De verloren Rilatinemiljoenen

0

Waarom werd de ADHD-medicatie Rilatine in oktober 2003, een jaar voor de terugbetaling van het geneesmiddel door de ziekteverzekering plots 150 procent duurder? Een ‘vergetelheid’ op de dienst Afdeling Prijzen en Mededinging van de FOD Economie, zo blijkt. Die leidde ertoe dat ziekteverzekering en patiënten de voorbije jaren miljoenen euro’s extra betaalden.

Doosje Rilatine 10 mg (Foto Apotheek Heylen)

Doosje Rilatine 10 mg (Foto Apotheek Heylen)

Over het toenemend gebruik van Rilatine is de voorbije jaren al heel wat inkt gevloeid. Kinderen met een diagnose ADHD hebben soms baat bij het gebruik van de medicatie, maar tegelijk zou het geneesmiddel al te gemakkelijk, en om de verkeerde redenen voorgeschreven worden. Grote gewestelijke verschillen – in Vlaanderen gaat vijf keer meer Rilatine over de toonbank dan in Wallonië – geven aan dat er op z’n minst geen eenvormigheid is in het voorschrijfgedrag. Daarnaast zijn er de stijgende cijfers over het gebruik van het geneesmiddel die doen vermoeden dat Rilatine niet altijd correct wordt gebruikt. Voor de balansen van producent Novartis betekent dat enkel goed nieuws. Niet in het minst omdat de prijs van het geneesmiddel in 2003, tegen elke klassieke economische logica in, met 150 procent steeg.

Cashcow

Rilatine is een geneesmiddel met als actief bestanddeel methylfenidaat. Het werd begin jaren ’60 geregistreerd. De researchkosten zijn met andere woorden al decennialang terugbetaald. Het geneesmiddel is afgeschreven en brengt alleen nog geld op. In oorsprong werd Rilatine gebruikt voor patiënten met narcolepsie, een zeldzame aandoening waarbij de patiënt plots in slaap valt. Nadat er evidentie kwam voor het positieve effect van het geneesmiddel voor kinderen met ADHD werd het geneesmiddel echter veel ruimer bekend en explodeerde het gebruik ervan.

Rilatine was in België ook lange tijd beschikbaar aan een relatief lage prijs: het standaarddoosje met 20 pilletjes van 10 mg koste tot 19 oktober 2003 2,60 euro. Een dag later kostte eenzelfde doosje echter plots 6,52 euro: een prijsstijging met ruim 150 procent is dat. Die evolutie is om verschillende redenen vreemd. Om te beginnen omdat het om een geneesmiddel gaat dat zijn geld al lang heeft opgebracht en voor het bedrijf enkel nog als cashcow dient. Opmerkelijker zijn echter de manier waarop de prijsstijging tot stand kwam en de timing van de prijsverhoging.

Evolutie gebruik rilatine in de periode 1999-2007 (bron IMS, beeld: openi)

Evolutie gebruik rilatine in de periode 1999-2007 (bron IMS, beeld: openi)

In principe hanteert België een prijsblokkering voor geneesmiddelen. Enkel farmaceutische bedrijven die kunnen bewijzen dat de bestaande prijszetting de balansen diep in het rood duwt, kunnen een uitzondering aanvragen bij de dienst Afdeling Prijzen en Mededinging van de FOD Economie. Die moet dan binnen een wettelijk vastgelegde termijn de aanvraag beoordelen en de gevraagde prijsverhoging goed- of afkeuren.

Niet op tijd

In het geval van Rilatine diende producent Novartis Pharma een aanvraag tot prijsverhoging in op 8 juli 2003. De bevoegde dienst binnen de FOD Economie heeft dan 90 dagen de tijd om het verzoek te bekijken en te beslissen. De beslissing kwam echter niet op tijd. De wet voorziet in zo’n geval dat “de aanvrager gerechtigd is de gevraagde prijsverhoging toe te passen” In een antwoord op een parlementaire vraag van Geert Bourgeois (N-VA) zei toenmalig federaal minister van Economie Fientje Moerman (Open Vld) daarover:

Overeenkomstig artikel 6, § 2, van het ministerieel besluit van 29 december 1989 betreffende de prijzen van de niet-terugbetaalbare geneesmiddelen: “Bij ontstentenis van een beslissing binnen 90 dagen, te rekenen vanaf de ontvangst door de Afdeling prijzen en mededinging van de volledige aanvraag, is de aanvrager gerechtigd de gevraagde prijsverhoging toe te passen.” De firma heeft dus het recht de gevraagde publieksprijs toe te passen en heeft bovendien op 13 oktober 2003 ter kennis gebracht dat ze deze prijs (6,52 euro) zou toepassen vanaf 20 oktober 2003.

Precieze cijfers ontbreken, maar het aantal doosjes Rilatine dat sinds de prijsverhoging over de toonbank ging, overschrijdt intussen de 6 miljoen stuks. Dat betekent een ‘extra’ winst, na de prijsstijging die hoger ligt dan 23 miljoen euro. Een deel van die extra winst wordt rechtstreeks door de patiënt betaald, een ander deel door de ziekteverzekering.

