Tessa Vermeiren: “Men roept maar wat, de rede is zoek”

 Leestijd: 16 minuten0

Nieuwsgierigheid. Dat is, zegt ze, de basis van alles. Daar is het mee begonnen, en dat hield haar gaande. Als journaliste, als hoofdredactrice, als bladenmaakster. Een droomjob, noemt ze haar baan bij Knack Weekend, in weerwil van het niet bepaald fijnzinnige welkom van haar mannelijke Knack-collega’s. Ze citeert ze letterlijk, de eerbiedwaardige heren van het eerbiedwaardige magazine: ‘je weet toch dat alle vrouwen hier in de keuken over den toile cirée zijn gegaan?’

Tessa Vermeiren (1949) begon haar loopbaan bij de Duitse Diest voor Toerisme en rolde toevallig in de media. Ze werkte voor het weekblad Ons Volk en Libelle. Daarna was ze 24 jaar lang hoofdredacteur van Knack Weekend, waarin ze ook aanwezig was als columnist. In 2005 publiceerde ze samen met Yamila Idrissi Kif-kif. Aan de ander kent men zichzelf.

Geschiedenis. Ziedaar wat ze, ingegeven door haar nieuwsgierigheid, graag had gestudeerd. “Dat het aan alles en nog wat raakte, dat was wat er mij zo aan intrigeerde. Mijn vader was een geëngageerde vakbondsman, politiek was thuis een punt van discussie. Bovendien had ik op school uitstekende leraars, raakte ik als jong meisje gefascineerd door Karl Marx en Mao Zedong. In mijn laatste jaar middelbaar waren mijn antwoorden op de examenvragen veel omvangrijker dan wat er werd verwacht.”

Ze lacht. Ik denk: vlijtig, ambitieus, toen al. “Maar, komende uit een arbeidersgezin als enig meisje, viel het dictaat van mijn moeder: twee jaar verder studeren, dat is het. En niet op kot, maar op en neer met bus en trein.”

Dan maar een tweede keuze. Vertaler-tolk, richting Frans en Engels. Maar de opleiding voldeed haar niet, ze maakte ze niet af. Werd secretaresse bij de Duitse Dienst voor Toerisme, met als onderdeel van haar taak de persdienst. “Uitnodigingen sturen naar redacties, contacten leggen met journalisten. Elke ochtend nam ik alle kranten door, en zo begon het me te dagen. Dat wilde ik ook wel doen!”

Toen ze hoorde van een vacature bij De Standaard-groep, greep ze haar kans. “Ik was 21 toen ik in dienst trad bij het weekblad Ons Volk. Meelopen met de reportageploeg, verslag uitbrengen over vanalles en nog wat. Nu nog herinner ik me haarscherp dat gevoel: eindelijk zit ik op mijn plaats!”

Tessa Vermeiren, 5 oktober 2016 (Foto: © Sigrid Spinnox)

Tessa Vermeiren, 5 oktober 2016 (Foto: © Sigrid Spinnox)

Deuren open

Die fameuze nieuwsgierigheid, ja. Die ze de voornaamste kwaliteit van een journalist noemt, en die daar eindelijk werd bevredigd. “Ik zie me nog zitten in de Innovation als jong broekje met de toenmalige grote couturier Jean-Louis Scherrer. Dat ik zomaar op die man kon afstappen, hem kon vragen wat ik meende te moeten vragen. Dat alle deuren opengingen, ik alles kon verkennen, doorgronden. Dat besef.”

“Eigenlijk begon het al op het ogenblik dat je naar de documentatiedienst stapte. Je sloeg de map open van de man of vrouw die je zou ontmoeten, je verdiepte je daarin – jaja, daar was toen nog tijd voor! Dat was zo geweldig, ik heb daar zoveel van geleerd. Die eerste tien-twaalf jaar in de journalistiek, die waren mijn universiteit.”

In haar stem klinkt onverminderd het enthousiasme door van toen. Dat van een jonge vrouw, die tussendoor ook huwde en twee kinderen kreeg. Maar die bleef doorwerken – toen net iets minder evident dan vandaag. “Ik vond dat nodig,” zegt ze, “voor mezelf. Journalistiek was mijn leven, ik kan ook niet veel anders.”

