De kleur van het waakvlammetje

3

The Financial Times publiceerde zaterdag een wondermooi essay over literatuur, politiek en journalistiek. In ‘After Orwell’ ging Jason Cowley, hoofdredacteur van New Statesman, op zoek naar een Engelse auteur die – een klassiek ideaalbeeld – de intelligentie en autoriteit heeft om de natie in tijden van crisis en verwarring net als George Orwell gezaghebbend toe te spreken. Hij raakte er niet uit. Een poging om zijn denkoefening voor Vlaanderen te herhalen.

Peter CasteelsIn Nederland is het niet ver zoeken. Daar dringt Arnon Grunberg zichzelf middels een indrukwekkende productie van romans, essays, reportages en verschillende columns – elke ochtend op de voorpagina van De Volkskrant – op als geweten van het land. Hij speelt die rol (vanuit New York) met gemaakte tegenzin, en is eigenlijk al vijf jaar uitgeschreven, maar enkel Grunberg wordt in een programma als Buitenhof ernstig ondervraagd over zijn mening. Dat is op de Vlaamse televisie ondenkbaar, hoewel Tom Lanoye hier een voor de hand liggende pendant is. In kranteninterviews wordt hij met veel egards opgevoerd, maar vanuit Zuid-Afrika komt de polemist nog amper tussen in debatten. Al enkele jaren toert hij door België met herinneringen aan zijn lieve moeder. Zijn theaterwerk maakt veel goed, maar Lanoye is verre van zo aanwezig als Grunberg.

Geen enkele Vlaamse auteur is bepalend voor het debat of speelt zelfs maar een invloedrijke rol. De versplintering van de publieke opinie heeft het hele auteursgilde in de touwen doen belanden, maar de schrijver als maatgevende stem blijft een nastrevenswaardige ambitie. Zonder een politieke dimensie wordt literatuur snel particulier en schraal. Momenteel is er niemand die domineert, maar niet alle auteurs hebben zich terug getrokken in huis-, tuin- en keukenliteratuur. Ik zie twee bewegingen. Voor wie bekend is met de Belgische politiek, zijn ze hooglijk voorspelbaar.

Aanvallen

In ‘After Orwell’ citeert Jason Cowley een herinnering die Ian McEwan schreef bij de dood van Margaret Thatcher. “Ze dwong ons te beslissen wat we écht belangrijk vonden”, schreef hij in The Guardian over haar regeerperiode. Dat deed de politieke literatuur in de jaren tachtig floreren, maar ziet Coweley in ons postideologisch tijdperk niet meer gebeuren. Voor zover die stelling klopt – het debat wordt met postideologische argumenten gevoerd maar is in wezen hoogideologisch gebleven – geldt ze maar gedeeltelijk voor Vlaanderen. Het communautaire debat dat N-VA aanstookt, wordt ook postideologisch gestoffeerd, maar is onmiskenbaar emotioneel. Daartegenover proberen auteurs zich te verhouden.

‘Ze dwong ons te beslissen wat we écht belangrijk vonden’, schreef Ian McEwan over Thatcher. In Vlaanderen is Bart De Wever héél belangrijk.

Dat doen ze niet in hun boeken, maar vooral in opiniestukken. Het kerstessay dat Erwin Mortier aan het einde van 2012 in De Standaard publiceerde, was een weinig omfloerste aanval op N-VA. De zeldzame polemiek die Lanoye onlangs schreef ging over het De Coninckplein was ook niet meer dan een vinnig steekspel met Bart De Wever als onzichtbare tegenstander. Het vlugschrift ‘Niet in onze naam’ werd door een groot aantal auteurs ondertekend (maar hopelijk niet geschreven), en bij elk relletje rond De Wever wordt een schrijver – ik denk aan Marc Reugebrink en Stefan Hertmans – door een krant gevraagd of voelt zich geroepen om in een repliek te voorzien. Helaas smaken al deze pennenvruchten zuur. Het is zelden grote kunst, en buiten Mortier en Lanoye geven de auteurs blijk van meer misnoegdheid dan superioriteit. Ze vinden vooral – naar analogie met McEwan – Bart De Wever héél belangrijk.

