Het scheefgetrokken beeld van de samenleving

 Leestijd: 14 minuten3

De ervaring van isolement wordt in de media afgezet tegenover de beelden van ‘normale’ en ‘marginale’ bubbels. Zoals in een laboratorium hebben we kunnen zien hoe de samenleving wordt ‘gemaakt’, hoe beleid en media uitgaan van een dominante beeldvorming, hoe de eigenheid en de uitsluiting werken en hoe bestuurders en verslaggevers vooral hun eigen levenservaring als leidraad nemen.

De huidige pandemie heeft een zware ontwrichting van het samenleven verwekt. Om het virus te bestrijden werd de maatschappij geatomiseerd en uit elkaar gerukt. Fysiek contact moest zoveel mogelijk worden doorbroken. ‘Blijf in uw kot’. Beperk je tot je eigen stukje grond! Instellingen en geregelde sociale praktijken – samen werken, winkelen, leren of ontspannen – werden stopgezet.

In de eerste verslaggeving over de crisis werd daarbij een nogal eng beeld vertoond. De reportages verliepen in voorstedelijke tuinen met trampolines. De drones vlogen over de residentiële lintbebouwing met aparte eengezinswoningen. Het afstandsleren toonde drie brave kinderen met elk een computer en internet.

We zagen joggers en fietsers met hun duur materiaal. Intussen zorgden noodprogramma’s en vele vrijwilligers voor het dichten van de gaten: voedselpaketten bezorgen, opgelapte computers uitdelen of zelf mondmaskers maken.

Een sociaal middenveld staat in de schaduw, terwijl de bestaande sociale zekerheid die de technische werkloosheid omvat, werd voorgesteld als een welgekomen overheidsmaatregel en niet als het resultaat van uitgesteld loon, solidariteit en een herverdeling binnen de werkende bevolking.

Een bepaalde levensstijl als norm

De epidemie liet ook zien hoe onze sociale voorzieningen echt werken, namelijk volgens de logica van de instellingen. De volksgezondheid wordt afgemeten aan de draagkracht van de ziekenhuizen en vooral van de intensieve zorgen. De brede preventie, de eerstelijn, de beschikbaarheid van maskers en de bescherming van personeel kwamen pas (veel) later.

Het onderwijs werd snel omgeschakeld naar afstandsleren, maar dan wel op maat van een (klassiek) gezin met voldoende computers en voldoende culturele achtergrond om de kinderen bij de les te houden. Homes en instellingen werden afgesloten, zonder al te veel inzicht in de psychologische gevolgen.

Bewegen en buitenlucht werden aangemoedigd, vooral voor hen die een eigen tuin hadden en in een groene buurt woonden. Een te klein kot en geen openbaar groen werden vooral getoond als het ging om jongeren die de regels niet volgden in de ‘buurten’. Al in die eerste fase bleek hoe sterk beleid en samenleving uitgaan van een zeer beperkte focus op een zeer bepaalde manier van leven. Die ‘normaliteit’ had daarenboven zeer weinig aandacht voor de uitsluiting die daaruit voortkwam.

Er is geen voorrang voor de meest getroffen bevolkingsgroepen in de arme buurten, wel het opgeblazen probleem van de tweedeverblijvers

Het exit-denken is in hetzelfde bedje ziek. De economische activiteit hernemen betekent zonder meer de bestaande bedrijven heropstarten. Er is voorrang voor de grote ketens op de kleine winkels en voor de behoeften van de middenklasse: tuincentra of de Brico. Nauwelijks zijn er plannen om over een meer geïntegreerde, lokale, circulaire of essentiële economie te denken.

Er is geen voorrang voor de meest getroffen bevolkingsgroepen in de arme buurten, zonder de nodige publieke ruimte of voorzieningen, wel het opgeblazen probleem van de tweedeverblijvers. De kustburgemeesters geven de voorkeur aan een privatisering van het strand voor bewoners en eigenaars.

Men maakt zich druk om de overleving van een Peruviaans straatkatje. Er is opluchting omdat eindelijk ook weer kappers, manicure en pedicure beschikbaar zijn. De crisis van Brussels Airlines is topprioriteit, terwijl de heropstart van De Lijn of NMBS buiten beeld blijft.

Scholen en hoger onderwijs die zeer behoedzaam heropenen en alvorens de leerschade is opgemeten alvast discussiëren over de eindtermen en de lat. Behoedzame plannen voor cultuur, sociale centra of buurthuizen. Vooralsnog geen beleid voor sociale vakantievoorzieningen, speelpleinen of jongerenkampen. Intussen boomt de economie van de privézwembaden zonder enige discussie over de nefaste gevolgen voor het milieu en de droogte.

