Onze romantische drang naar authenticiteit

3 april 2012 Tom Viaene, Peter Van Goethem
51_Viaene_Doorman_David_de_Jong
51_Viaene_Doorman_David_de_Jong
Maarten Doorman (Foto David de Jong)

Met romantiek bedoelt Doorman niet de samentrekkingen rond de hartstreek die we allemaal moeten ervaren met Valentijn. Dat is romantiek als banaal consumentisme, terwijl het de romantici te doen was om de creatieve verbeelding. Gecommercialiseerd of niet, ‘het romantische blijft een alledaagse ervaring’, zo opende Doorman in 2004 De romantische orde. In die belangwekkende cultuurfilosofische studie wierp hij pertinente vragen op over de verhouding tussen de historische romantiek en onze romantische houding vandaag. Die houding omvat veel meer dan een esthetisch beginsel of het conformisme van de ‘romantische liefde’. ‘De romantiek’, zo verduidelijkt Doorman na zoveel jaar nog eens, ‘heeft voor een hele culturele omwenteling gezorgd, die ook vandaag nog onze keuzes en evaluaties bepaalt.’

Doormans analytische benadering schept niet enkel meerduidigheid in het moeilijke begrip‘romantiek’, maar legt ook bloot wat onze romantische houding in realiteit allemaal inhoudt. Hij is een onverzettelijke allrounder, die academische filosofie graag combineert met literatuur en journalistiek. Louter binnen de academie opereren ziet hij als ‘bureaucratie van de geest’. Tijdens ons gesprek wordt duidelijk dat hij met die veelzijdigheid eigenlijk een romantisch ideaal verwezenlijkt: door zich niets aan te trekken van soms kunstmatig opgelegde begrenzingen, volgt hij een ‘natuurlijke’ ontwikkeling die hem toelaat kritisch te zijn ten aanzien van zijn eigen engagementen als schrijver.

"Authenticiteit en romantiek zijn nauw verbonden met elkaar. In de tijd van de romantiek werd zelfexpressie de opdracht: het moderne individu werd gezien als autonoom, creatief en zelfstandig. Het ontleende zijn identiteit aan zijn eigenheid, en aan zijn vermogen om dat unieke te zoeken en te verwezenlijken in een authentiek leven. Na De romantische orde heb ik beseft dat het voor mij ook over authenticiteit gaat."

Kon die authenticiteit ook zonder de figuur van Rousseau verklaard worden?

"Hij is de peetvader van de authenticiteit. Hij pleitte voor oprechtheid en beklemtoonde de natuurlijke oorsprong van creativiteit. Interessant aan Rousseau en zijn geschriften is de paradox waarmee hij worstelde, en waarmee ook wij nog te maken hebben. We leven in een tijd waarin je geacht wordt je eigen ik te exploreren en te realiseren. Jezelf zijn is evenwel onmogelijk. Het leek me geschikt om in dit Rousseau-jaar (het is driehonderd jaar geleden dat de Franse denker geboren werd, nvdr) de vraag van de erfenis van zijn gedachtegoed te verbinden aan ons onophoudelijke verlangen naar echtheid."

We verlangen eigenlijk naar een onmogelijkheid?

"Het is een romantisch verlangen van de mens om authentiek te leven. Je kan verlangen naar een authentiek bestaan, bijvoorbeeld dicht bij de natuur. Met dat verlangen op zich is niks mis, maar al in het leven en werk van Rousseau kan je zien hoe dat verlangen naar een natuurlijke toestand – de ongerepte natuur, zuiver voedsel, eerlijke politiek, natuurlijke opvoeding, unieke toeristische ervaring – bijna automatisch gepaard gaat met raadgevingen, ingrepen en constructies om die toestand te “installeren”. Steevast loert de keerzijde van dat verlangen dus om de hoek: de "inauthenticiteit". Wie écht wil zijn, is het per definitie niet, want met het bewustzijn van dat verlangen is de onechtheid er ook. En wij – denk aan Facebook, realityprogramma’s – wíllen echt zijn, en hoe dichter we er met onze neus op zitten, hoe vaker het door onze vingers dreigt te glippen. Het weegt in onze waardeschaal zo zwaar door, dat we talloze manieren vinden om onze echtheid te 'spelen'. En het is in ons besef van dat spel, in die verhoogde reflectie over het zelf, dat we door en door romantisch zijn."

