500 mensen bijeen kunnen brengen in een vakbond. Nu verenig ik het hele land.’

“Mij ontslaan was eigenlijk de slechtste beslissing dat die fabriekseigenaar ooit genomen heeft. Mocht ik gebleven zijn, had ik maximaal 1.500 mensen bijeen kunnen brengen in een vakbond. Nu verenig ik het hele land.”

Hoe doet BCWS dat juist?

Akter: “Wij onderrichten arbeiders die van niks weten, zoals ik in het begin, of geven hun raad als ze niet betaald of ontslagen worden. We hebben verschillende trainingsschema’s. Sommige trainingen zijn specifiek gericht op vrouwen, omdat zij het leeuwendeel van de industrie uitmaken en dus meer op de voorgrond zouden moeten komen. Ons doel is om meer dan de helft van de leidinggevende functies in de fabrieken door vrouwen te laten uitvoeren.”

Voor de rechtbank

“Daarnaast geven we ook juridische bijstand op korte en lange termijn. We proberen te bemiddelen. Als dat niet werkt, stappen we naar de rechtbank. Maar rechtszaken zijn duur voor een organisatie als de onze.”

Heb je vertrouwen in het Bengalees rechtssysteem?

Akter: “We hebben geen andere keuze, we moeten er wel op vertrouwen. Maar het rechtssysteem werkt traag – in het arbeidshof zijn er meer dan 1.000 zaken hangende – en is bijzonder corrupt.”

‘Het rechtssysteem werkt traag en is bijzonder corrupt.’

“De strafrechtbank is het duurst. Het geld dat je daar betaalt, is ‘onzichtbaar geld’: je moet dit of dat op tafel leggen, als je iets gedaan wilt krijgen, maar daar krijg je nooit een kwitantie van.”

En de fabriekseigenaars hebben meer geld om daaraan uit te geven?

Akter: “Ze hebben niet enkel het kapitaal, ze hebben ook de macht. Een derde van de fabriekseigenaars zetelt in het parlement of heeft een onrechtstreekse link met politici daar. Zo verliezen we altijd: één plus één is gelijk aan één groot monster waar we niet tegen opgewassen zijn.”

Met de pluimen

“Dat is een groot probleem in ons land: minister-president Sheikh Hasina behartigt de belangen van de zakenlui, niet die van de arbeiders. Ze gaat zelfs zo ver dat ze zegt dat de arbeiders de sector kapotmaken door het voeren van loonprotesten. En als de lonen toch omhooggaan, zoals in 2013, gaat zij met de pluimen gaan lopen. Al zal ze nooit zeggen dat die lonen laag zijn.”

Na Rana Plaza luidde er kritiek over de hele wereld. Hoe kan het dat de regering van een land dat op vlak van export grotendeels afhangt van die ene sector, de urgentie van dit debat niet inziet?

Akter: “Daar heeft Sheikh Hasina altijd wel een antwoord voor klaar. Ze maakt zich zorgen dat de werkgelegenheid zou verdwijnen, mochten de lonen stijgen. Die race to the bottom gebruikt ze als landenstrategie.”

‘In vergelijking met vijf jaar geleden is alles hier, van rijst tot riksjaritjes, 80% duurder geworden.’

“Maar eerlijk: dat argument is bullshit. Een handel blijft toch geen driehonderd jaar in hetzelfde land? De bedrijven beslissen waarheen ze verhuizen, niet mijn minister-president. Business is geen liefdadigheid. Zodra Afrikaanse landen voldoende infrastructuur hebben, zijn bedrijven weg, punt. Waarom moeten onze arbeiders daar in de tussentijd onder lijden?”

“Kledingarbeiders hebben een volwaardig leefloon nodig. Hun wedde dekt niet eens alle kosten. In vergelijking met vijf jaar geleden is alles hier, van rijst tot riksjaritjes, 80% duurder geworden.”

In stijgende lijn

“Een derde van hun loon hebben arbeiders nodig om de huur te betalen. Daarmee hebben ze nog niet hun eten bekostigd. De voedselprijzen zijn de laatste drie jaar enorm gestegen. De prijs per kilogram rijst, de voornaamste voedingsbron van arbeiders, is nu 70 cent.”

Loonprotest, aan het monument van Rana Plaza. Op het spandoek staat: 'Meer loon naar werk'. (Foto: Apache © Sarah Vandoorne)

Loonprotest, aan het monument van Rana Plaza. Op het spandoek staat: ‘Meer loon naar werk’. (Foto: Apache © Sarah Vandoorne)

“Toen ik nog in de sector werkte, verdiende ik misschien maar 5 euro, maar een kilo rijst werd toen tenminste verkocht voor 5 eurocent. In verhouding is dat een beter loon dan het huidige minimumloon van 53 euro. Hoe kunnen arbeiders overleven? Hoe kunnen fabriekseigenaars verwachten dat arbeiders de productie opdrijven, als ze niet eens genoeg te eten hebben?”

Momenteel zijn er loononderhandelingen aan de gang. Hoeveel hebben arbeiders echt nodig om rond te komen?

