‘Wij zijn niet de evangelisten van de cultuursector’

0

Het is u misschien ontgaan, maar u neemt ondertussen al tien jaar lang exemplaren mee van rekto:verso bij de Gentse Vooruit of de bibliotheek Permeke in Antwerpen. Elke twee maanden proberen de auteurs van het blad de kunsten uw wereld binnen te loodsen. In september bleek dat ze daar volgens Joke Schauvliege ook in slagen. Tien jaar lang bewijzen ze dat niet enkel Jan Verheyen aan cultuurkritiek doet in Vlaanderen: ‘Soms heb ik het idee dat kunst niet meer is dan een vrijetijdsbesteding voor de betere middenklasse.’

(Screenshot Brochure Vlaamse Overheid, Foto Mirjam Devriendt)

(Screenshot Brochure Vlaamse Overheid, Foto Mirjam Devriendt)

“Voor u ligt het zoveelste cultuurtijdschrift van Vlaanderen. Want laten we wel wezen. Er zijn er (volgens velen te) veel. De kritische – ook virtuele – platforms schieten als paddestoelen de grond uit. Even snel verdwijnen ze weer, want zoals algemeen geweten is, het uitgeven van tijdschriften is een onnoemelijk riskante zaak. Waarom, vraagt u zich ongetwijfeld en zeer terecht af, waarom in godsnaam wéér een tijdschrift”, begon het nulnummer van rekto:verso in 2003. Waarna de redactie een baldadig statement neerschreef zoals er waarschijnlijk in het archief van elke titel eentje te vinden is. De vraag die velen zich, waarschijnlijk niet luidop maar niettemin ook stelden – hoe lang zouden ze het volhouden? – kan vandaag worden beantwoord met een feestelijk verjaardagsnummer. Het tweemaandelijkse tijdschrift voor cultuur en kritiek bestaat tien jaar. Het heeft niets van haar baldadigheid verloren, en kreeg als cadeautje vorige maand zelfs de Vlaamse Cultuurprijs Podiumkunsten van minister Joke Schauvliege. En toch worden de redacteuren soms uit hun slaap gehouden door kopzorgen.

Tom Van Imschoot: “Wij zijn erg blij met de prijs. De verjaardag is een aanleiding om een feestje te geven en een reeks debatten te organiseren. Zo kunnen mensen kennis maken met rekto:Verso, maar meer stelt dat ook niet voor. Tien jaar is maar een getal.”

Valt er dan niets te vieren? Misschien is het al bijzonder dat jullie na tien jaar nog steeds bestaan.

Vam Imschoot: “Dat is waar. Rekto:Verso is een professioneel project van vrijwilligers. Dat is soms zwaar, maar net daarom is de betrokkenheid van alle medewerkers essentieel. In de afgelopen tien jaar is daartussen ook een vriendschapsbestand ontstaan. Als die er niet zou zijn geweest, zou het blad al eerder zijn opgehouden. Die vriendschap voedt zich aan de kunsten. We voeren al jarenlang een gesprek met elkaar over de onderwerpen die ons allemaal bezighouden. Het blad is daar eigenlijk een verlengstuk van. Daarin willen we dat gesprek ook met onze lezers aangaan.”

Lukt dat?

Wouter Hillaert: “We krijgen wel reacties. Dat zijn vaker mensen die ons aanspreken dan lezers die een reactie insturen. Zulke brieven kregen we vroeger vaker, maar nu verplaatst die conversatie zich meer naar internet.”

Van Imschoot: “Van anonieme internetreacties ben ik niet zo’n grote fan. Het aangenaamste zijn lezers die ook stukken insturen. Rekto:Verso werkt blijkbaar soms aanstekelijk. Dat zijn dan mensen die zich ook bezighouden met cultuur zoals wij dat graag doen, en die zich dezelfde vragen stellen. Alleen riskeer je daarmee in een kringetje te blijven zitten zonder dat de buitenwereld er iets van merkt. Daar moeten we ons voor hoeden.”

Hillaert: “Dat is een moeilijke oefening. Soms hoor ik van mensen voor wie onze artikels eigenlijk bedoeld zijn dat ook zij die te moeilijk vinden: dat houdt me wel eens uit mijn slaap.”