“Plus, ik wilde mijn eigen geld verdienen, en gelukkig maar. Want toen De Standaard in 1976 failliet ging, stonden mijn man en ik allebei op straat. Ik werkte bij Ons Volk, hij bij Zie Magazine, onze zoon Kim was net geboren. Er moest brood op de plank komen.”

“Nu ik op rust ben, vind ik mijn vrijheid heerlijk. Maar daarvoor ben ik altijd blijven werken, heb ik niet één dag gestempeld. Het zou niet bij me zijn opgekomen dat te doen. Geen enkel moment. Nooit, never.”

Sneltrein

Journaliste zonder meer zou ze niet lang blijven. Ze was amper 23 toen ze al chef-redacteur was, plannings opmaakte, stukken uitzette. Deed wat ze haar hele verdere loopbaan zou blijven doen, kortom. Bladen maken.

Op Ons Volk volgde het damesblad Libelle. Van Libelle ging het naar Weekend Knack, het magazine dat ze op de kaart zou zetten en waar haar naam onlosmakelijk mee verbonden blijft. Al was die stap minder ingegeven door doordachte carrièreplanning dan door een bijna anekdotisch toeval, herinnert ze zich. Van het soort dat een mensenleven bepaalt, dat wel.

“Ik was die dag jarig, zesendertig werd ik. Het was op een persconferentie van de VTB in de Yacht Club van Antwerpen. Ik zat naast Frank De Moor en sprak er mijn verbazing over uit dat de kleindochter van Albert Moortgat die bij Libelle werkte, was aangezocht om Weekend Knack te maken. Dat is ook niet echt gelukt, zei Frank, kunde gij beter? Ik zei: ik denk van wel.”

“Daarna ging het als een sneltrein. ’s Ochtends zat ik in Brussel voor een gesprek met Frank de Moor, Hubert Van Humbeeck, Sus Verleyen en Rik De Nolf. De voltallige vierschaar achter de tafel, jaja, en Sus die mij vroeg: wa denkte gij dat gij hier kunt komen doen?”

“Die eerste tien-twaalf jaar in de journalistiek, die waren mijn universiteit.”

“Aansluitend zijn we met z’n allen gaan lunchen. Vanuit het restaurant heeft De Nolf zijn moeder gebeld. Kom mee naar Roeselare, zei hij na afloop, uw contract zal klaarliggen. Ik weet nog dat ik gevraagd heb: en hoe geraak ik in Roeselare, het was voor de tijd van de GPS. Maar voor De Nolf was dat heel simpel: gij rijdt met mij mee en mijne chauffeur rijdt met uwen auto. Hoe we in Roeselaere geraakt zijn, zou ik niet kunnen zeggen. We zijn aan de praat geraakt over bladen en dat is niet gestopt.”

Ter plaatse ze werd voorgesteld aan mater familias Marie-Thérèse De Clerck. “Zij was voorzitter van de raad van bestuur, en zij nam de beslissingen. Want een echte personeelschef had het bedrijf toen nog niet. En (lachje) ze stelde van die vragen…”

“Ik was pas gescheiden, mijn ex-echtgenoot werkte bij De Morgen. Onze kinderen woonden bij hem en waren enkel in het weekeind bij mij. Kortom, ik was niet bepaald wat ze verwachtte. Of ik wel wist wat een christelijk Vlaams gezin was? Mijn antwoord was kort en klaar: ik kom daaruit!”

Bezoek van koning Boudewijn aan Roularta Media Groep. Tessa Vermeiren, Tony Coenjaerts en Chantal Piret

Bezoek van koning Boudewijn aan Roularta Media Groep. Tessa Vermeiren, Tony Coenjaerts en Chantal Piret.

WC-eend

Knack Weekend bestond al wel. Maar dan als een soort krantje, preciseert ze, later een toevoegsel bij Knack. Echt van de grond was het nooit geraakt, en daar moest zij verandering in brengen. Wat haar voor ogen stond, bleek een kopie van hoe Roularta-baas Rik De Nolf het zag. “Een magazine zoals dat van The Independent of The Observer. Dat bestond gewoonweg niet in Vlaanderen, geen enkele krant had toen een weekendbijlage.”

