Van woonzorgcampus naar woonzorgwijk

 Leestijd: 7 minuten2

De coronacrisis houdt ons een spiegel voor en toont hoe fout we bezig zijn met de opvang van onze meest kwetsbare ouderen. We vangen kwetsbare mensen – samen met vele anderen – op in een grootschalige residentiële voorziening waar ook nog eens veel volk uit verschillende contactbubbels in en uit loopt. De gedroomde omgeving voor het verspreiden van virussen.

Dat dit zo niet verder kan, is voor iedereen duidelijk.

Het moet anders, maar hoe anders?

Daar willen de grote spelers op de markt van de zorgbedrijven liefst zelf over beslissen.

Apache berichtte onlangs over Villa De Proost, een samenwoonproject van zeven ouderen in Aarschot. De zorginspectie verzocht de burgemeester om de zegels te leggen en de bewoners uit het huis te zetten. Het project (dat geen subsidies krijgt), zou een illegaal woonzorgcentrum zijn.

Merkwaardig toch dat CD&V-ministers er geen probleem mee hebben om ‘de markt van de ouderenzorg’ te delen met beursgenoteerde commerciële zorgbedrijven, maar tegelijk wel de zorginspectie aanvuren om elk vernieuwend initiatief dat van onderuit groeit te blokkeren.

Ook morgen kunnen de huidige spelers op minister Beke blijven rekenen. In zijn reactie op Villa De Proost zegt de minister samen met de sector (Zorgnet-Icuro, MV) te bekijken hoe alternatieve woonzorgvormen eruit kunnen zien. “Wij geloven in gezellige, kleinschalige woonleefgemeenschappen binnen een grootschalig professioneel netwerk.”

Het woonzorgcentrum van morgen wordt ondertussen uitgetekend door onderzoekers Lander van Meerbergen (KUL) en Geert Van Hooteghem (HIVA) met als concept innovatieve arbeidsorganisatie (IAO) of het opdelen van grote woonzorgcentra in kleinere eenheden.

Maar een kostschool opgedeeld in kleine groepen blijft een kostschool.

Volgens de onderzoekers moet er snel een taskforce komen die woonzorgcentra begeleidt in de versnelde overgang naar innovatief werken. Die taskforce zou bestaan uit beleidsmakers, academici, woonzorgdirecteurs en senior consultants.

Bewoners of personeel zijn blijkbaar niet belangrijk bij de uittekening van de ouderenzorg van morgen.

De babyboomers van vandaag zijn de 80-plussers van morgen. Net als de bewoners van Villa De Proost geven ze in alle toonaarden aan dat ze hun laatste levensfase niet in een woonzorgcentrum willen doorbrengen.

Kleinere wooneenheden binnen een grootschalige instelling kunnen helpen om virussen buiten te houden, maar aan de fundamenten van de opvang wijzigt het niets.

Laat oudere mensen in hun waardigheid

Onze ouderenzorg laat mensen niet in hun waardigheid. De zorg voor ouderen vertrekt van wat iemand niet meer kan. Hoe meer je scoort op de ‘zorgschaal’, hoe meer recht je hebt op zorg. Via de goed klinkende ‘vermaatschappelijking van de zorg’ bespaart de regering ondertussen op ouderenzorg.

Het leven in woonzorgcentra wordt gereduceerd tot wachten. Wachten op zorg, wachten op het eten, wachten op bezoek dat (misschien) komt, wachten op het einde

Zo lang mogelijk thuis blijven wonen is de boodschap. Voor de ondersteuning van zorgbehoevende ouderen rekent het beleid steeds meer op het eigen netwerk van de zorgvrager, eventueel ondersteund door enkele uren professionele thuiszorg. Pas als je zeer zwaar zorgbehoevend bent heb je ‘recht’ op een bed in een woonzorgcentrum. Ouderen verblijven vandaag gemiddeld 1,5 jaar in een woonzorgcentrum. Een bed op twee verandert jaarlijks van bewoner. WZC worden steeds meer sterfhuizen.