Van Imschoot: “Ligt dat dan aan ons, of ligt dat ook aan een cultuur waarin er nog maar weinig plaats is voor inhoudelijke reflectie en enkel voor harde kritiek? Die vraag stellen wij ons voortdurend. We willen eerst en vooral zelf in de spiegel kijken. Op de redactie zijn daar vaak discussies over. Als wij een tekst krijgen toegestuurd waar de naam Walter Benjamin zijdelings in wordt vermeld, zal Wouter geneigd zijn die eruit te halen. Zeker als die verwijzing niet echt noodzakelijk is om een punt te maken. Ik zou hem eerder laten staan, omdat mensen zo misschien voor de eerste keer in aanraking komen met het – overigens geweldige – werk van Benjamin en iets bijleren. Een derde redacteur zou de auteur zelf enthousiast tien andere referenties over Benjamin doorsturen. Dat zijn zo ongeveer de verhoudingen bij rekto:Verso” (lacht)

Van Imschoot: intellectuelen zijn enkel geïnteresseerd in zichzelf en hun eigen slimmigheden: dat is de karikatuur die wordt gemaakt.

Hillaert: “Doordat we een gratis tijdschrift zijn, weten we ook niet goed wie onze lezers zijn. We hebben geen adressenbestand van abonnees. Naast de cultuursector en studenten, proberen we alleszins ook de meerwaardezoeker te bereiken die elke week een film of voorstelling ziet en daar ook langer bij wil stilstaan. We zouden meer klantgericht kunnen denken en ons afvragen wat zij willen lezen, zodat we hen zeker ook bereiken. Dat zie ik rekto:Verso nooit doen. De inhoud van het blad zal altijd samenvallen met wat de redactie interesseert. Maar het moet wel een aanmaning zijn om onze eigen evidenties in vraag te stellen. We mogen er niet vanuit gaan dat iedereen Walter Benjamin kent. Voor zover die naam al nodig zou zijn: de grootste intellectueel is degene die de kern het eenvoudigst kan uitleggen.”

Van Imschoot: “Maar we moeten daar ook niet flauw over doen: er heerst in Vlaanderen een behoorlijk anti-intellectueel klimaat. Alles wat iets meer inspanning vraagt, wordt afgedaan als moeilijkdoenerij. Intellectuelen zijn enkel geïnteresseerd in zichzelf en hun eigen slimmigheden: dat is de karikatuur die wordt gemaakt. Terwijl wij mensen enkel op een andere manier naar de wereld willen laten kijken. Minder hetzerig, maar daarom toch niet minder boeiend voor veel mensen?”

Deze existentiële vragen lijken op dezelfde die de cultuursector zich vaak stelt: voor wie doen we het eigenlijk?

Van Imschoot: “Dat klopt. Ik vind het simpelweg plezierig om over kunst te schrijven, maar het is belangrijker geworden om jezelf ook te verantwoorden. We zijn allemaal op zoek naar draagvlak in de samenleving, en kunnen elkaar daarin ook versterken. Ik denk sowieso dat de traditionele opdeling waarbij de kunstenaar en criticus pal tegenover elkaar staan voorbijgestreefd is. Wij proberen in dialoog te treden met kunstwerken en hun makers. Daarvoor moet je elkaar af en toe benaderen.”

Hillaert: “Die fameuze ontoegankelijkheid van kunst moet je ook relativeren. Voor zover die bestaat is het ook net de opdracht van rekto:Verso om die te doorbreken. Het probleem met veel makers en critici is dat hun boodschap niet aansluit bij waar mensen op café over praten of waar ze van dromen. Maar wij zoeken in kunstwerken precies naar wat het deelbaar maakt met de publieke ruimte of een politieke discussie. Wij publiceren geen beoordelingen van geïsoleerde producten, maar proberen werken te zien als een deel van iets groter.”

In het opiniestuk dat jullie naar aanleiding van de cultuurprijs schreven, pleiten jullie voor meer en diepgaandere kritiek. Dat klinkt alsof jullie het opnemen voor de arme kunstenaars die slecht worden begrepen door de buitenwereld.