Wat het niet mocht worden, wist ze net zo zeker. “In geen geval een echt vrouwenblad. Vrouwenbladen willen altijd maar raad geven. Vijftien bikini-diëten of: hoe houd ik mijn man? Dat hebben wij nooit gedaan, wij hebben ons nooit opgesteld als de beste vriendin van onze lezers. Trui Moerkerke heeft het ooit treffend geformuleerd: wij brachten verslag uit over die sector, zoals men de Wetstraat verslaat. Op een journalistieke manier.”

“En natuurlijk gaf dat vaak aanleiding tot grote discussies, want uit die wereld kwamen ook onze adverteerders. Wij werden wel verzocht om daar rekening mee te houden, maar tegelijk kregen we een enorme vrijheid. Die tijd is nu voorbij, vang ik op uit echo’s…”

“Wij lieten lezers bij voorbeeld een nieuw parfum ruiken en vroegen daar hun oordeel over. Bij de lancering van een mannengeur door de grote L’ Oréalgroep, was er één van hen die onomwonden zei: ‘dit ruikt naar wc-eend!’ Wel, dat is verschenen.”

“’s Anderendaags een woedende telefoon van de grote baas van L’ Oréal. Wat denk jij wel, gooi degene die dat heeft geschreven er maar meteen uit! Ik zei: no way, ik vind dat dit moet kunnen. En ja, ook Rik De Nolf heeft mij toen gebeld, want L’ Oréal dreigde ermee een jaar lang de budgetten in te houden. Wat het ook heeft gedaan – 30 miljoen Belgische frank per jaar, een toen fors bedrag. Maar nooit heeft men mij verplicht om dat recht te zetten, en de auteur van het artikel is op post gebleven.”

“Nog een voorbeeld. Armani had het plan opgevat om op één en hetzelfde weekeind reclame te maken op alle bladzijden van alle kranten en tijdschriften in Europa. Maar onze planning lag vast en onze adverteerders kochten hun ruimte lang van tevoren. Dus hebben wij, redactie èn reclame, geweigerd, zeggend: wij verkopen ons niet aan één merk. Welnu, wij zijn de enige geweest in heel Europa, waar die publiciteit niet is verschenen. Dat kon alleen maar omdat De Nolf erachter stond – en omdat het de rijke jaren ‘80 waren, natuurlijk.”

De meisjes

Knack Weekend mocht dan wel geen vrouwenblad zijn, een lifestyleblad was het wel. Laat dat nu niet meteen gelden als het meest eerbiedwaardige der journalistieke onderwerpen, zeg ik. Daar moet zij zich uiteraard van bewust geweest zijn. Werd het haar nooit te min?

“Kijk, mij druk maken over een handtas kon ik niet en kan ik nog steeds niet. Maar mij ging het nooit om mode in se, wat mij interesseerde was hoe bedrijven tot stand kwamen en mensen daarin functioneerden. Ik aarzel om te zeggen: mode is cultuur. Dat geloof ik niet. Maar uit het geheel van de lifestyle business, valt wel wat uit af te leiden over de tijdsgeest. En dàt fascineerde mij.”

“De Zes van Antwerpen, de opkomst van die hele Antwerpse modewereld, was een fenomeen. Daar hebben wij met modespecials als Dit is Belgisch op ingespeeld, omdat het zo boeiend was om te volgen. Wij zijn ook als eersten daarnaast beginnen schrijven over relaties. Liefde & Lijden, de reeks van Griet Schrauwen, wordt nog altijd gekopieerd. (Fel:) En dat is ondertussen 25 jaar geleden, hé!”

Of het haar kwetste, wanneer daar dan toch smalend over werd gedaan? “Soms wel, ja,” geeft ze grif toe. “Typisch was de pikorde op de redactievergaderingen onder Sus Verleyen. Eerst kwam Marc Reynebeau aan het woord, dan de rest van de redactie, en op het bijna onderste trapje volgde Patrick Duynslaegher met film. Waarna tot slot: en, wat hebben de meisjes?”

