Er zijn te veel doctorandi en ze concurreren elkaar suf

 Leestijd: 11 minuten1

Het is slecht gesteld met de mentale gezondheid van jonge Vlaamse onderzoekers. Maar liefst één op de drie doctorandi worstelt met ernstige mentale gezondheidsproblemen. Doctorandi, postdocs en professoren wijzen het veel te hoge aantal doctorandi en de bikkelharde concurrentie tussen hen aan als voornaamste oorzaak. Dat er zoveel doctorandi zijn heeft te maken met ons financieringsmodel. Hoe meer doctorandi de universiteiten afleveren, hoe meer geld ze krijgen. De roep naar meer structurele financiering van onderzoeksgroepen klinkt heel luid, merkte Apache in interviews met een twintigtal Vlaamse onderzoekers.

Opnieuw Actueel

Met een nepartikel, geschreven in een taal uit Star Trek, en toch gepubliceerd in een internationaal wetenschappelijk tijdschrift, klaagt professor Peter Finke (U Gent) de wanpraktijken en de publicatiedruk in de academische wereld aan.

Verschillende academici kaartten al in 2016 de slopende academische ratrace aan bij Apache en pleitten voor meer structurele financiering.

Begin dit jaar publiceerde studiecentrum Ecoom (Expertisecentrum Onderzoek en Ontwikkelingsmonitoring van de Vlaamse Gemeenschap) opzienbarende cijfers over de mentale gezondheid van doctorandi in Vlaanderen. Ecoom stelde vast dat er bij maar liefst 1 doctorandus op 3 sprake is van ernstige mentale gezondheidsproblemen. Ze lopen bovendien 2,4 keer meer risico op dat soort problemen dan andere hoogopgeleiden.

1 op drie Vlaamse doctorandi kampt met ernstige mentale gezondheidsproblemen

Hoge jobeisen, ongelijke genderverdeling in onderzoeksgroepen, conflicten tussen werk en privé zijn de belangrijkste oorzaken voor het verhoogde risico. Ook onderzoekers die met een tijdelijke beurs of aan een tijdelijk project werken, lopen een hoger risco op mentale problemen. En het geslacht speelt evenzeer een rol: vrouwelijke doctoraatsstudenten vertonen een hoger risico dan mannen.

Met welke hoge jobeisen worden doctorandi geconfronteerd? Hoe combineert een jonge onderzoeker werk met privéleven? Waarom zijn vrouwelijke onderzoekers kwetsbaarder dan mannen? Hoe onzeker is het bestaan van een jonge Vlaamse onderzoeker? Hoe kunnen deze problemen worden opgelost?

Apache ging met deze resultaten de baan op, en legde deze en andere vragen voor aan een twintigtal Vlaamse onderzoekers uit verschillende vakgebieden en van verschillende Vlaamse universiteiten. Niet enkel jonge doctorandi, maar ook postdoctorale onderzoekers en professoren werden aan de tand gevoeld. Stuk voor stuk vroegen ze om anoniem aan het woord te komen. Het toont onmiddellijk aan hoe gevoelig deze thema’s liggen. Openlijk kritiek geven is aan Vlaamse universiteiten nog steeds niet evident.

Foto: KU Leuven - Rob Stevens

Foto: KU Leuven – Rob Stevens

Hoge jobeisen

Ecoom gaf zelf al kort aan wat het onder hoge jobeisen verstaat: de werkbelasting en publicatiedruk. Dat laatste is allesbehalve een nieuwe verzuchting van wetenschappelijke onderzoekers. Doctorandi worden al jaren verplicht om één van hun onderzoekspapers gepubliceerd te krijgen in een hoog aangeschreven wetenschappelijk tijdschrift. Zowat iedereen die we spraken (h)erkent dus de druk van het publiceren en de stress die erbij komt kijken, maar lang niet iedereen ziet het als iets louter negatief of nefast.