De authenticiteitsparadoxen waarmee wij kampen, opgelijst in Rousseau en ik, zijn dus terug te voeren op de paradoxen die met de romantiek samenhangen.

Wie écht wil zijn, is het per definitie niet

"Sinds de romantiek gaat de drang om dieper in het ik te graven, gepaard met het besef dat een volledig transparant ik eigenlijk onmogelijk is. Paradoxaal is ook het daaraan verbonden streven om geheel jezelf te worden door je juist in de ander te verliezen, je identiteit te ontwikkelen door haar prijs te geven. De behoefte jezelf te overstijgen, door op te gaan in het andere (de natuur), staat op gespannen voet met de idee van een eigen identiteit, met dat ideaal van een authentiek subject. Wat wij willen, is worden wat wij eigenlijk écht zijn. En wij kunnen maar “worden” door die cruciale uitwisseling met het andere, of met de ander."

Ook op het politieke toneel loopt de fascinatie voor een eerlijke vertegenwoordiging in haar tegendeel uit.

"Een politicus wil voorgesteld worden als een huisvader die van spelletjes of voetbal houdt. Als iemand die ook op vakantie gaat. Als een écht mens. Politici ontdoen zich van hun identiteit als politicus om authentieker over te komen. Zo komen Wilders en De Wever in het openbaar heel authentiek over, ze hoeven daar amper iets voor te doen. Maar ze worden een karikatuur van zichzelf, omdat ze zichzelf steeds moeten herhalen. Naarmate ze langer in de politiek zitten, moeten ze hun authentieke zelf gaan“spelen”. Hun obsessie met authenticiteit loopt uit op een berekenend vertoon van eerlijkheid en spontaniteit, wat het vertrouwen in de politiek dan weer ondergraaft."

Ligt die gespeelde echtheid van politici niet veeleer aan de media dan aan de politiek?

"Politiek heeft de media natuurlijk nodig, want zonder de media bestaat de politicus niet meer. Net zoals de media de politiek nodig hebben voor het publiek en de kijkcijfers. Authenticiteit fungeert dan als bindmiddel: politici zijn aantrekkelijker naarmate ze authentieker overkomen, en ze kunnen hun authentieke voorkomen stroomlijnen via de media. Balkenende kwam in het begin behoorlijk authentiek over. Over zijn non-modieuze bril en kapsel werd lacherig gedaan, en veel mensen vroegen zich af hoe het mogelijk was dat een man die er zo uitziet en zich zo nurks gedraagt, toch zo veel stemmen binnenhaalde. Dat had met zijn authenticiteit te maken. Toen hij vijf jaar premier was, werden zijn bril en kapsel aangepast, waardoor hij er beter uitzag. Maar hoe meer hij er als een politicus ging uitzien, hoe minder overtuigend hij werd. Ik zeg niet dat dat alleen door die drang naar authenticiteit komt, maar het is een fascinerend verschijnsel."

Hoe authentiek is onze ervaring van kunst eigenlijk nog? In het essayboek Paralipomena (2007) stel je dat bijvoorbeeld onze kijk op landschappen erg sterk beïnvloed is door hoe de romantici ernaar keken.

"Hoe wij een landschap ervaren, is inderdaad een romantische ervaring, geconstrueerd in de negentiende eeuw. Veel associaties die we vandaag maken met de natuur, zijn concreet visueel vormgegeven door de romantici: de poëzie en de schilderkunst uit die periode, van William Wordsworth, Caspar David Friedrich en John Constable, hebben onze blik totaal veranderd. Die explosie van landschapscreatie zorgde voor een 'kopieerlust' die later werd overgenomen door tijdschriften, fotografie en film. Het gaat om bekende schemata die dezelfde beleving opwekken: een bosje, een huisje langs de waterkant, de watermolen, de maanlucht, de ondergaande zon, de rusteloze zee, kraaien boven het korenveld enzovoort. Dat zijn maar een paar van de vele clichés. Wat wij nu zien, “formatteren” we als het ware met behulp van die beelden."