Akter: “De huidige eis is een minimumloon van 160 euro per maand. Maar zelfs al zou dat bedrag uit de bus komen, wat niet erg waarschijnlijk is, dan betekent dat niet het einde van onze zorgen.”

‘Eigenlijk helpen loononderhandelingen de arbeiders niet vooruit. Enkel de grootverdieners, de verhuurders, varen er wel bij.’

“We zijn bezorgd dat de marktprijs van huur en voeding daags nadien opnieuw zou stijgen. Dat zagen we in 2013. Toen ging het minimumloon omhoog van 30 naar 53 euro. En de volgende ochtend verhoogden huurbazen hun gronden met 10 tot 15 euro.”

“Eigenlijk helpen loononderhandelingen de arbeiders dus niet vooruit. Enkel de grootverdieners, de verhuurders, varen er wel bij. Van mijn part mogen de lonen dus laag blijven, zolang de huur maximaal 5% van dat loon beslaat en andere kosten niet hoger oplopen dan 10%. Dat is helaas niet mogelijk in het huidige marktsysteem. En als arbeider kun je niet op tegen die markt.”

Wat moet er dan wel gebeuren?

Akter: “Behalve onze vraag voor 160 euro vragen we ook aan de merken om meer bij te dragen. Dat hoeft niet veel te zijn: per kledingstuk dat hier geproduceerd wordt, kunnen ze een paar cent extra geven.”

Ramp

“Eigenlijk vragen we de merken om minder kledij te verkopen aan bodemprijzen. Zo’n lage kostprijs helpt niemand vooruit. Het creëert enkel fast fashion, een ramp voor het milieu en voor de consument.”

Waarom is dat een ramp voor de consument, die net blij is als hij een koopje op de kopt tikt?

Akter: “Vroeger kochten consumenten één T-shirt en dat ging dan een tijdlang mee. Nu kopen ze vijf T-shirts aan 3 euro, dragen ze die twee keer en dan gooien ze het weg. Dat is ook niet goed voor hun portemonnee.”

‘Blijf kopen, onze arbeidsters hebben jobs nodig. Alleen moeten die jobs waardig zijn. De consumenten kunnen daartoe bijdragen. Ze kunnen vragen stellen in de winkels.’

“Consumenten smijten met geld en helpen er niemand mee vooruit. Al zeker niet de arbeiders, die onder zware druk staan om fast fashion te produceren en daar niet naar vergoed worden.”

Op welke manier worden arbeiders onder druk gezet?

Akter: “Ze krijgen dagelijks een target, een doelstelling om te behalen. Die targets zijn gestegen na de eerste loonsverhoging. Fabrieksbazen verwachten tot 60% meer productie. Dat is gekkenwerk. Maar targets zijn targets. Als arbeiders die op het einde van de dag niet halen, moeten ze overuren kloppen.”

Wie beslist er over die targets?

Akter: “De fabrieksbazen zijn daarvoor verantwoordelijk. Maar zij worden onder druk gezet door de merken, dus eigenlijk ligt de bal in hun kamp. Zij zijn diegene die een miljoen stuks twee maanden na hun bestelling in hun rekken verwachten.”

Kopen we als consument dan beter geen merken meer die in Bangladesh produceren aan dergelijke voorwaarden?

Akter: “Nee, zeker niet. Blijf kopen, onze arbeidsters hebben jobs nodig. Alleen moeten die jobs waardig zijn. De consumenten kunnen daartoe bijdragen. Ze kunnen vragen stellen in de winkels. Wie heeft dit kledingstuk gemaakt? Hoeveel kreeg die arbeidster daarvoor? Waar komt zij vandaan? Is de fabriek veiliger dan vijf jaar geleden?”

“Begrijp me niet verkeerd: ik stel niet voor dat je massaal fast fashion begint in te slaan. Koop geen vijf T-shirts. Houd het op eentje, een die je echt mooi vindt, van degelijke kwaliteit. En zodra het dan aan jou is aan de kassa, kun je je vragen stellen. Hoe meer vragen er komen, hoe meer die zullen doorsijpelen naar de hoofdkantoren van merken. En zo kun je als consument echt iets in gang zetten.”

Auteur: Sarah Vandoorne

Sarah Vandoorne is freelance journalist. Voor haar master na master in Conflict & Development verrichtte ze veldwerk in Bangladesh en deed ze onderzoek naar migratie, identiteit en religie in Londen. Sinds Rana Plaza volgt ze de tendensen en de teneur van de textielsector op de voet en keerde ze terug naar het chaotische Dhaka. Meer op ontketening.be.

Word lid

Word jij lid van Apache? Lees direct verder en steun onafhankelijke onderzoeksjournalistiek. Nu al vanaf 6,25 euro per maand.


Ja, ik word lid

Word nu lid van Apache en geniet van deze voordelen:

  • Toegang tot alle ruim 4.000 artikels
  • Deel de artikels gratis met je vrienden
  • Toegang tot alle dossiers en het volledige archief
  • Treed in discussie met journalisten en andere lezers
  • Korting op events en andere journalistieke producten, zoals e-books