Het vergiftigd geschenk van de Antwerpse haven

 Leestijd: 6 minuten1

Een enorme en ernstige historische milieuverontreiniging bezorgt de Haven van Antwerpen financiële kopzorgen. In het vergeten Fort Sint-Filips in de Antwerpse haven werden tussen 1952 en 1970 miljoenen liters olie en ander afval verbrand, meer dan wat er in 1989 uit de lekgeslagen olietanker Exxon Valdez vloeide. Ook vandaag nog zitten er grote hoeveelheden toxische stoffen in de bodem en het grondwater, waarvan een deel hoogstwaarschijnlijk ook uitstroomt naar het oppervlaktewater. Het Havenbedrijf en Total, twee van de historische vervuilers, troffen recent een regeling over de sanering, die naar alle waarschijnlijkheid in 2018 zal kunnen beginnen, drie jaar zal duren, en om en bij de 30 miljoen euro zal kosten.

Op sommige plekken hangt er een overweldigende, bijtende geur. Op andere plaatsen sijpelt een teerachtige stof uit de grond, hier en daar al opgedroogd, maar elders nog steeds vloeibaar.

Sinds 1993 fungeert het vergeten Fort Sint-Filips, dat deel uitmaakt van de historische, defensieve fortengordel rond Antwerpen, als broed- en rustgebied voor vogels. Veel vogels vliegen er echter niet rond. Het Fort zelf is nauwelijks zichtbaar, door de jaren heen werd het bedekt met zand en vervuilde aarde. Het staat bovendien onder water, al is dat een wel erg inaccurate omschrijving voor het donkerbruine, smeuïge, olie-achtige goedje dat je er aantreft. In het bodemrapport dat de Haven van Antwerpen in 2014 bestelde, staat dat er op sommige plekken zelfs “puur product” werd aangetroffen. Pure olie dus.

Vervuiling in Fort Filip (Foto: Lukas De Clercq ©)

Vervuiling in Fort Sint-Filips (Foto: © Lukas De Clercq)

Bijna 50 jaar na de laatste dumping en verbranding is er nog steeds direct waarneembare vervuiling in het Fort. Olie en chemicaliën zorgen bij lichte roering van het grachtwater voor opstijgende gassen en pekkleurige wolkvorming. Op sommige plekken hangt er een overweldigende, bijtende geur. Op andere plaatsen sijpelt een teerachtige stof uit de grond, hier en daar al opgedroogd, maar elders nog steeds vloeibaar. Dit is niet hoe je je een natuurgebied voorstelt. Het heeft eerder iets weg van een natuurramp.

Foto: Lukas De Clercq ©

Foto: © Lukas De Clercq

Tussen 1950 en 1970 werd het Fort Sint-Filips door heel veel verschillende havenbedrijven gebruikt als dumpplaats voor hun olieafval, met de goedkeuring van de stad, die er ook zelf haar olieafval dumpte.

Bodemonderzoek, in 2014 besteld door de Haven van Antwerpen en uitgevoerd door Ecorem, toonde aan hoe enorm de vervuiling is. Naast minerale olie werden er ook zware metalen als lood en kwik, PCB’s (bekend voor hun rol in de Belgische dioxinecrisis), PAK’s (mogelijk kankerverwekkend) en een hoop andere vervuilende stoffen aangetroffen.

Er zitten in totaal onder meer 11,2 miljoen kilo minerale olie, 155.651 kilo PAK’s, 384 kilo PCB’s, 530.304 kilo zware metalen, en nog honderduizenden kilo’s andere vervuilende stoffen in de bodem. Dit is de historische schuld van zowel de stad Antwerpen als verschillende havenbedrijven, die twintig jaar lang quasi ongestoord hun gang konden gaan.

Grondvervuiling (Foto: © Lukas De Clercq)

Grondvervuiling (Foto: © Lukas De Clercq)

Prijs boven milieu

Tussen 1952 en 1970 werd het Fort Sint-Filips door heel veel verschillende havenbedrijven gebruikt als dumpplaats voor hun olieafval, met de goedkeuring van de stad, die er ook zelf haar olieafval dumpte. In 1950 werd het afvalverwerkend bedrijf Van Den Bosch door de toenmalige directeur-generaal van de Haven aangesteld als verantwoordelijke voor de ophaling en verbranding van de oliën. Uit financiële overwegingen werd gekozen voor zogenaamde open verbranding in zandkuilen, een methode die niet enkel zorgde voor zwarte rookwolken, maar ook voor insijpeling van het afval in de grond. Op het einde van de jaren ’50 werd de verbranding om die en andere redenen tijdelijk stopgezet door de Haven. Directeur-generaal Leemans omschreef de open verbranding als volgt:

“De afvalstoffen werden […] over de Noordoostelijke berm van het Fort St. Filip uitgestort en aan het branden gebracht. Die producten drijven naar beneden en vormen een soort oliemeer dat door zeer primitieve “dijken” binnen zijn oevers wordt gehouden. De afvalstoffen branden aan de oppervlakte maar dit gaat gepaard met een korstvorming welke de lucht afsluit en verdere verbranding onmogelijk maakt. De behandeling geeft daarenboven geweldige rookwolken vergezeld van zware en walgelijke oliereuken. De olie dringt in de grond en in de kelders van het Fort, zodat geheel de constructie door de olie bedreigd wordt.”