‘Hoe erg je ook je best doet, er is altijd de kans dat er iemand beter is. Het doet er niet toe of je elke avond en elk weekend werkt’

“Een publicatiecultuur is op zich niet slecht”, legt een postdoc uit. “Publiceren betekent dat je papers gelezen worden door internationale experten, die er bovendien feedback op geven. Mijn doctoraat is beter geworden door te publiceren.”

Al denkt een jonge professor wel dat de slinger is doorgeslagen. “Voor jonge onderzoekers blijft publiceren de uitgelezen manier om op te vallen en carrière te maken.” Bij het toekennen van onderzoeksbeurzen, zijn het aantal publicaties vaak doorslaggevend. Hoe meer publicaties, hoe meer kans je hebt om een project en de financiering ervoor binnen te halen.

De concurrentie voor onderzoeksbeurzen is bikkelhard, en omdat er steeds meer onderzoekers meedingen, is de kans dat je een project binnenhaalt steeds kleiner. “Bij het FWO (Fonds Wetenschappelijk Onderzoek) is die kans voor onderzoeksprojecten ongeveer 13%”, stelt een ervaren professor. “Dit is zeer weinig. Het betekent dat steengoede projecten uit de boot vallen. Voor velen lijkt het op een loterij. In de toplaag van ingediende projecten is het zeer moeilijk te oordelen. De slaagkans zou omhoog moeten.” Voor andere soorten aanvragen bij het FWO ligt het slaagpercentage wel hoger.

De prof begrijpt de stress die doctorandi ervaren. “Hoe erg je ook je best doet, er is altijd de kans dat er iemand beter is. Het doet er niet toe of je elke avond en elk weekend werkt. Er staat bovendien geen limiet op wat en hoeveel je doet, er bestaat geen maximaal aantal publicaties.” Op die manier gaat een doctorandus zich wel heel schuldig voelen over elk uur dat hij of zij niet werkt.

“Als je in een andere sector als beste presteert is het bijna een evidentie dat je kan aanblijven en promotie maken. Aan de universiteit werkt het niet zo. Er is zo weinig plaats om als postdoc te werken of als prof benoemd te worden, en ontzettend grote concurrentie om die plaatsen”, zegt een postdoc uit Brussel.

Iedereen draait door

Hoge werkdruk is echter niet voorbehouden voor doctorandi. “Iedereen draait door”, stelt een professor. Voor postdocs draait het om het binnenhalen van projecten en de daarbij horende financiële middelen. Verschillende postdocs zijn binnen hun onderzoeksgroep zelfs enkel daarmee bezig, van wetenschappelijk onderzoek doen is helemaal geen sprake. Het voortbestaan van de hele onderzoeksgroep hangt dan ook af van hun vermogen om beurzen binnen te halen.

Op het eind van mijn drie jarige postdoc zal ik dus maar één jaar echt bezig geweest zijn met onderzoek

Het binnenhalen van projecten zorgt ironisch genoeg niet enkel voor stress als het tegenvalt, te succesvol zijn zorgt ook voor problemen. “Je dient meer aanvragen in dan je nodig hebt of aankan, in de hoop er voldoende binnen te halen. Je kan op voorhand niet voorspellen hoeveel en welke er zullen worden toegekend. Als je er ‘stoemelings’ te veel tegelijk binnenhaalt, moet je op zoek naar nieuwe mensen of krijgt je huidige ploeg te veel werk”, legt een prof uit. “Je dient vaak aanvragen in puur uit financiële noodzaak”, geeft een andere professor aan. “Ook zonder echt de juiste expertise te hebben.”

Andere postdocs spenderen het merendeel van hun tijd aan het begeleiden van doctorandi. “Ik heb nu een postdoc-beurs voor drie jaar”, legt een geschiedkundige uit. “Het eerste jaar kan ik doen waarvoor ik ben aangenomen, vanaf het tweede jaar moet ik uitzoeken wat ik wil doen als mijn beurs afloopt, zodat ik mij in het derde jaar kan bezighouden met solliciteren en publicaties insturen. Op het eind van de rit zal ik dus maar één jaar echt bezig geweest zijn met onderzoek.”