Zijn we dan ook voorbestemd om met een romantische bril naar kunst zelf te kijken?

"Zeker. Zo moet ik altijd denken aan hoe wij Cervantes’ Don Quichot lezen. We weten dat dat boek een reactie was op de middeleeuwse ridderverhalen. Maar soms lijken we te vergeten dat Cervantes daarmee op de gevaren van de fantasie wilde wijzen. Begrippen als “fantastisch” en “romantiek” hadden tot in de achttiende eeuw immers nog een negatieve connotatie. Het is pas op het einde van die eeuw, voor mij het begin van de romantische orde, dat men de kracht van de verbeelding positief begint te evalueren. En zo lezen wij vandaag in de figuur van Don Quichot, net als de romantici, eerder een lofzang op de fantasie. Die positieve waardering van de verbeelding zorgt ervoor dat wij maar weinig kunst van voor de romantische kunst en literatuur kunnen begrijpen. Een Joods kerkhof in een werk van Ruysdael is voor ons romantisch. We zien dat door de ogen van Friedrich, niet door die van Rembrandt. We kunnen dat niet uit ons systeem wissen."

Hoe verhoudt kunst zich vandaag tot die romantische impulsen?

"Met de romantiek doen er zich grensoverschrijdingen voor in de kunsten: als de aparte genres moeilijker zijn af te bakenen, ontstaat de nood om de eigen discipline telkens te herdefiniëren. Met de spots op persoonlijke expressie wint de kunstenaar wel aan aanzien, maar doordat de kunst meer en meer in het andere, in het leven zelf dient op te gaan, verliest zijzelf wat van dat aura. Door zich vervolgens te mengen met genres die traditioneel op gespannen voet stonden met klassieke kunst, moet de kunst haar “identiteit” verzekeren. Kunstenaars zijn sinds Marcel Duchamp in het kunstwerk zelf bezig geweest met het definiëren van wat kunst is en wat niet. Een kunstenaar die videokunst beoefent, zal daarom zeggen dat hij een schilder is. Zo ontstaat er een spanning tussen die drang om te reflecteren over wat hij precies doet, en het feit dat het in de kunsten steeds moeilijker wordt om die afbakening te maken."

Is die romantische herkomst dan een blok aan het been van de kunsten?

Kunst is voor mij een romantisch verschijnsel bij uitstek

"Het is complexer dan dat. Kunst is voor mij een romantisch verschijnsel bij uitstek. Vanuit een andere hoek bekeken, zijn de kunsten de grootste motor van het romantische. In de achttiende eeuw was er geen kunst, of toch niet als je er door een contemporaine bril naar kijkt. Zo zijn ook de schilderijen van de zeventiende eeuw pas in de negentiende eeuw tot de kunst gemaakt die wij nu kennen. Maar de romantische aura van de kunsten is aan het afbrokkelen, en de kunst heeft veel krediet verloren. Dat krediet is met de romantiek groot geworden, en tot ver in de twintigste eeuw groot gebleven. Pas in de jaren 1980, aan het einde van de avant-garde en met de opkomst van het postmodernisme, werd het aangetast. Nu ook het draagvlak kleiner is geworden, is de aantasting van veel verworvenheden in de kunsten eigenlijk een democratische ontwikkeling. In die zin is het niet alleen kortzichtig en dom, maar ook “rechtvaardig” dat de steun voor de kunsten wegvalt. Ikzelf betreur dat, en wijt het voor een groot deel aan het onderwijs."

51_Viaene_Doorman_c_Detroit_Institute_of_Arts
Jacob van Ruisdael, Het Joodse Kerkhof (1654/1655) (Foto: Detroit Institute of Arts)

Kan het onderwijs alsnog weerwerk bieden tegen die groeiende ‘kunsthaat’?