Sinds jij hier bent, kunnen wij Knack-redacteurs nooit meer met onze luie kont onder een palmboom gaan zitten.

Ze speelt het perfect na, vanuit de hoogte, snerend. Dan, in commentaarmodus: “Zo ging dat dus ècht! Op de duur zet je je daarover. Maar ik heb mij indertijd vaak zéér boos gemaakt.” En bij boosheid bleef het niet, ze haalt er nog een anekdote bij.

“Het was op een maandagvond om een uur of zeven. We hadden net afgesloten, toen ik op het bureau van Sus Verleyen werd geroepen. In de deurpost hingen Hubert Van Humbeeck en Marc Reynebeau. Tessa, wij hebben een probleem, zei Sus. Allez, Marc heeft een probleem. Jaaaa…, sinds jij hier bent, kunnen wij Knack-redacteurs nooit meer met onze luie kont onder een palmboom gaan zitten.”

“Ha ja, want reizen hoorde officieus bij Knack Weekend. Toen ik een klein beetje bedaard was, heb ik gezegd: wel, aangezien ik hoofdredacteur ben van dat blad, gaan we nu de domeinen aflijnen. Met als gevolg dat reizen niet langer officieus maar vanaf toen officieel bij ons onder dak was. En dat Knack daarna een zomerreeks heeft opgestart waardoor alle redacteurs toch nog een keertje weg konden.” Ze lacht, hoofdschuddend: “Onvoorstelbaar!…”

Of het meer was dan de competitie tussen tweelingmagazines, wil ik weten. Of ze niet enkel moest knokken als hoofdredactrice, maar ook als vrouw? Ik heb de vraag amper gesteld, of ze vaart uit. Haar stem voor het eerst luider. Spottender ook.

“Och! En hoe! Op de allereerste redactievergadering werd Griet Schrauwen en mij vlakaf gezegd: Ge weet toch dat alle vrouwen voor jullie hier in de keuken over den toile cirée zijn gegaan? Letterlijk in die woorden, ja, en niet besmuikt maar en plein public. Geen wonder dat er in zo’ n klimaat niet veel vrouwen stand hielden.”

1992, Tessa Vermeiren en Marilyn French, interview in New York

1992, New York. Tessa Vermeiren interviewt Marilyn French over ‘the war against women’.

Autoriteit

“Daarbuiten echter, in het bedrijf zelf, heb ik nooit moeten knokken. Met Rik De Nolf had ik een uitstekende en heel open werkrelatie. Hij was wel een veeleisende baas, als hij je op een zaterdagmorgen om half acht uit je bed belde met de vraag of je over een uurtje in Roeselaere kon zijn, hoorde je te gehoorzamen. Half slaperig of niet.

“Ik heb er ook veel waardering voor teruggekregen. Nieuwe magazines mogen opstarten als Style, Spijs en Drank, later Nest. Nee, dat mijn redactie overwegend bestond uit vrouwen, heb ik nooit ervaren als een krabbenmand. Maar net zo goed was de solidariteit tussen vrouwen onderling niet groter dan die met de mannelijke medewerkers. Het was gewoon… tja, heel gewoon. Al is het natuurlijk mogelijk dat er bij ons ook tamelijk vrouwelijke mannen werkten (lachje)…”

“De eerste jaren waren wel stresserend. Met onkostennota’s ben ik altijd onverbiddelijk geweest. Ik had het niet begrepen op profiteurs, en die werden daar wel eens pisnijdig van. En soms waren er ook heuse krachtmetingen bij met mensen uit de creatieve sector, een Linda Loppa bijvoorbeeld. Dan moest je op je strepen staan, zeggen: jullie vragen iets van ons, en wij willen jullie ook wel helpen, maar wij willen niet voor jullie kar gespannen worden. Dus ja, dat was wel eens op je tenen lopen, maar met de jaren werd het almaar makkelijker. En: je verwerft ook een zekere autoriteit, natuurlijk.”

“Zo bijzonder om mensen verder te laten springen dan ze konden, om wie begonnen was als debutant te zien opklimmen tot internationaal niveau. Daar krijg ik tot op vandaag nog retour van.”