Hillaert: “Ik heb niet het gevoel dat ik de evangelist ben van de cultuursector. In mijn werk probeer ik hun discours net te plaatsen naast een wereldse realiteit. Soms blijken die erg ver van elkaar af te staan. Ik verdedig goede kunstenaars graag, maar als het werk niet met de eigen beloftes strookt, stel ik daar met evenveel plezier vragen over.”

Medialogica

Waarom hebben jullie eigenlijk een prijs gewonnen die doorgaans naar makers gaat?

Hillaert: “Het is een statement van de jury. Het overgrote deel van de cultuursubsidies gaat naar makers, maar de cultuursector kan niet zonder kritisch vermogen. Dat hebben ze willen belonen.

Van Imschoot: “Persoonlijk zie ik het ook als een appreciatie van ons engagement. Wat wij doen, is niet niks. Blijkbaar hebben we niet tien jaar lang in onze eigen speeltuin gezeten, maar resoneerde er ook iets daarbuiten.”

Hillaert: de krant is haar maatgevende stem verloren. Ze schept geen overzicht meer in het steeds groter wordende cultuuraanbod

De voorbije tien jaar zijn de cultuurkaternen van kranten ook alsmaar dikker geworden. Is de cultuurberichtgeving er werkelijk zo beroerd aan toe?

Hillaert: “De kranten zijn over veel meer gaan schrijven: strips, comedy,… Dat werd allemaal kunst, en daar ben ik blij om. Alleen is de krant haar maatgevende stem verloren. Ze schept geen overzicht meer in het steeds groter wordende cultuuraanbod. Toen ik bij De Morgen werkte, was het jaaroverzicht een belangrijk moment. Daarmee maakten wij een statement. Dat zie je veel minder. Nu wordt alles naast elkaar besproken zonder een heldere hiërarchie. Ik kon vroeger een stuk schrijven waarin ik geen voorstelling van Luk Perceval recenseerde maar het hele Toneelhuis. Die overzichtsstukken maakten ook het meeste indruk bij het publiek. Dat geloof ik echt. Alleen al vanuit commercieel oogpunt begrijp ik niet waarom de kranten daarmee zijn opgehouden. Ze zetten amper een eigen agenda. Ze vragen zich vooral af hoe ze de aankomende voorstellingen en boeken zullen verslaan.
De aandacht die media aan kunst geven is ook vervlakt. Dat zie je misschien het beste bij de publieke omroep, die in concurrentie met VTM haar opvoedende functie heeft verwaarloosd. Vroeger kon er zonder probleem een gesprek met Jan Fabre worden uitgezonden dat een uur duurde. Ik heb het terug gezien: het is bij wijlen onbegrijpelijk, en zoiets moet zeker niet terugkomen, maar er spreekt toch een ambitie uit die ik vandaag mis. De ambitie om mensen ook iets bij te brengen. Nu is wie iets zegt belangrijker dan wat hij of zij precies te vertellen heeft.”

Van Imschoot: “Dat zie je overal. Kwaliteit haalt nog maar amper de media. Of het dan gaat over getalenteerde kunstenaars, of een hard werkende parlementariër, maakt nog niet zo veel uit. Wie hard werkt, krijgt daarom geen aandacht. Daarvoor moet je vooral hard roepen.”

Hillaert: “Ligt het niet iets genuanceerder? Neem iemand als Paul Verhaeghe. Hij is bekend geworden met doorwrochte analyses over onze samenleving, en wordt regelmatig opgevoerd in de media.”

(Beeld: rekto:Verso)

(Beeld: rekto:Verso)

Of David Van Reybrouck: hij schreef een vuistdik boek over Congo en kreeg applaus van alle kranten.

Van Imschoot: “Die voorbeelden bewijzen dat er een werkelijk nood is aan diepgang. Enkele jaren geleden interviewde Ruth Joos voor Radio 1 Leonard Nolens. Het gesprek bestond vooral uit aarzelingen en stiltes. Veel mensen waren laaiend enthousiast: een verademing vonden ze het. Elke keer als er uit een format wordt getreden, valt op hoeveel mensen dat appreciëren. Journalisten zouden dat ook liever doen, maar ze zitten vast in een dwingende medialogica. Ze krijgen de tijd niet om iets anders te schrijven dan wat er in makkelijke schemaatjes past. De productiedruk ligt te hoog.”