De breuk tussen thuis en woonzorgcentrum is bijzonder bruusk.

In de thuissituatie wordt de oudere uitgedaagd om met hulp van de mantelzorger, professionele thuiszorg, zo lang en zo veel mogelijk zelf te doen. Als de oudere moet verhuizen naar een woonzorgcentrum valt elke uitdaging weg, zelf eten maken of stof afnemen, het kan niet meer. Het huisdier verzorgen hoeft niet meer, want het huisdier mag niet meeverhuizen … Het leven wordt gereduceerd tot wachten. Wachten op zorg, wachten op het eten, wachten op bezoek dat (misschien) komt, wachten op het einde.

De mantelzorger wordt op het moment van de verhuis ‘ontlast’ van alle zorg. Enkel bezoek op maat van het WZC kan nog. Ook al weet de familie na al die jaren mantelzorg wat het beste is voor vader of moeder, het is de voorziening die voortaan beslist. Bewoners en familie worden steeds weer geconfronteerd met het argument dat het onmogelijk is om van het overwerkte personeel te eisen dat ook nog eens rekening wordt gehouden met alle individuele noden. Ook de veiligheid van het personeel wordt vaak als argument gebruikt om niet in te gaan op vragen van de bewoner of de familie.

Dit doet geen afbreuk aan de inzet van directies en personeelsleden. Ze geven vandaag het beste van zichzelf binnen de grenzen van dit foute systeem. Hun harde werk zou veel meer voldoening geven binnen een buurtgerichte zorg.

Onze zorg voor ouderen moet fundamenteel anders!

We moeten liever vandaag dan morgen ophouden met investeren in grootschalige wooncampussen. Vang kwetsbare ouderen op in kleinschalige zorgwoningen in eigen buurt. Zo wordt maatwerk mogelijk. Zo voorkom je de radicale breuk tussen thuis en de voorziening en verzeker je de geleidelijke overgang van thuiszorg naar dag- en nachtopvang in het zorghuis in de eigen buurt.

Naar een lokale dienstverlening

In het essay Van woonzorgcampus naar woonzorgbuurt ontwikkelen we de bouwstenen voor de omslag naar een buurtgerichte zorg.

We bouwen verder op het model van de lokale dienstencentra waar wijkbewoners terecht kunnen voor informatie, ontmoeting, ontspanningsactiviteiten … maar ook voor de eerste steun bij de activiteiten van het dagelijkse leven (ADL): een warme maaltijd, pedicure, onder begeleiding een bad nemen. Aan dit lokaal dienstencentrum verbinden we ook een ADL-assistentiepost waar wijkbewoners met een (tijdelijke) zorgbehoefte 24 uur op 24 terecht kunnen. Een ADL-assistent helpt mensen bij de activiteiten van het dagelijkse leven zoals uit bed komen, naar het toilet gaan…

De vergrijzing binnen de vergrijzing zorgt ervoor dat steeds meer ouderen alleenstaand zijn

De overheid rekent voor zorg en opvang op het directe netwerk van de zorgvrager. Tot voor kort bleek dat in 50% van de gevallen een zorgbehoevende wordt bijgestaan door een mantelzorger die inwoont, de partner, de ouder… De vergrijzing binnen de vergrijzing zorgt er echter voor dat steeds meer ouderen alleenstaand zijn. Ze waren ooit de mantelzorger van hun partner, maar zijn intussen weduwe of weduwnaar. Kinderen zwermen verder uit. Ze wonen steeds minder vaak in de buurt van hun ouders. Werken tot 65 jaar betekent bovendien dat de leeftijdsgroep die vandaag het meeste zorg opneemt, minder tijd en ruimte heeft om zorg te verlenen aan hoogbejaarde ouders.