Wat was er voor haar toch zo bijzonder aan bladen maken, dat ze het onomwonden bestempelt als een droomjob? Ze houdt haar hoofd schuin, knijpt haar ogen dichter, denkt eventjes na. “Hewel, iets maken from scratch. Wij hadden wel termijnplanningen die aanhoudend geëvalueerd werden. Maar met wat je links en rechts oppikte, moest je elke week opnieuw aan de slag. En hoe je dàt deed, moest je telkens weer zelf verzinnen.”

“Zoals? Ik ga nu even heel lang terug, twintig jaar geleden, hé. Je hoorde – toen al hé! – dat mensen zelf groenten gingen kweken, er een terugkeer was naar natuurlijk vlees. En daar dan met mensen als Pieter van Doveren of Tony Le Duc een culinaire special rond maken, met uitstekende artikels en prachtige foto’s. (Glunderend:) Dat vond ik een onwaarschijnlijk plezier.”

“De creatieve vergaderingen met die teams. Mensen verder laten springen dan ze konden. Wie bij jou begonnen is als debutant, zien opklimmen tot internationaal niveau. Daar krijg ik tot op vandaag nog retour van. Zo ongelooflijk was dat.”

Tessa Vermeiren, 5 oktober 2016 (Foto: © Sigrid Spinnox)

Tessa Vermeiren, 5 oktober 2016 (Foto: © Sigrid Spinnox)

Facebook

“Die eeuwige nieuwsgierigheid, ja. Het capteren van wat je ziet, leest, hoort. Een radar ontwikkelen, een beetje trendwatcher zijn. Over schotten en grenzen heen kijken, verder dan je neus lang is. Je kon reizen maken, alle bladen kopen die je wilde lezen, daar waren in de jaren ’80 en ’90 ook budgetten voor. (Fijntjes:) Wij brachten ook veel geld binnen, natuurlijk.”

“En nee, die handtassen op zich zijn nooit belangrijk geworden. Al zou ik er de laatste drie jaar de adverteerders mee rond de oren geslagen hebben. In het begin was er een dialoog mogelijk met bedrijven. Op het einde veel minder.”

“Als een afgevaardigde van Vuitton binnenstapte met de mededeling ‘wij willen hier drie bladzijden over’, kon je twee kanten op. Ofwel steigerde ik, ofwel gooide ik het over een andere boeg. Dan zei ik: nee, maar wat me wèl interesseert bij jullie is…  Wel, dat laatste kon ik op de duur niet meer opbrengen. Maar mijn zesde zintuig ben ik nooit verloren. Ik zie nog altijd wat er goed of slecht is.”

En dan is er die vraag waarbij het gesprek kantelt, alsof we een onzichtbare grens oversteken. Die tussen de droom die ze had en de droomjob die ze vond. Of de bladenmaakster nooit het leven van de journaliste miste?

“Soms wel. Lifestyle is frivool, he. Het kan fascinerend zijn, maar van levensbelang is het niet. Ter compensatie schreef ik columns die haaks mochten staan op al dat andere. Die vrijheid had ik, dat was voor mij van levensbelang.”

“Daarom heb ik in mijn laatste jaar ook nog een interviewreeks met veertigers gemaakt. Efkes terug inhalen, ik zal eens laten zien hoe ge dat moet doen, zie! Want (zucht) er kwamen zoveel jonkies binnen die dachten dat ze het allemaal wisten…”

“En nu is Facebook mijn lifeline. Ik blijf het nieuws volgen, hier in huis worden elke dag twee kranten gelezen, plus een selectie uit Blendle. Ik heb het nog altijd nodig om mijn mening te spuien – minder dan vroeger weliswaar, maar toch. Er worden, vind ik, te veel dingen evident gevonden.”

Denkt ze dan nooit eens: ach, wat doet mijn mening ertoe? “Als ik eerlijk ben, meer en meer,” zegt ze. “Ik houd me de jongste tijd op Facebook wat in, ik wil me niet meer laten meeslepen in die zwart-wit discussies. Maar dat is heel recent, hoor (lacht)!”