Afkeren

Een tweede beweging die schrijvers de afgelopen jaren hebben gemaakt is een afkeer van de Belgische partijpolitiek. Niemand voelt zich geroepen om in dat bad te duiken – zeker nu op opiniepagina’s wufte analyses hoger staan aangeschreven dan harde meningen – en kunstenaars voelen zich al helemaal verheven boven politici op wie toch de verdenking rust dat ze niet allemaal kunnen lezen en schrijven. David Van Reybrouck heeft zich op de meest sympathieke manier afgekeerd van het politieke spel. Hij heeft het volk omarmd. Wat Van Reybrouck mist in politici zoekt hij sinds de G1000 bij de man in de straat.

Er zijn andere voorbeelden. Jeroen Olyslaegers engageert zich in een column in De Morgen enthousiast, maar resideert met overgave in de marge. Occupy Antwerp, waarin hij actief is, is als de dood om politiek te worden gerecupereerd. Joost Vandecasteele – een andere schrijver die prat gaat op zijn maatschappelijke inzichten – koketteerde in januari in De Standaard met politieke contacten én met zijn weerzin voor partijpolitiek. “Hoe kun je onafhankelijk blijven en je toch politiek moeien”, had hij zich met Felix De Clerck afgevraagd. Vandecasteele noemde het ‘een bitter besef’ dat De Clerck uiteindelijk voor CD&V koos. Ook Tom Naegels past hierin. Na ‘Beleg’ maakt hij de indruk van een mislukte romancier, en weldra houdt hij enkel het ombudsmanschap van De Standaard over, maar in zijn veelgelezen columns moest dik aangezette nuance hem redden van partijpolitiek.

Vlaamse auteurs beheersen niet het publieke debat maar zijn er het product van.

Televisie

Met deze twee kenmerken beheersen Vlaamse schrijvers niet het politieke debat, maar zijn ze er het product van. Ze laten zich opjagen door een nationalistische boeman of slaan op de vlucht voor afbladderende traditionele partijen. Ze zijn niet de enige. Literatuur is ook nog maar een waakvlammetje van wat het ooit dacht te zijn. Niet boeken maar televisiereeksen leveren de verhalen waar de natie over reflecteert. ‘Met man en macht’ van Tom Van Dijck en Tom Lenaerts had in die zin relevant kunnen zijn, maar die reeks bleef steken in de kleurloze ambities van kleine mensen. Een groter verhaal ontbrak volledig.

Jason Cowley kroont aan het einde van zijn essay thrillerauteur John le Carré. Met thema’s als de neergang van het Britse rijk en institutionele corruptie schetst hij een bepalend beeld van Engeland. Dat treft. Laat het in Vlaanderen toevallig Ward Hulselmans zijn die in de fictiereeks ‘Salamander’ net dezelfde onderwerpen voor de Belgische natie uitwerkte. Wekelijks keken meer dan anderhalf miljoen mensen naar zijn schets van het gecorrumpeerde Belgische establishment. Dat heeft meer invloed dan het oeuvre van de auteurs die hierboven staan vermeld. Ward Hulselmans, beste mensen. Het zal toch niet.

‘After Orwell’ van Jason Cowley vindt u op de site van The Financial Times.

Auteur: Peter Casteels

Peter Casteels (1989) studeerde politieke wetenschappen aan de Universiteit Gent. Op Twitter spreekt u hem best aan met @pcasteels en mailen kan naar peter.casteels@apache.be.

Word lid

Word jij lid van Apache? Lees direct verder en steun onafhankelijke onderzoeksjournalistiek. Nu al vanaf 6,25 euro per maand.


Ja, ik word lid