Het lokale dienstencentrum kan dit gebrek aan hulp en ondersteuning van de buurtbewoners gedeeltelijk overnemen en de draaischijf worden voor de organisatie van de vrijwillige zorg en hulpverlening in de buurt. Een alleenstaande is ziek, een oudere kan niet naar buiten wegens te barre weersomstandigheden, een alleenstaande moeder heeft een ziek kind en zoekt iemand om haar andere kind naar school te brengen … Als er geen ‘natuurlijke mantelzorger’ of vrijwilliger aanwezig is, kan het lokale dienstencentrum hiervoor iemand inschakelen die zich opgaf als buurtvrijwilliger.

Als een bewoner niet langer alleen thuis kan wonen en 24 uur op 24 zorg nodig heeft, dan kan hij terecht in een van de zorghuizen uit de buurt. Hier wonen maximaal vijftien mensen samen. Bij deze opvang vertrekt men van wat mensen nog wél kunnen.

Zorghuis Perrekes in Geel bewijst al meer dan 30 jaar dat het ook op die manier kan. Dementerende mensen helpen in de keuken, in de moestuin, kunnen hun huisdieren verder verzorgen, zingen samen in een koor. Buurtbewoners zijn betrokken, het plaatselijk koor oefent samen met de bewoners in de polyvalente zaal, kinderen uit de buurtschool gebruiken mee het crealokaal …

Alleen een buurtgebonden aanpak kan zorg op maat garanderen. Elke buurt in Vlaanderen is anders – stedelijk of landelijk, rijk of arm, veel of weinig voorzieningen, enzovoort. Buurtgerichte zorg ent zich op die lokale context. Initiatieven als Villa De Proost passen perfect binnen deze aanpak.

Groeiend draagvlak

Tijdens de coronacrisis werd het belang van buurtgebonden aanpak meer dan eens duidelijk.

In deze coronaperiode valt heel wat personeel uit, wordt thuiszorg afgebouwd, komt de verpleegkundige minder vaak, haken mantelzorgers omwille van de coronamaatregelen af … maar niemand coördineert, niemand weet wat de toestand van de zorgbehoevende is die alleen thuis woont. In het model van buurtgerichte zorg gebeurt deze coördinatie vanuit het lokale dienstencentrum waar ook steeds iemand bereikbaar is als het voor de alleenstaande niet meer lukt.

Professor emeritus huisartsengeneeskunde Jan De Maeseneer toonde overtuigend dat je mensen in deze coronatijden beter bereikt via de wijkgezondheidscentra dan via de track and tracing door anonieme bellers vanuit een callcenter. Ook de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG) herhaalde dat de gemeentes/OCMW’s hun verantwoordelijkheid willen opnemen voor de uitbouw van buurtgebonden zorg.

In de Vlaamse beleidsnota’s Welzijn en Gezondheid wordt bovendien steeds weer gewezen op het belang van nabijheid en kleinschaligheid. Eens per legislatuur wordt een eerstelijnsconferentie georganiseerd die steevast concludeert dat een wijkgebonden aanpak de beste manier is om de ongelijkheid in de zorg weg te werken.

Nu en dan wordt zelfs een project gelanceerd dat moet bewijzen dat het de minister menens is om het anders te doen, maar ondertussen worden creatieve initiatieven zoals Villa De Proost steeds weer gedwarsboomd uit angst dat middelen die nu naar de klassieke ouderenzorg gaan, zouden geheroriënteerd worden naar nieuwe initiatieven. (Dat geld is van ons.)

Nog even terug naar de reactie van minister Beke op Villa De Proost:

“Samen met de sector bekijken we hoe alternatieve woonzorgvormen eruit kunnen zien. Belangrijk is dat deze woonzorgvormen aan kwaliteitsstandaarden voldoen en dat ze betaalbaar zijn voor kwetsbare ouderen met vaak complexe zorgnoden.”