Nostalgie

Hoe staat het eigenlijk met het niveau van Vlaamse kunst? Jan Hautekiet zei als voorzitter van de jury van het Theaterfestival dat er dit jaar ‘weinig hoogvliegers’ tussen zaten.

Hillaert: “Je hoeft niet zo heel veel buitenlandse producties te zien om te weten dat het niveau van het Vlaamse theater behoorlijk hoog ligt. Ook de manier waarop het beleid daar recht aan doet is een zeldzaamheid. Maar ik snap het wel: ik heb ook in die jury gezeten, en dan zie je zoveel theater dat je standaarden zich loszingen van wat een gemiddelde toeschouwer verwacht.”

Worden we verwend?

Hillaert: “Dat is niet het juiste woord. Het gaat meer om een zekere gewenning bij de makers. Ze werken voor een theaterhuis en moeten elk seizoen een aantal voorstellingen maken. Daarbij ontbreekt het wel eens aan noodzaak. Ik mis vaak maatschappelijke betrokkenheid in de inhoudelijke keuzes die ze maken. We zagen onlangs MCBTH van Guy Cassiers en het Toneelhuis. Dat stuk ziet er goed uit, maar ik haal daar niet uit wat Cassiers precies wil vertellen. Waarom kiest hij daarvoor? Toch niet enkel omdat hij per se een repertoirestuk wil spelen.

Hoe staat de literatuur ervoor?

Van Imschoot: “Dat is een lastige vraag. Er lopen in Vlaanderen erg interessante schrijvers rond, zoals Yves Petry of Peter Terrin, maar de literatuur heeft ontegensprekelijk een probleem. Vandaag lezen veel mensen omdat hen dat thuis of op school is aangeleerd, maar binnen twintig jaar hoeft niemand daar meer op te rekenen. Als de literatuur geen nieuwe functie voor zichzelf weet te verwerven in deze eeuw, of een manier vindt om verhalen te vertellen die jonge mensen aanspreekt, wordt het een oefening in nostalgie. Dat zie je in Vlaanderen en Nederland: hier wordt veel te weinig geëxperimenteerd en teert de literatuur op haar status van prestige uit het verleden. Het blijft ook een geïsoleerde bedoening. Anders kunstvormen werken veel meer met elkaar samen.”

Van Imschoot: romanciers moeten niet per se over hetzelfde schrijven als waar de krantenkolommen mee worden gevuld. Het is net hun taak om daar voorbij te kijken.

Er worden heel veel boeken naar theater vertaald, nee?

Van Imschoot: “Dat is zeker zo: er zijn ook veel verfilmingen. Maar dat is meer de hang van regisseurs als Johan Simons, Ivo Van Hove en Cassiers naar het aura van schrijvers als grote denkers.”

Hillaert: “Het heeft er ook mee te maken dat er in Vlaanderen weinig sterke theaterteksten worden geschreven. Regisseurs moeten hun toevlucht elders zoeken.”

Pijnlijk

Jullie zien kunstenaars graag midden in de wereld staan, maar hebben ze eigenlijk zoveel te vertellen over de wereld waarin we leven?

Van Imschoot: “Ik weet niet of er vandaag veel schrijvers zijn die het talent hebben om iets wezenlijks te zeggen over onze tijd. Er zijn natuurlijk voorbeelden: met wat Erwin Mortier over de eerste wereldoorlog schrijft, zegt hij indirect veel over België. Schrijvers als Jeroen Olyslaegers en Tom Lanoye proberen nu de crisis te vatten, maar vaak geraken zulke pogingen niet verder dan dat ze nogmaals uitschreeuwen dat het allemaal godgeklaagd is.
Ik hoed mij wel voor kunstwerken die enkel draaien om een boodschap die ze willen meegeven. Kunst is in de eerste plaats een manier om ons denken te ontwrichten. Het moet mij op een andere manier naar de werkelijkheid laten kijken. Dat hoeven dan geen pamfletten te zijn.”

Hillaert: “In het theater duurt het ongeveer drie seizoenen vooraleer een actueel onderwerp becommentarieerd wordt. Dat heeft te maken met de traagheid van productieprocessen. Twee seizoenen geleden ging het plotseling overal over de crisis. De zwakste voorstellingen waren degene die simpelweg een kwaadwillige bankier opvoerden, maar er zaten er ook tussen die het publiek betrokken en hen een schuldvraag meegaven. Dan wordt het interessant.”

