Risico op foltering is voldoende, bewijs niet noodzakelijk

 Leestijd: 4 minuten13

Terzake vroeg de staatssecretaris of repatriëringen nog mogelijk zouden zijn mocht blijken dat Soedanese vluchtelingen in eigen land inderdaad gevaar lopen. ‘Als er effectief hard bewijs is, kan dat natuurlijk niet. Dat zou een schending van de mensenrechten zijn,’ was Francken stellig.

Hij voegde eraan toe dat ook veel andere Europese landen Soedanezen uitwijzen en naar hun thuisland sturen. ‘Dat is dan meteen een Europees probleem. (knack.be, 6 januari 2018)

Walter De Smedt

De kamer van inbeschuldigingstelling besliste om de Soedanees vrij te laten omdat er onvoldoende werd nagegaan of de vluchteling een reëel risico loopt om in zijn land het slachtoffer te worden van folteringen of onmenselijke behandeling.

“Wat belangrijk is aan deze beslissing, is dat de rechters wijzen op een gebrek aan voorzichtigheid bij de Dienst Vreemdelingenzaken en staatssecretaris voor Asiel en Migratie Theo Francken bij het regelen van de Soedanese dossiers” lichtte meester Guillaume Lys aan Belga toe.

Tussen beide opvattingen is een groot verschil. Voor de staatssecretaris moet er een bewijs van foltering worden geleverd, volgens het Hof van Beroep is het aantonen van een reëel risico van foltering of onmenselijke behandeling voldoende.

Gebrek aan voorzichtigheid

Zelfs als alles er op wijst dat het de gewoonte is in een bepaald land om te folteren, dan nog is dat geen bewijs dat het in een bepaald individueel geval ook zal gebeuren

De stelling van de staatssecretaris stuit op de onmogelijkheid om zowel vooraf als na de uitwijzing het bewijs van foltering te leveren. Zelfs als alles er op wijst dat het de gewoonte is in een bepaald land om te folteren, dan nog is dat geen bewijs dat het in een bepaald individueel geval ook zal gebeuren: het bewijs van toekomstige onzekere gebeurtenissen is op zich niet mogelijk. Wellicht is het bewijs ook nadien erg problematisch: dictatoriale regimes staan niet te springen om een onderzoek naar foltering te laten gebeuren.

Daarom wordt van een bestuur vereist dat het met de nodige voorzorg zou handelen. Zijn er ernstige aanwijzingen dat er een reëel risico bestaat op foltering? Uit de uitspraak van het Hof van Beroep moet dus worden besloten dat zowel de stelling van de staatssecretaris dat een bewijs noodzakelijk is onjuist is en dat hij niet met de noodzakelijke voorzorg heeft gehandeld.

Medeplichtigheid

Heeft de staatssecretaris door de identificatie van de vluchtelingen door vertegenwoordigers van het Soedanese regime niet meegewerkt aan een eventuele foltering? Heeft hij deze daardoor niet mogelijk gemaakt?

De staatssecretaris deed echter meer dan het verkeerd inschatten van de beletsels tot uitwijzing. Hij vroeg en verkreeg de bijstand van Soedanese ambtenaren die de in ons land opgepakte Soedanese vluchtelingen kwamen “screenen”. Daardoor stelt zich ook een andere vraag: heeft hij door de identificatie van de vluchtelingen door vertegenwoordigers van het Soedanese regime niet meegewerkt aan een eventuele foltering? Heeft hij deze daardoor niet mogelijk gemaakt?

foltering

De Soedanese president Omar Bashir wordt gezocht voor oorlogsmisdaden door het Internationaal Strafhof in Den Haag (Foto: US Navy)

Het is ook niet de eerste maal dat schending van de mensenrechten stellingnames in het federaal beleid veroorzaakt. In de nasleep van de Rwandese genocide zorgde de toenmalige Buitenlandminister Louis Michel in 1993 voor een Universele Genocidewet die iedereen toeliet om oorlogsmisdaden voor een Belgische rechtbank te brengen, ongeacht waar het misdrijf had plaatsgevonden, en werd de mogelijkheid gecreëerd dictators en andere schenders van Mensenrechten in de wereld aan te klagen en te veroordelen.

Onder internationale druk werd de wet gewijzigd en ingeperkt: een band met België werd noodzakelijk. Onder druk van Amerika werd de genocidewet opgeheven, maar de strafbepalingen verhuisden naar het Strafwetboek: het hoofdstuk “ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht”.

Humanitair recht

Het humanitair recht is nu een rechtstak op zich geworden. Je hebt er enerzijds de internationale bepalingen in zoals het principe, opgenomen in artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, dat de schending van die rechten verbiedt.