Gedevalueerd

Ze is me enkele uren geleden komen ophalen aan het station van Mol. Daar woont ze met haar man, in een licht huis midden in het groen, afgewisseld met vakanties in hun Frans buitenverblijf. Hij heeft zich teruggetrokken in de tuin, wij zitten aan weerszijden van de eettafel. Daarop staan schoteltjes met koekjes en chocolaatjes, uit de keuken waait de geur van vers gemaakte koffie. Haast als vanzelf eist het nu ongemerkt zijn plaats op het verleden.

Over haar feminisme hebben we het. Dat al heel vroeg heel belangrijk voor haar was, zegt ze. “Toen mijn broer mocht verder studeren en ik niet. En het is er niet beter op geworden, zeker niet. Hoe weinig tegenkanting ik in mijn vak ook heb gekregen, je merkt wel wat er om je heen gebeurt. Ik heb net iets te veel vrouwen gezien die op alle mogelijke terreinen tegengewerkt werden. Geen wonder dat er zo weinig aan bod kwamen.”

“Jazeker, vandaag zijn er een heleboel vrouwelijke hoofdredacteurs. Maar hoe komt dat? Omdat het vak niet meer gewaardeerd wordt! (Stellig:) Jaja, daar ben ik zeker van. Let wel, er zijn vrouwen met talent, waar je uiteraard naar opkijkt. Maar journalistiek is niet meer wat ambitieuze mannen waarderen. En ik vìnd het ook zwaar gedevalueerd.”

Hoor ik dit goed? Bekleden vrouwen volgens haar bepaalde posten, niet omdat dat eindelijk vanzelfsprekend is geworden, maar omdat die posten er niet langer toe doen? En is dat dan niet een bijzonder bittere vaststelling, zowel voor de feministe als voor de journaliste in haar?

“Vandaag zijn er een heleboel vrouwelijke hoofdredacteurs. Maar hoe komt dat? Omdat het vak niet meer gewaardeerd wordt!”

“Ja”, zegt ze even rustig als vastbesloten. “Maar ik vrees ècht dat het zo is. De kwaliteit van de media gaat erop achteruit, maar dat ligt heus niet alleen aan de journalisten. Het ligt ook aan de omstandigheden waarin nieuws wordt gemaakt. Die zijn allesbehalve ideaal.”

Bij haar afscheid als jurylid van het Fonds Pascal Decroos bezong ze nochtans de durf en de moed van jonge journalisten. “De dossiers die je daar op je bureau krijgt zijn natuurlijk al een selectie. Maar zelfs daarvan vraag ik me af hoe de indieners ervan overleven. Als je hoort dat een behoorlijke onderzoeksjournaliste als Saskia Van Nieuwenhove nauwelijks haar boterham verdient! Redacties worden gereduceerd, er vallen ontslagen.”

“En niemand durft te reageren, omdat iedereen daar zit als freelancer of met een tijdelijk contract. Dat is een positie die wij nooit gekend hebben. Toen het fout ging bij De Standaard hebben journalisten zelf de zaak in handen genomen. Zelfs bij een armlastige krant als De Morgen toonden mensen zich strijdbaar, toen die failliet ging. En waarom? Omdat ze misschien geen beschermde, maar wel een redelijk correcte positie hadden. Vandaag is dat niet meer het geval. Wel, ik vind dat een regelrechte schande.”

Moslimbegraafplaats

“Tegelijk kan ik nog altijd opspringen van woede, als ik iets lees of hoor waarvan ik denk hoe is dat nu mogelijk!? Zoals laatst nog, als een N-VA-er het presteert aan een jonge interviewster te verklaren dat er in Mechelen een moslimbegraafplaats is. En die juffrouw – of die redactie – vindt het blijkbaar niet belangrijk om dat te verbeteren. Nee, dit klopt niet, het gaat om een begraafplaats georiënteerd naar het oosten, waardoor daar moslims kunnen begraven worden. Als ìk dat weet, kunnen andere journalisten dat toch ook weten! En zo ken ik tientallen voorbeelden…”

Als er één terrein is, waarop niet alleen de pers maar een goed deel van de samenleving zich ongemakkelijk beweegt, dan wel dit. Hoe moeizaam ook haar het zoeken naar evenwicht in gedachten en woorden valt, blijkt uit het opiniestuk in De Morgen waarmee ze dit jaar inzette. Dit is geen vrolijke nieuwjaarsbrief luidde de weinig hoopvolle titel.