“Je mag de positieve kanten wel niet uit het oog verliezen”, vindt een doctoraatsstudente. “Dit is een job die zeer veel vrijheid biedt. En ook goed betaald wordt.”

Een andere doctoraatsstudent koos er bewust voor om niet in de publicatie-ratrace te stappen. “Maar dat kon ik alleen omdat ik geen academische carrière nastreef.” Iemand die wel hogerop wil, of gewoon in de academische wereld wil blijven werken na z’n doctoraat, heeft die keuze niet.

Begeleiding

Postdocs en doctorandi zijn zich er volkomen van bewust dat hun promotor het wellicht nog drukker heeft dan zijzelf. “In mijn zetel nadenken, zit er al lang niet meer in”, legt een professor uit. “Het is constant rennen, en wekelijks meer dan 70 uur werken. Je voelt je ook schuldig als je een verlofdag neemt. Mijn medewerkers zijn afhankelijk van mij en mijn efficiëntie.”

Een professor staat tegenwoordig in voor de begeleiding van gemiddeld 4,25 pre- en postdoctorale onderzoekers, terwijl dat in 1999 nog maar 2,81 was

Als doctorandi zo afhankelijk zijn van een promotor, kunnen ze ook pech hebben. Twee onderzoeksters hielden op die manier een heuse afkeer van de academische wereld over aan hun doctoraatsstudie. Ze werken ondertussen in de privésector.

“We werden eigenlijk uitgeperst door onze promotor. In de privésector is het welzijn van personeel wel van belang.” Aan de universiteit draaide het enkel om hun output. Tussentijdse resultaten voorleggen was van een zodanig groot belang, dat ze nauwelijks tijd kregen om hun doctoraatsthesis te schrijven.

“Toen ons contract afliep, was onze thesis niet af. We werden verplicht om 6 maanden onbetaald verder te werken, zo niet zouden we onze thesis niet kunnen indienen, stelde onze promotor. Als doctorandus ben je in zeer grote mate afhankelijk van je promotor. Dat maakt je ontzettend kwetsbaar.”

Hoe je als doctorandus begeleid wordt, hangt dus in grote mate af van de promotor en de onderzoeksgroep waarbij je terecht komt. “Om een doctoraat op te starten word je meestal wel goed bijgestaan, het kan een promotor namelijk geld opbrengen”, is een postdoc cynisch. “Ik ken veel verhalen van mensen die daarna aan hun lot overgelaten worden.”

De cijfers van Ecoom tonen aan hoe de verhouding tussen promotor en doctoraatsstudenten de laatste 15 jaar evolueerde. Een professor staat tegenwoordig in voor de begeleiding van gemiddeld 4,25 pre- en postdoctorale onderzoekers, terwijl dat in 1999 nog maar 2,81 was.

“Als prof heb je een zeer uitgebreid takenpakket, te veel om op elk vlak uitstekend werk te leveren”, geeft een prof aan. Sommigen zien een HR-cursus als mogelijke oplossing. Maar dat betekent voor professoren een bijkomende verplichting. Dat lost het tijdsgebrek niet op. “Geef iedereen meer tijd. En, heel belangrijk, laat proffen samenwerking zoeken. Ik werk consequent met een co-promotor. Een doctorandus is dan niet enkel van mij afhankelijk.”

Anderen klagen dan weer dat bepaalde personen veel meer en beter “begeleid” worden dan anderen. Vriendjespolitiek en favoritisme. Het zijn woorden die in veel gesprekken vallen. Een frappant geval toont aan dat de beschuldigingen niet altijd uit de lucht gegrepen zijn. “Het is voorgevallen dat ik door mijn promotor verplicht werd om een andere doctoraatsstudent, die helemaal niets aan mijn onderzoek had bijgedragen, op te nemen als co-auteur van een paper”, vertelt een doctoraatsstudent.