“De open verbranding geeft daarenboven geweldige rookwolken vergezeld van zware en walgelijke oliereuken.”

Ondanks een aanbod in 1955 van ene Franciscus Panis, die een methode had ontwikkeld voor het nagenoeg rook- en geurloos verbranden van afvalolie, ging de open verbranding op de site tot 1970 door. Nochtans leek Panis op een bepaald moment toch een doorbraak te kunnen forceren. Hij kreeg hetzelfde jaar de voorlopige toestemming om op de site van het Fort een proefopstelling in te richten, die vervolgens zes maanden lang succesvol draaide. Dat mocht onder de voorwaarde dat hij – net als Van Den Bosch – de olie die de stad aanvoerde gratis zou verwerken. In 1957 besloot het College uiteindelijk om Van Den Bosch en z’n open verbranding te bannen, ten voordele van het “Panis-procédé”.

Een brief van de FHSA (Federatie van Scheepsherstellers van Antwerpen) zou echter roet in het eten strooien. De kostprijs die Panis aanrekende, lag veel hoger dan die van Van Den Bosch. In plaats van 5 frank per vat, zouden ze nu 35 frank per vat moeten betalen, een financiële aderlating die veel bedrijven niet wilden slikken. Niet veel later schrijft directeur-generaal Leemans naar de hoofdingenieur-directeur van de Haven, waarin hij verwijst naar de brief van de FSHA. De Federatie stelt daarin dat zij geen monopolie wil zien ontstaan bij de verbranding van afvalolie. Leemans zet bovendien ook plots vraagtekens bij de methode van Panis. Ondanks de succesvolle proefopstelling zou de methode volgens hem haar “praktisch nut” niet bewezen hebben.

Binnenaanzicht van een kamer: de bovenkanten van gangen links en rechts zijn nog zichbaar boven de olie. (Foto: Lukas De Clercq ©)

Binnenaanzicht van een kamer: de bovenkanten van gangen links en rechts zijn nog zichtbaar boven de olie. (Foto: © Lukas De Clercq)

Op 12 november 1958 besluit de stad tegen alle adviezen in om tijdelijk opnieuw open verbranding toe te staan, onder de voorwaarde dat de betrokken bedrijven onderzoek doen naar verbranding in een oven. Van Den Bosch kan opnieuw aan de slag. Hij en Panis werken nog enkele maanden naast elkaar in het Fort, maar de laatste bezwijkt uiteindelijk snel onder de prijsconcurrentie. Hij probeert nog een doorstart te maken met een nieuw bedrijf, maar de administratieve rompslomp rond een nieuwe patentaanvraag doet hem uiteindelijk de das om nog voor hij kan beginnen. Het monopolie is voor Van Den Bosch.

Grootste vervuilers

De totaal gerapporteerde hoeveelheid die in deze 10 jaar naar het Fort werd gebracht, bedraagt ruim 48,8 miljoen liter. Ter vergelijking, dat is meer dan de officiële schattingen van de omvang van gelekte olie uit de olietanker Exxon Valdez.

Er waren destijds dus wel degelijk minder vervuilende manieren beschikbaar om het afval te verwerken. Alle partijen waren daar bovendien van op de hoogte. Niettemin zijn na het afhaken van Panis de verbrandingen nog 10 jaar vrijwel onveranderd blijven doorgegaan, en dat in een steeds sneller tempo. Bij de hoeveelheden uit de jaren ’60 vallen die van de jaren ’50 in het niets. In die jaren wordt ook meermaals illegaal afval gedumpt, onder meer uit militaire hoek, wat tweemaal gerapporteerd wordt door de technische diensten van de stad.

Pas vanaf 1959 werd er regelmatig verslag gemaakt van de aangeleverde afvalstoffen. Op basis van beschikbaar archiefmateriaal is het mogelijk om een minimale schatting te doen van de totale hoeveelheid en de verdeling per bedrijf. Omdat de melding van hoeveelheden niet eenduidig gebeurt, gaat het om (minimale) schattingen. Wanneer een inhoudsmaat te onduidelijk was, werd ze niet opgenomen in de analyse.

(Grafiek: Lukas De Clercq)

(Grafiek: Lukas De Clercq)

De totaal gerapporteerde hoeveelheid die in deze 10 jaar naar het Fort werd gebracht, bedraagt ruim 48,8 miljoen liter. Ter vergelijking, dat is meer dan de officiële schattingen van de omvang van gelekte olie uit de olietanker Exxon Valdez die in 1989 lek sloeg en meer dan 2.000 km kustlijn van Alaska verontreinigde.

(Grafiek: Lukas De Clercq)

(Grafiek: Lukas De Clercq)

In 1967 gingen er uiteindelijk opnieuw stemmen op om een einde te maken aan de open verbranding. De grafiek toont aan dat in de jaren daarvoor de hoeveelheid afval sterk was toegenomen. Het Fort raakte oververzadigd en de technische diensten van de stad trokken aan de alarmbel.