"Het onderwijs heeft het tijdens de laatste dertig jaar enorm laten afweten. Rousseau heeft daar ook een hand in gehad: het ideaal dat hij in zijn roman Emile verdedigt – dat kinderen vooral zichzelf moeten ontplooien – heeft nare consequenties gehad. Neem nu de literaire canon in Nederland. Daar blijft amper nog wat van over. De voorbije vijftien jaar is het aantal verplichte anderstalige boeken tot drie gereduceerd, waarvan er minstens een geen kinderboek mag zijn. Zo staat het in de richtlijnen van het ministerie. De belezenheid en de kennis zijn dan ook onwaarschijnlijk afgenomen. Studenten zijn niet dommer geworden. Zij zijn ook niet minder leergierig of geïnteresseerd. Maar er zijn onvoorstelbare gaten in het onderwijs gevallen, die nauwelijks nog te repareren zijn. Het belang van literatuur wordt door velen niet meer ingezien, precies omdat ze het nooit hebben leren kennen. Wij zijn het die kinderen een consumerende houding aanleren. Zij hebben dat echt niet van zichzelf. In Nederland leren kinderen zich bij literatuur maar één vraag te stellen: is het “leuk” of niet? Ik kan sommige studenten dat nauwelijks nog afleren, omdat ze het al die jaren nooit anders hebben geweten."

Nog zo’n evolutie is de reductie van ‘romantiek’ tot ‘sentimentaliteit’ in ons dagelijkse taalgebruik. Moeten we dat wijten aan de commercialisering van de romantiek?

"Ongetwijfeld, maar de trivialisering van de romantiek houdt ook verband met de historisch onjuiste associatie tussen romantiek en de herwaardering van het gevoel. Romantiek is de polaire tegenstelling tussen de rede en het gevoel, een dialectiek die in de loop van de negentiende eeuw belangrijk werd. De herwaardering van het gevoel is echter een typisch achttiende-eeuws verschijnsel, met name het sentimentalisme. Natuurlijk, de romantiek kan nog het best geformuleerd worden op basis van een klemtoon op individuele gevoeligheid, maar dat wil niet zeggen dat het om irrationele emoties zonder slagkracht gaat. Als je één begrip voorop kan stellen als het over romantiek gaat, dan is dat “verbeelding”, en dat is niet te herleiden tot commerciële, onmiddellijk vervulbare verlangens."

Daarom ijver je in De romantische orde voor het behoud en het samengaan van die en andere tegenstellingen. De romantische orde is ‘een mijnenveld van paradoxen’, schrijf je.

"Ik stel tot mijn eigen verbijstering vast dat ik daarin een beetje als een hegeliaan te werk ben gegaan. Het dialectische heeft mij gestuurd. Ik geloof namelijk dat dialectiek ín romantiek zit. De romantische omwenteling impliceert niet alleen dat verlichting en romantiek elkaars tegenpolen zijn, maar ook dat beide polen een synthese vormen in de romantiek zelf. Ik geloof dat je romantiek enkel vanuit de paradox kan begrijpen."

Het debat over de verlichting woedt nog steeds. Over de romantiek als wereldbeeld horen we zelden wat.

"Erger nog, in het debat over de herkomst en de basis van de democratie en het nationalisme wordt romantiek steevast vergéten. Als het gaat over de vrijheid van meningsuiting, alle onrust over migratie of de clash tussen diverse culturen en levensbeschouwingen, dan grijpt men altijd impliciet en expliciet terug naar de verlichting. Men heeft het dan over het tekort en de voordelen van de multiculturele samenleving, maar zelden over de romantische wortels van het denken over nationale identiteit en cultuur – toch het onvermijdelijke referentiekader voor het oplossen van de multiculturele problematiek. De kritiek op de waarden van de verlichting – zoals de neutraliteit van de staat en het sociale contract – verdonkeremaant de historische impact van romantische waarden als geworteldheid, gemeenschapszin en zelfontplooiing. Daardoor wordt vergeten dat het romantische denken over het ontstaan van een politieke gemeenschap, en de culturele en morele legitimatie ervan, de politieke realiteit mee heeft bepaald. De romantiek wordt verdrongen, alsof het een kwaad geweten is. Het is natuurlijk erg lastig om romantiek goed te beschrijven, en daarom is het ook weinig gebeurd. Dat is jammer, want dat zou het debat van de jongste tien jaar serieus hebben verrijkt. Verlichting staat nooit op zichzelf, maar is een traditie tegenover iets anders. Nu, ik ga daar ver in: ik vind verlichting zelf een product van de romantiek."