“IS heeft de oorlog verklaard aan onze manier van leven. Vrijheid, blijheid het bevalt hen niet. We hadden moeten beseffen dat dit er aan kwam maar we hebben onze kop in het zand gestoken,” schreef ze. En ook: “Ikzelf heb definitief mijn geïdealiseerde kijk op het Midden-Oosten en de moslimwereld begraven.”

Een half jaar eerder al had ze zich gedistantieerd van de vrouwen van Boeh! (Baas over Eigen Hoofd), toen die op de uitreiking van de Arkprijs voor het vrije woord het recht vroegen een hoofddoek te dragen in alle omstandigheden.

“Ik kom uit een katholiek nest. En ja, ik ben nu lid van de loge, maar niet van een rabiaat vrijzinnige werkplaats. Dat heeft mij geholpen om na te denken over mijzelf en over mijn positie. Om van gedacht te durven veranderen ook.”

“Ik heb de moslimwereld leren kennen in de jaren ’70, toen die absoluut niet was wat hij nu is. Je kan best een gelovige moslim zijn, maar toch leven in een open wereld. Vandaag merk ik helaas hoe die gemeenschap zich terugplooit op zichzelf. Moslim zijn wordt bijna iets als een nationaliteit, terwijl er zoveel meer is om je verbondenheid op te enten. Dat bekommert mij zeer.”

“Ik heb nooit beweerd dat ik een hoofddoek niet aanvaardbaar vind. Wel dat ik er principieel niet mee akkoord ben, omdat de vrouw dan zozeer door godsdienst geïndoctrineerd is, dat ze vindt dat haar vrouwelijkheid de mannen provoceert.

“Dan denk ik: ga daar asjeblieft op een normale manier mee om. Zonder het te sanctifiëren, maar ook zonder het zwart te maken. Durf te zeggen wat fout en wat goed is, dat gebeurt nu veel te weinig – ook in de pers. Dat evenwicht probeer ik meer en meer op te zoeken. Omdat ik het hoognodig vind.”

“En nee, ik heb nooit beweerd dat ik een hoofddoek niet aanvaardbaar vind. Wel dat ik er principieel niet mee akkoord ben, omdat ik er een teken in zie van een cultuur waarin de vrouw zozeer door de godsdienst geïndoctrineerd is, dat ze vindt dat haar vrouwelijkheid de mannen provoceert. Ik zou er heel veel voor geven mocht dat doordringen tot jonge moslimvrouwen, waarvan ik heel goed begrijp dat ze, uit protest tegen extreme stromingen in de maatschappij of doordeweekse pesterijen van de moslimcultuur, iets adopteren dat in oorsprong religieus is.”

“Je krijgt een verharding, een communautarisering. Die zal je niet bestrijden door hoofddoeken of boerkini’s te verbieden, wat ik overigens helemaal belachelijk vind. Maar daarom moet je niet ophouden datgene te verdedigen waar wij zolang voor gestreden hebben. Wat mij geweldig stoort, is dat daar een islamistische politiek achter zit, en dat niet onderkend wordt.”

“Ik ben ervan overtuigd dat veel van die jonge mensen dat zelf niet eens door hebben. Terwijl er wel degelijk figuren zijn die in deze maatschappij een dubbele rol spelen, en daar niet voor uitkomen. Die, via bepaalde organisaties die onder de moslimkoepel vallen, alleen maar hun regels willen opdringen. Wel, daar ben ik het niet mee eens.”

“Lees Pourquoi j’ai quitté les Frères musulmans van Mohamed Louizi, een Marokkaanse auteur die nu in Frankrijk leeft. Mij zijn door dat boek de schellen van de ogen gevallen. Hij beschrijft voortreffelijk de werking van die dubbele moraal waarvan hij het slachtoffer was. Wat ik daar zo erg aan vind, is dat het jonge mensen meesleept, in iets wat ze misschien niet eens beseffen. Hoezeer ik ook, en dat kan ik niet genoeg onderstrepen, hun de reactie tegen afwijzing begrijp.”