‘We werden eigenlijk uitgeperst door onze promotor. In de privésector is het welzijn van personeel wel van belang’

“Vriendjespolitiek? Het kan zijn, maar ik heb het nooit gezien”, stelt een jonge prof. “Men gaat wel op zoek naar bepaalde profielen en talent. Maar er wordt tegelijk geklaagd over het beoordelen van mensen op basis van kwantiteit van publicaties en andere objectieve criteria, waarbij andere eigenschappen en kwaliteiten over het hoofd gezien wordt. Het gaat er op die manier vaak hard aan toe. Beide kritieken vallen echter moeilijk te rijmen.”

Combinatie werk & privé

Ecoom stelde een hoger risico op mentale problemen vast “wanneer er een conflict wordt ervaren tussen de eisen van het werk en die van het gezin”. Daarnaast zijn vrouwen over het algemeen kwetsbaarder voor mentale problemen dan mannen.

‘Een kind is nog altijd het teken dat je geen academische carrière wil maken’

“Een kind is nog altijd het teken dat je geen academische carrière wil maken”, stelt één postdoc onomwonden. De meeste van haar vrouwelijke collega’s die we spraken, zijn het daarmee eens. “Voor 90% van de vrouwelijke onderzoekers in ons labo was zwanger worden geen optie.”

Tijdens het zwangerschapsverlof kan je natuurlijk geen publicaties najagen, maar ook later wordt het als een nadeel gezien om voor kinderen te moeten zorgen. En dat geldt nog steeds vooral voor vrouwen. Iedereen die we spraken kent verhalen van jonge vrouwen die het advies krijgen om hun kinderwens uit te stellen. Het is wellicht het meest extreme voorbeeld van de moeizame balans tussen werk en privé. Maar dat geldt voor meer aspecten van het persoonlijke leven.

“Het is moeilijk iets vast op te bouwen, zij het met een partner, vrienden of familie. De grote onzekerheid door de contracten van korte termijn, maar ook bijvoorbeeld het feit dat men buitenlandse ervaring verwacht, maakt dat heel moeilijk”, legt een postdoc uit.

Overschot aan doctoraten

Op 15 jaar tijd is er bijna een verdubbeling van het aantal onderzoekers aan Vlaamse universiteiten, berekende Ecoom vorig jaar. De stijging is vooral te wijten aan een verdubbeling van de met externe middelen gefinancierde doctorandi en postdoctorale onderzoekers.

“Kansen om een langetermijncarrière uit te bouwen liggen voor jonge onderzoekers dan ook voornamelijk in de niet-academische arbeidsmarkt”, voegde Ecoom daar nog aan toe. Nochtans hopen de meeste doctorandi in de academische wereld aan de slag te kunnen blijven.

“Die beperkte carrièremogelijkheden zorgen ervoor dat heel wat doctorandi al tijdens hun doctoraat naar de bedrijfswereld overstappen, waar ze wel carrière kunnen maken”, legt een professor uit. “Het risico bestaat dat niet de uitblinkers in ‘academia’ blijven, maar wel degene die volharden.”

Er is een financiële incentive om doctorandi te werven en hen vervolgens zoveel mogelijk te doen publiceren

Nochtans worden afgestudeerde doctorandi bij sollicitaties in de bedrijfswereld nog steeds vaak als overgekwalificeerd afgeserveerd. “Dat is een achterhaald beeld. Doctorandi beschikken over vaardigheden die in veel sectoren nodig zijn, maar bedrijven zijn zich daar niet altijd van bewust. Ze weten niet wat een doctoraatsstudie inhoudt en dus ook niet wat ze met doctorandi moeten aanvangen”, legt een postdoctoraal onderzoeker uit.

Universiteiten organiseren sinds een paar jaar wel zogenaamde doctoral schools, waar doctorandi ander competenties kunnen ontwikkelen. Taalcursussen, sollicitatietips en dergelijke. De ene doctoraatsstudent is al enthousiaster dan de andere. Van “nuttig” tot “pure tijdverspilling”; de meningen zijn verdeeld.