De romantiek wordt verdrongen, alsof het een kwaad geweten is

En de toekomst? Zie je oplossingen voor de paradox waarover je het eerder had? Als de echtheid altijd vals is, en de zoektocht naar het ware een illusie, zouden we die drang dan niet beter uit ons systeem werken?

"De vraag is wat we als bedrog moeten opvatten: die hang naar authenticiteit, of onze intentie om terug te keren naar een onbezoedelde natuur of een onbezoedeld verleden? Ik streef naar een oplossing die verder gaat dan de postmoderne deconstructie van het authenticiteitsideaal. Die obsessie met het feit dat alles tekst is en die gevoeligheid voor etymologie, daar krijg ik de kriebels van. We zouden enkele waardevolle elementen die aan dat ideaal van authenticiteit kleven, moeten herwaarderen. Zo beklemtoon ik een houding die ook al vervat zat in het denken van Rousseau: een zingevend perspectief dat verbondenheid impliceert met de ander, de natuur en de gemeenschap. We moeten een middenweg vinden tussen een consumentenbeleving van de authenticiteit en de reductie daarvan tot een herstel van traditie."

Je doceert ook kunstkritiek. Bestaat daar een middenweg?

"Hoe kunnen we streven naar vooruitgang zonder die al op voorhand lineair in te vullen? Dat houdt mij bezig. Mijn bescheiden notie van vooruitgang kan zeker toegepast worden op evoluties binnen de kunstkritiek. Ik erger me aan het relativisme, de gemakzucht en de ongeïnformeerdheid. De vraag die de kunstkritiek zich moet blijven stellen bij wat er nu aan kunst gemaakt wordt, is deze: voegt het iets toe aan wat we al kennen? Die vraag kan je volgens velen binnen en buiten de kritiek niet meer stellen. Maar je kan wél onderscheid maken in de veelheid. Je kan het niet maken te zeggen: “O, dat hebben we allemaal al eens gezien, het maakt weinig uit, maar het is best leuk.” Zulke misplaatste kritiek verliest de drang om het publieke debat aan te wakkeren, om het verschil te maken met argumenten."

Ondanks de Rousseau-erfzonde waarvan je ons bewust maakt, geloof je in een hoopvolle toekomst?

"Cultuurpessimisme is verleidelijk, maar levert weinig inzichten op. Ik wil geen boeken schrijven in de traditie van de Amerikaanse cultuurkritiek à la Christopher Lash, die ons opzadelt met het gevoel dat de literatuur vroeger beter was, dat wij ooit slimmer waren. Of neem de kritiek van de Frankfurter Schule. Die was ten tijde van Adorno zelf ook romantisch. Moeten we echt verontwaardigd zijn over het feit dat je geld kan verdienen aan de muziek van Mahler? Die visiedeel ik niet. Ik zie wel dat die commercialisering zich op grote schaal doorzet. En dat wat voor romantisch wordt versleten, van die feelgood-dingen zijn, clichés. Zoals liefdesliedjes: dat zijn romantische clichés die beter verkopen, zoals films waarin er gekust moet worden. Maar dat wil niet zeggen dat je dat meteen moet verwerpen. Als Oprah Winfrey in haar show Faulkner bespreekt, dan kan je dat meteen opzijzetten als een trivialisering van Faulkner. Toch stel je ook vast dat mensen zo Faulkner zullen lezen, en naast Oprahs misplaatste morele boodschap over de Amerikaanse identiteit, vooral ook de stilistische kwaliteiten ervan meekrijgen. Dus ik ga niet meteen roepen: 'Dat is niet de échte Faulkner!' Wanneer ik een boek schrijf, moet ik meer doen dan cultuurpessimist zijn. De diagnose kan cultuurpessimistisch zijn, maar als cultuurfilosoof probeer ik openingen voor alternatieven te maken. Dat klinkt wellicht ambitieus, maar dat is wat ik hoop te doen."

Maarten Doorman, Rousseau en ik. Over de erfzonde van de authenticiteit,Amsterdam: Uitgeverij Bert Bakker, 2011, 140 blz, ISBN 9789035137639

Dit artikel is het gevolg van een samenwerking tussen Apache en Recto verso.
LEES OOK