Tessa Vermeiren, 5 oktober 2016 (Foto: © Sigrid Spinnox)

Tessa Vermeiren, 5 oktober 2016 (Foto: © Sigrid Spinnox)

Extremen

En toch, zegt ze, is ze niet onverdeeld pessimistisch. “Het is er zeker niet beter op geworden, nee. Maar nu en dan lees ik toch weer iets dat me hoop geeft. Ja, aan de ene kant zijn er die zeggen dat de sharia belangrijker is dan de andere wet. Maar aan de andere kant vindt er, zoals Patrick Loobuyck het beschrijft, een ontmoskeeïng plaats net zoals er een ontkerking is. Het vordert, maar het gaat wal heel traag. En vooral: we mogen vooral niet bang zijn erover te praten.”

Dat dit debat toch maar een fractie is van een veel groter probleem, werp ik op. Daar is ze het er onmiddellijk mee eens. “Natuurlijk, de hele wereld is niet fraai. Wat er sociaaleconomisch aan de gang is veel erger, al heeft het een wel degelijk met het ander te maken. De machteloosheid van de burger, de gebrekkig functionerende democratie. Dat 19.000 manifestanten naar een bijeenkomst van de PVDA komen, maar je die partij niet hoort in de Eandis-affaire. Dat extremen weer opdoemen, van welke kant ook, dat boezemt me angst in.”

“Het zal lang duren eer ik liberaal stem. Maar in tijden als deze heb ik nogal bewondering voor een Patrick Dewael, of een Karel De Gucht in zijn recente interviews, een Koen Geens zelfs. Mensen, die het redelijke midden proberen te bewaren, zijn zo zeldzaam aan het worden. Men roept maar wat.”

“Ik was wellicht veel gelukkiger geweest als politiek verslaggever. Maar er was geen haar op mijn hoofd dat eraan dacht dat dat kon. Geen haar.”

Of dat de reden is waarom zij heeft besloten wat minder hard te roepen? “Zeker, absoluut. Elke kreet ontketent nieuwe kreten, het is echt verschrikkelijk. Ik wil daar niet in meegaan. Ik vind dat je positie moet kiezen in de maatschappij, absoluut. Maar dat betekent niet je laten meedrijven op emotie. Wel dat je bij de rede blijft.”

“En wat ik echt bovenal probeer is: de dialoog open te houden. Ik kan met de moslims die ik ken zwaar discussiëren over wat mij van hen onderscheidt, en ik kan ook goed luisteren. Maar ik zal nooit de bruggen opblazen. Ook dàt stond in mijn nieuwjaarsbrief, maar dat hebben zo weinig mensen onthouden. Daar werk ik aan, zeer bewust.”

Ik stel vast dat ik ben beginnen te praten met een vrouw die een lifestyle blad heeft gemaakt. En dat hier tegenover mij een vrouw zit die met heel andere dingen bezig is. Als ik dat zeg, kijken we elkaar een poosje aan.

“Ja,” zegt ze. “Ik was wellicht veel gelukkiger geweest als politiek verslaggever. Maar er was geen haar op mijn hoofd dat eraan dacht dat dat kon.” Ze benadrukt het nog eens: “Geen haar.”

Er valt opnieuw een stilte. En dan maakt ze de cirkel rond. Bedachtzaam, bijna voor zich uit: “In die zin ben ik misschien dan toch benadeeld geweest als vrouw.”

Vlaamse Overheid

Dit artikel kwam tot stand met steun van de Vlaamse overheid.

Auteur: Ingrid Vander Veken

Ingrid Vander Veken koppelde een loopbaan van journaliste aan die van auteur. Zij schreef net zo goed reportages en columns, als theater en romans. Haar jongste boek is “Zwijgen” (Polis).
www.ingridvanderveken.be

Word nu lid van Apache en geniet van deze voordelen:

  • Toegang tot alle ruim 4.000 artikels
  • Deel de artikels gratis met je vrienden
  • Toegang tot alle dossiers en het volledige archief
  • Treed in discussie met journalisten en andere lezers
  • Korting op events en andere journalistieke producten, zoals e-books