Return on investment

Aan de basis van het overschot liggen hoofdzakelijk financiële redenen. Doctorandi en postdocs worden betaald met hun beurs. Ze krijgen dus geen salaris van de universiteit, maar wel een maandelijks deel uit hun beurs, die bijvoorbeeld het FWO hen toekende. In België is een doctoraatsbeurs bovendien vrijgesteld van personenbelasting, waardoor doctorandi in principe goedkope werkkrachten zijn voor universiteiten. Een ervaren labotechnieker is bijvoorbeeld veel duurder.

Het aantal doctoraten is, net als het aantal publicaties, ook van belang voor de berekening van de financiële middelen van de universiteiten. Hoe meer doctorandi een universiteit aflevert, hoe meer geld ze ontvangt uit het Bijzonder Onderzoeksfonds (BOF) bijvoorbeeld. Er is dus een financiële incentive om doctorandi te werven en hen vervolgens zoveel mogelijk te doen publiceren.

Het gebrek aan structurele financiering en de daaruit afgeleide afhankelijkheid van projectsubsidies zorgt voor felle concurrentie en daarbij horende onzekerheid

Eén postdoc toonde ons een document dat circuleerde op zijn faculteit, waarin opgelijst staat wat de financiële return is van een doctoraat en een publicatie. Een droge berekening van de return on investment. Een doctoraat gefinancierd met een BOF-beurs brengt de universiteit volgens dat document gemiddeld 41.936,45 euro op, gespreid over vijf jaar. Alfa-wetenschappers brengen de universiteit gemiddeld minder op dan hun beta- of gamma-collega’s. “Je krijgt het gevoel dat je louter gezien wordt als een financiële investering, en die moet natuurlijk opbrengen”, stelt een postdoc uit Antwerpen.

“Meer dan dat, het aantal doctorandi wordt ook gebruikt om een goede plaats in één van die vele internationale rankings te bemachtigen”, legt een postdoc uit. “Er wordt veel meer en veel vroeger gerekruteerd dan tien jaar geleden. Aan de UGent is er nu ook een honours program voor studenten in hun laatste bachelorjaar. Op het eind ervan krijgen ze een brief van de rector, die het hen makkelijker zal maken om naar het buitenland te gaan of om een doctoraatsbeurs binnen te halen.”

Het zou volgens zowat alle geïnterviewden een goede zaak zijn, mocht ook het aantal postdocs een rol spelen in de verdeelsleutel. Postdocs blijven vaak langer aan een onderzoeksgroep verbonden en zorgen daar voor continuïteit. Daar zijn zowel nieuwe doctorandi als het onderzoek zelf bij gebaat. “Je wordt als postdoc zowat het geheugen van de onderzoeksgroep, waardoor je vermijdt dat bepaalde zaken opnieuw uitgevoerd worden.”

Structurele financiering

De manier waarop de Vlaamse overheid universiteiten financiert, zorgt niet enkel voor een overschot aan doctoraten. Zoals ook blijkt uit het toegenomen aandeel van pre- en postdoctorale onderzoekers aan de universiteiten, neemt het belang van de zogenaamde tweede geldstroom toe, dat zijn de financiële middelen uit in de tijd beperkte publieke fondsen en beurzen.

Voor onderzoek op lange termijn is steeds minder tijd en ruimte, net als voor fundamenteel onderzoek

De eerste geldstroom is de zogenaamde basisfinanciering, of de toelagen van de Vlaamse overheid voor de onderwijsopdracht. Als derde is er de financiering voor toegepast onderzoek vanuit onder meer de bedrijfswereld. De vierde geldstroom betreft die uit samenwerkingsverbanden met de privésector.

Onderzoeksgroepen rekenen vooral op de tweede geldstroom. “Onze basisfinanciering is zo miniem dat we er niet eens onze fotokopieën mee kunnen betalen”, legt een professor uit. “De overheid beseft denk ik ook niet hoeveel onderwijs er met onderzoeksgeld betaald wordt. Doctorandi helpen met de onderwijsopdrachten, maar worden betaald met middelen uit de tweede geldstroom.”