Maar misschien was de gevraagde prijsstijging wel gewoon terecht? In het eerder geciteerde antwoord van Fientje Moerman lezen we dat Novartis Pharma als belangrijkste economische argument voor de prijsverhoging de ‘verhoging van de industriële kostprijs met 107,48 procent’ in de weegschaal gooide. Bovendien zou Rilatine, met een prijs van 2,60 euro nergens anders in Europa zo goedkoop geweest zijn als in België.

De ‘extra’ winst, na de prijsstijging bedraagt 23 miljoen euro.

7 miljoen euro

Overtuigd door die economische argumenten, zo lezen we nog in haar antwoord, kende Fientje Moerman op 23 oktober 2003 een prijsverhoging met 107,48 procent toe, wat de prijs voor Rilatine op 5, 39 euro zou hebben gebracht. Zou, want de wet is duidelijk: bij gebrek aan een antwoord binnen de 90 dagen wordt de gevraagde prijsverhoging goedgekeurd: 6,52 euro dus. Niet de 5,39 euro die Moerman kennelijk nog verdedigbaar vond, en al helemaal niet meer de originele 2,60 euro. Zelfs als de economische motivatie van het bedrijf correct zou zijn en de prijs van 5,39 euro correct zou zijn geweest, dan nog leidde de ‘vergetelheid’ op de FOD Economie de voorbije jaren tot een meeruitgave voor patiënten en ziekteverzekering van om en bij de 7 miljoen euro.

Over de relativiteit en het problematisch karakter van de prijszetting van geneesmiddelen binnen de FOD Economie laten we morgen onder meer professor gezondheidseconomie Lieven Annemans (UGent en VUB) en Frie Niesten, apotheker voor de Christelijke Mutualiteit aan het woord. Nu even terug naar de timing van de spectaculaire prijsverhoging van Rilatine.

Nauwelijks twee maanden nadat Novartis Pharma op 20 oktober 2003 de prijs van Rilatine optrok van 2,60 euro naar 6,52 euro volgde stap twee: de procedure om de terugbetaling van het geneesmiddel door de ziekteverzekering te bekomen. Op 17 december 2003 diende het bedrijf, alweer bij de Afdeling prijzen en mededinging opnieuw een prijsaanvraag (aan 6,52 euro) in, deze keer ter erkenning van dat basisbedrag voor de terugbetaalbare procedure. Op 7 januari 2004 diende het bedrijf parallel ook een aanvraag in voor  terugbetaling bij de minister van Sociale Zaken, op dat moment Rudy Demotte (PS). Op 18 maart 2004 zette Fientje Moerman het licht op groen voor de prijs (in de terugbetaalbare procedure). En sinds 1 september 2004 wordt Rilatine onder voorwaarden terugbetaald door de ziekteverzekering. Voor ongeveer de helft van de doosjes Rilatine die over de toonbank gaan, komt de ziekteverzekering tussen in de kosten. Voor de andere helft betaalt de patiënt de volledige rekening.

Voor ongeveer de helft van de doosjes Rilatine die over de toonbank gaan, komt de ziekteverzekering tussen in de kosten. Voor de andere helft betaalt de patiënt de volledige rekening

Rechtzetting

Producent Novartis bevestigt de gang van zaken en geeft aan dat prijsverhogingen eerder de uitzondering dan de regel zijn, maar wijst in dit concrete geval op de economische noodzaak en het feit dat de prijsverhoging aan de bevoegde overheid helemaal conform de wet werd voorgelegd. “Aanvragen worden met de nodige aandacht geëvalueerd en goedgekeurd door het ministerie”, verzekert communicatiemanager Gauthier Beyaert. “Dat is ook het geval geweest voor Rilatine in 2003. Het ging om een rechtzetting ten opzichte van de prijzen in de andere Europese landen die veel hoger lagen en ten opzichte van de prijzen van andere producten met hetzelfde actieve bestanddeel. De verhoging werd gevolgd door een aanvraag tot terugbetaling, waardoor de patiënt uiteindelijk minder betaalde voor deze dosering en formulering.”

De patiënt mag dankzij de verkregen terugbetaling dan al minder betalen voor zijn doosje Rilatine, de rest van het bedrag wordt natuurlijk indirect ook door patiënten gedragen, via de ziekteverzekering. Ook het argument dat er in die periode gelijkaardige nieuwe en veel hoger geprijsde ADHD-geneesmiddelen op de markt kwamen, waarvoor geen terugbetaling wordt gegeven, klopt. Maar of dat een argument is om de prijs te verhogen?

Over de (on)logica van de prijszetting van geneesmiddelen gaat het morgen in deel 2: ‘transparantie in de prijszetting van geneesmiddelen is helaas even logisch als onhaalbaar’

Auteur: Tom Cochez

Licentiaat criminologie. Werkte van 1997 tot 2008 voor De Morgen. Hij volgde er vooral gezondheidszorg, sociale zaken en milieu en verdiepte zich in de politieke partijen Vlaams Belang en Groen. In 2008 koos hij ervoor om opnieuw op freelance basis te werken onder meer ook voor Knack en Humo. Een jaar later stond hij mee aan de wieg van De Werktitel, het latere Apache.be. Vandaag werkt hij als redacteur en coördinator.

Word lid

Word jij lid van Apache? Lees direct verder en steun onafhankelijke onderzoeksjournalistiek. Nu al vanaf 6,25 euro per maand.


Ja, ik word lid