Wat eindtermen niet vertellen…

 Leestijd: 2 minuten2

Het eindtermendebat van de tweede en derde graad in het secundair onderwijs heeft een hoogtepunt bereikt en zal beslecht worden voor het Hof. Lieven Boeve van het katholiek onderwijs en Raymonda Verdyck van het gemeenschapsonderwijs nemen stellig hun positie in in de media, maar ze raken niet aan de kern van het probleem: we leven in een tijd waarin de positie van onderwijs erg onduidelijk geworden is. Dit is een poging deze positie te verhelderen.

De filosoof Hannah Arendt gaat in haar essay A Crisis in Education dieper in op verschillende onderwijsproblemen en de essentie van onderwijs. Die essentie vat ze in haar onderwijsparadox waarin ze stelt dat onderwijs een uitdaging is om kinderen noch aan hun lot over te laten door een gebrek aan vorming en/of traditie noch hen de kans te ontnemen iets nieuws te beginnen.

Arendt toont aan de hand van deze paradox dat onderwijs een fundamentele tegenstelling in zich draagt. Het eerste deel van de paradox geeft ons de verantwoordelijkheid om kinderen en jongeren onze wereld te leren kennen. Dit deel van de paradox vertegenwoordigt de vorming die we aan kinderen en jongeren bieden. Je kan het beschrijven als de wortels die we aan onze kinderen geven. De bepaling van een curriculum is dan ook belangrijk. En dat kan best democratisch gebeuren. Op dat punt geef ik Raymonda Van Dyck gelijk. Het is echter niet omdat de huidige eindtermen tot stand zijn gekomen door een democratisch proces, dat ze daarom recht doen aan de betekenis van onderwijs.

Het tweede deel van de paradox stelt dat we kinderen de mogelijkheid en de vrijheid moeten geven de wereld te vernieuwen. Je kan dit benoemen als de vleugels die we aan kinderen geven. We onderwijzen kinderen en jongeren in de wetenschap dat de wereld in de toekomst niet meer de onze zal zijn. De kennis die we hen aanleren, zullen ze een andere betekenis toekennen of aanwenden om de wereld te veranderen.

De balans tussen vorming en vrijheid is van cruciaal belang. Helt de balans te sterk over naar vorming, kan je spreken van indoctrinatie. Wanneer je te sterk streeft naar vrijheid, kan je spreken van anarchie op korte en/of lange termijn. We laten kinderen dan aan hun lot over. Deze paradox creëert een spanning in onderwijs. We doen kinderen en jongeren dus geen recht aan door ons te concentreren op enkel de wortels of enkel de vleugels.

Wat vertellen deze woorden van Arendt over de huidige situatie in het onderwijsveld? Eindtermen zijn ooit bewust geformuleerd als minimumdoelstellingen, wortels die kinderen sowieso moeten meekrijgen. Dit zorgt voor de mogelijkheid om verder te kijken dan de leerstof, om leerstof te onderzoeken, ter discussie te stellen. Het zorgt voor vrijheid waarin de school zich kan aanpassen aan de context.

Het risico van eindtermen als maximumdoelstellingen te omschrijven is daarom tweeledig. Ten eerste bedreigt ze de vrijheid binnen het onderwijs doordat scholen minder plaats krijgen voor eigenheid omdat zeer sterk gedefinieerd wat ze moeten onderwijzen. Ten tweede zorgt dergelijk traject voor minder vleugels, minder vrijheid voor de kinderen. Door het formuleren van maximumdoelstellingen wordt het ‘ideale’ traject van elke leerling vooraf uitgestippeld. Dit doet geen recht aan een divers leerlingenpubliek. Wij gaan zelfs bepalen welke competenties ze als burger nodig hebben. Jongeren zijn in staat daar zelf over na te denken. Burgerschap is soms bij uitstek niet-conformistisch. Lieven Boeve heeft dus een punt wanneer hij zegt dat de nieuwe eindtermen de vrijheid van onderwijs bedreigen. Die vrijheid behelst veel meer dan een onderwijsstijl of een eigen manier van een school om het curriculum uit te rollen of te vertalen in een eigen leerplan. Scholen hebben een bepaalde vrijplaats nodig, een ruimte waar ze materie in handen van de toekomstige generaties kunnen leggen. Tijd en ruimte waar leerkrachten en leerlingen zelf een oordeel leren vormen over de materie zonder dat dit oordeel gesuggereerd wordt vanuit de eindtermen of het leerplan. Momenteel staat kritisch denken bijvoorbeeld in het curriculum ten dienste van burgerschap. Kritisch denken ten dienste van iets, is echter geen kritisch denken. Het is een denken dat geknecht is. Hebben we de moed om scholen de vrijheid te geven die ze voor hun kerntaak nodig hebben?

Spreken was voor Arendt een belangrijke menselijke handeling. Ze sprak over taaldaden. Misschien is het tijd om samen rond de tafel te gaan zitten en niet over het curriculum of de eindtermen te discussiëren, maar over de betekenis van onderwijs, zonder te verzanden in nut, pragmatiek of techniciteit. Ik ben alvast bereid.


Uitgelichte afbeelding: Pixabay

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst. Zelf een bijdrage insturen, doe je hier.

Auteur: Niels Van Hoof

Niels Van Hoof geeft dertien jaar les in basisschool De Horizon te Borgerhout. In 2021 studeert hijaf als filosoof aan de UAntwerpen. Tijdens de opleiding thematiseerde hij het verband tussen onderwijs en filosofie. Als filosoof en als leerkracht zal hij deze connectie blijven uitdiepen.