Het gebrek aan structurele financiering en de daaruit afgeleide afhankelijkheid van projectsubsidies zorgt voor felle concurrentie en daarbij horende onzekerheid. Voor elke euro moeten onderzoekers in competitie treden met elkaar. Zowat iedereen erkent wel dat het niveau van de wetenschap in Vlaanderen de laatste jaren enorm is toegenomen, en dat dit mede te danken is aan die snoeiharde concurrentie.

Die zorgt er volgens onze geïnterviewden weliswaar voor dat er vaker gekozen wordt voor catchy onderzoeksonderwerpen of methodes die snel resultaten en dus meer publicaties opleveren. Ook wetenschappelijk onderzoek kent z’n modes en trends. “Er ontstaat een dynamiek waarbij onderzoek naar een nieuwe app relevanter wordt dan bijvoorbeeld onderzoek naar de armoedeproblematiek.”

Voor onderzoek op lange termijn is steeds minder tijd en ruimte, net als voor fundamenteel onderzoek. Het fundamentele onderzoek dat gevoerd wordt, vertrekt steeds vaker vanuit een toegepaste vraag, eventueel vanuit de bedrijfswereld. “Er blijven zo heel veel vragen onbeantwoord”, geeft een prof aan. De toenemende financiering door en samenwerking met de bedrijfswereld beperkt het onderzoek tot het direct economisch rendabele.

Het lijkt onwaarschijnlijk dat we de komende jaren substantiële budgetverhogingen mogen verwachten

Meer structurele financiering voor onderzoeksgroepen zou dat kunnen tegengaan. Binnen zo’n onderzoeksgroep is dan ruimte voor onderzoek op kortere en langere termijn. “Dit kan zonder het efficiëntiedenken zomaar overboord te gooien”, meent een professor. Onderzoek op langere termijn zou bijvoorbeeld op minder frequente basis geëvalueerd kunnen worden.

Extra structurele financiering zou het mogelijk maken om op langere termijn te plannen, en dus iets meer zekerheid geven aan die onderzoekgroepen en aan de mensen die er tewerkgesteld zijn. Met dat geld kunnen er meer postdocs én professoren aangeworven worden, die bovendien meer tijd zullen hebben om het gedaalde aantal doctorandi te begeleiden. En naar meer tijd snakt zowat iedereen.

Of dat er ook komt, is zeer de vraag. In het laatste rapport over de financiële toestand van ons hoger onderwijs erkent het regeringscommissariaat wel de vrees voor de negatieve impact van het huidige, op concurrentie gebaseerde financieringsmechanisme op de kwaliteit van het wetenschappelijk onderzoek.

Maar tegelijk is er volgens het rapport weinig hoop op verandering. “Het lijkt onwaarschijnlijk dat we de komende jaren substantiële budgetverhogingen mogen verwachten. In geval van minder middelen kan men de kennisproductie verhogen door concurrentie. Wanneer er geen middelen bijkomen, moeten de universiteiten concurreren voor de bestaande middelen.”

Naar aanleiding van dit stuk was Apache-journalist Jan Walraven te gast bij De Wereld Vandaag op Radio 1. Herbeluister het interview hier:

Auteur: Jan Walraven

Jan Walraven schrijft sinds april 2015 voor Apache. Zijn boek, ‘De diefstal van de eeuw’, over privacy en de tentakels van technologie, is sinds 10 september te koop. Hij tweet af en toe als @jnwlrvn.

Word lid

Steun onze advertentievrije onderzoeksjournalistiek en mis geen enkele onthulling. Ja, ik word lid

Word nu lid van Apache en geniet van deze voordelen:

  • Toegang tot alle ruim 4.000 artikels
  • Deel de artikels gratis met je vrienden
  • Toegang tot alle dossiers en het volledige archief
  • Treed in discussie met journalisten en andere lezers
  • Korting op events en andere journalistieke producten, zoals e-books