Het verblijf in een woonzorgcentrum kost ongeveer 2000 euro per maand, het gemiddelde pensioen bedraagt in ons land 1200 euro. Begoede ouderen betalen zich blauw voor minimale zorg in zorgbedrijven. Minder begoede ouderen vallen steeds meer uit de boot en vereenzamen in onaangepaste woningen zonder de nodige zorg en ondersteuning.

Haalbaar en betaalbaar

Het is in deze tijden bon ton bij elk alternatief voorstel dezelfde twee vragen te stellen; is dit haalbaar en betaalbaar?

De ombouw van de ouderenzorg van gisteren naar de ouderenzorg van morgen is in de eerste plaats de keuze voor een maatschappijmodel met warme ondersteuning van mensen met een zorgnood. Politici hebben na de Wereldoorlog resoluut gekozen voor duurzame solidariteit via een systeem van sociale zekerheid. Moesten ze vertrokken zijn van de vraag of het betaalbaar was, zou er nooit een sociale zekerheid gerealiseerd zijn.

Door efficiëntiewinsten en afbouw van het huidige systeem kunnen we trouwens met dezelfde middelen meer zorg en meer kwaliteit realiseren.

Een voorbeeld. We starten met de uitbouw van een lokaal dienstencentrum in elke wijk door onder meer personeel en infrastructuur van de bestaande mutualiteitskantoren te herbestemmen.

Het heeft geen enkele maatschappelijke meerwaarde om nog zes ziekenfondskantoren open te houden in eenzelfde buurt. Onze samenleving is niet meer verzuild en is ondertussen superdivers

In mijn woonwijk in Deurne (Antwerpen), vind ik binnen een straal van 10 minuten wandelen zes verschillende mutualiteitskantoren. In die kantoren vind je op sommige dagen een bediende achter een loket wiens hoofdbezigheid erin bestaat om administratie te regelen.Voor een concrete vraag naar zorg of ondersteuning, vraagt hij zijn klant om terug te komen op het moment dat de maatschappelijk werker aanwezig is.

De coronacrisis heeft aangetoond dat ook in de medische wereld alles meer digitaal kan. Voorschriften worden verzonden naar de patiënt via een e-health-platform, de derdebetalerregel is fors uitgebreid en er kunnen plots ook online consultaties.

Het heeft geen enkele maatschappelijke meerwaarde om nog zes ziekenfondskantoren open te houden in eenzelfde buurt. Onze samenleving is niet meer verzuild en is ondertussen superdivers. Hoe is de investering in zes aparte gebouwen die alle zes maar tijdelijk open zijn, maar wel moeten verwarmd en onderhouden worden, te verantwoorden?

De infrastructuur en het personeel voor het openhouden van al deze kantoren worden betaald door de ziekteverzekering en door het Vlaamse welzijnsdepartement, dus door onze belastingmiddelen.

We heroriënteren deze infrastructuur en het bijhorende personeel beter naar lokale dienstencentra, zodat het mogelijk wordt om in elke buurt een dienstencentrum te openen.

In het essay vind je meer voorbeelden van mogelijke efficiëntiewinsten.

Never waste a good crisis.” Winston Churchill wees er op dat de Verenigde Naties niet zouden bestaan zonder de Tweede Wereldoorlog.

Laten we van deze coronacrisis de ‘goede crisis’ maken die het startschot betekent voor de ombouw naar de ouderenzorg voor morgen, de ombouw van woonzorgcentra naar woonzorgwijken. Alle bouwstenen liggen klaar, het draagvlak groeit. Hopelijk werken alle huidige actoren mee aan dit hoopvolle perspectief.

De zorg voor de meest kwetsbaren hoort niet aan de rand van de samenleving in anonieme grootschalige zorgcampussen, ze maakt er integraal deel van uit dankzij de wijkgebonden zorg.


Uitgelichte afbeelding: Matthias Zomer (Pexels)

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst. Zelf een bijdrage insturen, doe je hier.

Auteur: Mieke Vogels

Mieke Vogels is gewezen Vlaams minister van Welzijn en Gezondheid en voorzitter van GroenPlus.