Dat daarom een vluchteling niet mag teruggestuurd worden naar een land waar gefolterd wordt, is dan ook een evidentie die niemand kan ontkennen. En anderzijds heb je ook onze nationale bepalingen zoals die na de afschaffing van de genocidewet in het strafwetboek werden overgenomen.

Daardoor zijn misdaden tegen de mensheid en oorlogsmisdaden nog steeds strafbaar met zware straffen. Dat is onder meer het geval met ‘gevangenneming of elke andere vorm van ernstige beroving van de lichamelijke vrijheid met schending van de fundamentele bepalingen van het internationaal recht; martelen; en andere onmenselijke handelingen van vergelijkbare aard waardoor opzettelijk ernstig lijden of ernstig lichamelijk letsel of schade aan de geestelijke of lichamelijke gezondheid wordt veroorzaakt.’

Het is dus de vraag of de staatssecretaris, door beroep te doen op vertegenwoordigers van een regime dat gekend is voor schending van de mensenrechten, doordat hij deze naar ons land liet komen om de vluchtelingen te identificeren, en de geïdentificeerde vluchtelingen vervolgens naar Soedan uit te wijzen, waar zij door de voorafgaande identificatie reeds gekend waren, niet medeplichtig is indien mocht blijken dat de vluchtelingen ook daadwerkelijk ernstig lichamelijk letsel of schade aan de geestelijke of lichamelijke gezondheid worden aangedaan.

Historisch

Aan deze problematiek zit voor Vlaanderen ook een erg gevoelig historisch gegeven: het kwam duidelijk aan bod in de reeks over de ‘Kinderen van de Collaboratie‘. Daaruit bleek dat vele kinderen van collaborateurs tot inkeer zijn gekomen en meerderen onder hen zich zelfs hebben afgezet tegen de foutieve handelingen van hun ouders.

Deze inkeer strookt ook met de intussen zowel door premier Verhofstadt als Bart De Wever aangeboden verontschuldigingen voor wat het meest delicate punt in de problematiek uitmaakt: de “identificatie” en vervolgens de “uitwijzing” van mensen in samenwerking met een regime van folteraars. Daaruit bleek ook dat er nog steeds zijn die het bestaan van een “hard bewijs” voor deze feiten betwisten.

Dat in augustus ‘42 het Antwerpse stadsbestuur en de politie tot driemaal toe haar medewerking verleende aan Jodenrazzia’s, mensen werden afgevoerd om, minstens, te worden gefolterd, leek voor iedereen aanvaard als totaal fout.

Dat in augustus ‘42 het Antwerpse stadsbestuur en de politie tot driemaal toe haar medewerking verleenden aan Jodenrazzia’s, mensen werden afgevoerd om, minstens, te worden gefolterd, leek voor iedereen aanvaard als totaal fout. Maar de werkelijkheid verplicht ons er opnieuw over na te denken. Nu kan je niet voorhouden dat je weinig keuze hebt, door de bezetter wordt verplicht om er aan mee te werken.

De beslissing om vertegenwoordigers van een dictatoriaal regime naar hier te halen om de vluchtelingen te “screenen” was een volkomen vrije beslissing. Ook het doel van deze actie was gekend: om identificatie bij terugzending mogelijk te maken.

Als je dan de door dat regime geïdentificeerde vluchtelingen ook werkelijk terugstuurt, kan je niet ontkennen het niet “geweten” te hebben. En als dan ook blijkt dat er effectief werd gefolterd moet de vraag naar de strafbaarheid worden gesteld.

Folteren

Het is aan Bart De Wever om, als kind van de collaboratie, uit te maken of hij past bij zij die tot inkeer zijn gekomen en zich verzetten tegen de terugkeer van dergelijke toestanden of bij zij die er geen afstand hebben van genomen

De vraag die nu aan bod komt,  gaat niet over het voortbestaan van een regering. De vraag waar het nu om gaat, vertoont de hiervoor aangegeven humanitaire en historische maar ook strafrechtelijke elementen.

Het zijn deze vragen die nu een duidelijk antwoord moeten krijgen en dat moet komen van diegene die er de grootste zeggingschap over heeft. Het is aan Bart De Wever om, als kind van de collaboratie, uit te maken in welke categorie hij past: bij zij die tot inkeer zijn gekomen en zich verzetten tegen de terugkeer van dergelijke toestanden of bij zij die er geen afstand hebben van genomen, er niet van kunnen los komen en twijfelen aan het bestaan van “een hard bewijs”.

Als hij dat niet doet, mag voor mij zijn bedreiging worden uitgevoerd en deze regering vallen. In het beleid van dit land is er immers geen plaats voor wie de mensenrechten schendt of er aan meewerkt. Daar zullen zowel vader als zoon Michel het met mij eens over zijn.

 

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Auteur: Walter De Smedt

Is gewezen raadslid van Comité I en Comité P