Havenschepen Leo Delwaide luisterde en trachtte de Antwerpse chemiebedrijven te overtuigen om een gemeenschappelijke afvalverbrandingsoven te bouwen. Delwaide kwam met hen overeen om de verbrandingen geleidelijk af te bouwen in afwachting van alternatieve verwerkingsoplossingen. De afbouw komt er echter niet, de jaren na 1967 worden recordjaren. En hoewel de officiële termijn afloopt op 2 juli 1969, zal er pas definitief een einde komen aan de open verbrandingen op 1 augustus 1970.

Sanering

De kosten voor het saneren van enkel de vijver worden geschat tussen 5 en 12,35 miljoen euro. De totale kost werd in het verleden door het Havenbedrijf geschat op 30 miljoen euro.

Bijna 50 jaar na de laatste open verbranding van afval, wil de Haven het enorm vervuilde terrein eindelijk aanpakken. De situatie is ernstig, en sanering is zeer urgent, blijkt uit het bodemonderzoek. “Van de historische bodemverontreiniging gaat een humaan toxicologisch risico (actueel/potentieel) en een ecotoxicologisch risico (actueel/potentieel) uit. Tevens wordt een ernstige bedreiging vastgesteld omwille van de verspreiding”, staat in het rapport te lezen.

De voormalige drooggracht van het Fort (Foto: Lukas De Clercq ©)

De voormalige drooggracht van het Fort (Foto: © Lukas De Clercq)

“In de loop van 2017 wordt een saneringsproject opgemaakt”, legt Annik Dirkx, woordvoerster van het Havenbedrijf uit. “Dat project kan dan vanaf 2018 van start gaan indien het wordt goedgekeurd door OVAM, de Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij. Die sanering zal naar schatting twee tot drie jaar tijd in beslag nemen.”

De sanering zal er wellicht op neerkomen dat er een soort van sarcofaag rond het Fort geplaatst zal worden, om verdere verspreiding van de vervuiling tegen te gaan.

Ondanks het “actuele humaan- en ecotoxicologisch risico” en de opmerking in het Milieurapport van de Haven uit 2015 dat er hoogstwaarschijnlijk ook uitstroom is van de verontreiniging naar het oppervlaktewater, acht OVAM het niet nodig om voorlopige maatregelen te nemen. “Het is weliswaar een ernstige verontreiniging die zeker en vast gesaneerd moet worden, maar ze blijft beperkt tot de site en de onmiddellijke omgeving ervan”, legt Jan Verheyen, woordvoerder van OVAM uit.

De sanering zal er wellicht op neerkomen dat er een soort van sarcofaag rond het Fort geplaatst zal worden, om verdere verspreiding van de vervuiling tegen te gaan. Het Fort maakt bovendien deel uit van het Sigmaplan, dat onder meer verschillende Scheldegebieden moet beschermen tegen watersnood. De geplande sigmadijk zal dan bovenop de ondoorlatende wand komen.

Over de verantwoordelijkheid voor de sanering bestond lange tijd onenigheid tussen het Havenbedrijf en Total, dat vlakbij het Fort ligt en jarenlang afvalwater loosde in de nabijgelegen vijver. Ondertussen bereikten beide partijen een vertrouwelijke regeling, bevestigt het Havenbedrijf. De kosten voor het saneren van enkel de vijver worden geschat tussen 5 en 12,35 miljoen euro. De totale kost werd in het verleden door het Havenbedrijf geschat op 30 miljoen euro. In 2013 nam het Havenbedrijf bijkomende financiële voorzorgen door 20 miljoen opzij te zetten, daarvoor was er al 10 miljoen provisie genomen.

“Vlaanderen heeft de ambitie om niet enkel nieuwe verontreiniging te voorkomen, maar ook om stelselmatig alle historische verontreinigingen tegen 2036 op te ruimen”, besluit woordvoerder van OVAM Jan Verheyen.

Vlaamse Overheid

Dit artikel kwam tot stand met steun van de Vlaamse overheid.

Auteur: Lukas De Clercq

Lukas De Clercq is een jonge fotograaf en onderzoeker. Hij studeert momenteel Industriële Wetenschappen aan de Universiteit van Antwerpen. Meer werk van Lukas vind je op zijn website

Auteur: Jan Walraven

Jan Walraven studeerde af als master journalistiek (2010) en master internationale politiek (2012) aan de universiteit van Gent. Sinds april 2015 schrijft hij voor Apache. Daarvoor werkte hij als freelancer in Israël en de Palestijnse Gebieden. Hij tweet af en toe als @jnwlrvn.

Word nu lid van Apache en geniet van deze voordelen:

  • Toegang tot alle ruim 4.000 artikels
  • Deel de artikels gratis met je vrienden
  • Toegang tot alle dossiers en het volledige archief
  • Treed in discussie met journalisten en andere lezers
  • Korting op events en andere journalistieke producten, zoals e-books