Van Imschoot: “Er valt ook vaak nog maar weinig toe te voegen aan een onderwerp dat de hele mediamolen al is doorgegaan. Tien jaar geleden zat iedereen te wachten op een internetroman. Internet was een vernieuwing die onze levens spectaculair veranderde, en het was maar logisch dat een auteur daar iets mee moest doen. Maar dan wordt het vaak een gimmick. Ik heb liefst dat kunstenaars mij wijzen op een onderwerp waar ik zelf nog niet bij heb stilgestaan. Romanciers moeten niet per se over hetzelfde schrijven als waar de krantenkolommen mee worden gevuld. Het is net hun taak om daar voorbij te kijken.”

Hillaert: soms heb ik het idee dat kunst niet meer is dan een vrijetijdsbesteding voor de betere middenklasse

Hillaert: “Voor veel makers is het lastig. Ik heb een hele tijd weinig theater gezien, maar sinds september ga ik weer regelmatig kijken. Er zijn al drie voorstellingen gepasseerd over het onvermogen van kunstenaars om zichzelf uit te drukken. Die zaten heel goed in elkaar, en ze hebben ook een soort troostende werking, wat mooi is, maar dat is niet voldoende. Vind ik althans. Nu tourt Sarah Vanhee door Vlaanderen met ‘Lecture For Every One’. Ze overvalt mensen met een lezing die ze op de meest verrassende plaatsen opvoert. Ik zag haar in het Leuvense schepencollege. Zij dóet echt iets met theater. Maar als ik mensen iets mag aanraden: ‘Leeghoofd’ van Tuning People. Het is een voorstelling voor kleuters waarin bellen en ballonnen worden geblazen: heel simpel en geen maatschappijkritiek. Maar de fantasie om zoiets te maken raken we onderweg soms kwijt.”

Van Imschoot: “Ik kan mij ook voorstellen dat een theatermaker iets eenvoudig wil maken waarin wordt gezongen. Dat klinkt klein, maar de schoonheid die daarin schuilt kan in contrast met de waan van de dag ook heel betekenisvol zijn.”

Soms maken kunstenaars er zich vanaf door een petitie te tekenen of een avond op het podium van de KVS te staan tegen de splitsing van het land. Hoe kijken jullie daar naar?

Van Imschoot. “Zulke acties ondernemen ze vooral als burger, maar het staat uiteraard niet helemaal los van hun kunstenaarschap. Ze gebruiken de maatschappelijke stem die ze als kunstenaar hebben om gehoor te geven aan hun politieke opvattingen.”

Is dat niet pijnlijk: kunstenaars die voor hun engagement geen betere uitingsvorm vinden dan een petitie?

Hillaert: “Ik vind dat niet pijnlijk. Ik ben al blij dat ze op die manier een engagement betonen. Soms heb ik het idee dat kunst niet meer is dan een vrijetijdsbesteding voor de betere middenklasse. Geen enkele kunstenaar zal zich in die omschrijving kunnen vinden, maar af en toe komt het daar op neer. Dan is het goed dat rekto:Verso er is om hen daarop te wijzen.”

Er verschenen recentelijk heel wat lezenswaardige artikels over dit onderwerp. In De Groene Amsterdammer gaf Xandra Schutte haar visie op literaire kritiek, net als Lee Siegel dat deed in een doorwrocht essay voor de site van The New Yorker. Geestiger zijn de tien tips die Peter Aspden dit weekend in The Financial Times gaf voor iedereen die zich interesseert voor hedendaagse kunst. The New York Times plaatste vorige week een voorpublicatie van de internetroman van Dave Eggers die binnenkort verschijnt.

Auteur: Peter Casteels

Peter Casteels (1989) studeerde politieke wetenschappen aan de Universiteit Gent. Op Twitter spreekt u hem best aan met @pcasteels en mailen kan naar peter.casteels@apache.be.

Word lid

Word jij lid van Apache? Lees direct verder en steun onafhankelijke onderzoeksjournalistiek. Nu al vanaf 6,25 euro per maand.


Ja, ik word lid