De uitsluiting als spiegel

De coronacrisis treft iedereen. Maar de verslaggeving over de impact in ons dagelijks leven was eerst erg eenzijdig. Tot VRT-ombudsman Tim Pauwels die bias terecht aan de kaak stelde in De Zevende Dag en op VRT NWS. “Er moet meer aandacht naar de vaak verborgen maar zeer ernstige sociale en mentale gevolgen van het coronabeleid. Zitten die voldoende in de modellen van al die task forces?”, vroeg Carl Devos zich af.

Pas na twee maanden drong die vraag door. Stefaan Meerbergen liet in Terzake zien hoe anders de lockdown was voor arme stedelingen met kinderen in krappe behuizing.

Begrijpelijkerwijze steunde het beleid eerst op de expertise uit de medische en biologische kennis. Het ging er vooral om de ziekte te bestrijden. Nu het gaat om de exitstrategie, ziet men opnieuw die zeer eenzijdige en enge visie op het samenleven. De geraadpleegde experten komen uit de financiële wereld, uit VBO en VOKA, uit de dominante lobby’s. Economie blijft gescheiden van maatschappelijke expertise. Bij ideologisch bevriende experten wordt die dan apart gehaald.

De coronacrisis treft iedereen. Maar de verslaggeving over de impact in ons dagelijks leven was eerst erg eenzijdig

De miskende onderdelen van de samenleving kunnen het alleen in manifesten en opiniestukken kwijt: ecosysteem en transitiedenkers, vakbonden, sociale werkers, mensenrechtenorganisaties, armengroepen, mensen zonder papieren, cultuurwerkers en artiesten, ruimtelijke planners, de geestelijke gezondheidszorg en ga zo maar door.

Een spreekbuis uit de samenlevingsopbouw en het jeugdwelzijnswerk zoals Pascal Debruyne roept al van bij het begin van de crisis om ook expertise uit het veld te betrekken, uit de ervaringsdeskundigheid. Die stemmen uit het middenveld evenals de paar internationale en Belgische wetenschappelijke adviezen komen her en der wel aan bod, maar wegen zeer licht door aan de top.

Een beeld van het samenleven

Samenleven is een ‘imagined community’ zei Benedict Anderson. Een verbeelde gemeenschap, dat we dus met z’n allen herkennen en erkennen. Dat beeld is het product van een subtiel samenspel tussen de ervaring in het dagelijks leven van velen, het verslag dat daarvan wordt gemaakt en de beeldvorming die daaruit voortkomt. Het is een wisselwerking tussen een deel van de sociale werkelijkheid en een deel van de verslaggeving en uitbeelding daarvan. Zo wordt er een heersende levensstijl, een waardenpatroon, naar voren geschoven. Dat is waar beleidsmensen en media vooral mee omgaan.

Een verbeelde gemeenschap is een wisselwerking tussen een deel van de sociale werkelijkheid en een deel van de verslaggeving en uitbeelding daarvan

Het begin van corona heeft getoond dat ons maatschappelijk model steunt op de belangen en de leefwereld van een beperkt deel van de bevolking. Die belangen worden behartigd door bepaalde politieke stromingen en instellingen. Die leefwereld wordt getoond en gedocumenteerd in de mainstreammedia en uitvergroot in de ‘boekskes’.

Wat niet in die beeldvorming past, wordt als anders, vreemd, marginaal of abnormaal gepresenteerd – men (re)produceert die uitsluiting ook zelf telkens weer. Tja, samenleven blijft nog altijd erg volgens het opgelegde model van de dominante groepen. Eng en soms ook enggeestig.

Men kan terecht kritiek leveren op journalisten en experten die te veel van dat middenklasseleven zijn uitgegaan. “Het is normaal dat je vertrekt van je eigen ervaringen“, zei voorzitster van de exit-groep Erika Vlieghe. Het is begrijpelijk voor een experte in infectieziekten, maar het is ook wel de prijs die je betaalt om een sanitair beleid uit te zetten zonder sociale wetenschappers. Hoewel de media vandaag blijkbaar inzien hoe eenzijdig de beeldvorming wel was, zijn ze ook zeer laat bijgedraaid.

Een diep verdeelde maatschappij

De eenzijdigheid gaat echter om meer dan louter een redactionele slordigheid of casting van adviescomités. Het is de uitdrukking van een diepere maatschappelijke structuur. Om dat te kunnen aantonen, moeten we wat terug in de geschiedenis.

De uitbouw van de naoorlogse welvaartsstaat steunde op een specifieke economische onderbouw. Er was algemene tewerkstelling, de sociale zekerheid diende een klein aantal uitvallers, de koopkracht steeg met 5% per jaar, de nieuwe industrie zorgde voor massale productie en de invoering van de consumptiesamenleving gebeurde via golven van gelijke nieuwe producten.

Kortom de economie zelf was zeer inclusief omdat ze draaide op de gehele bevolking. Het beleid zorgde met anticyclische maatregelen voor een afvlakking van de recessies en de sociale zekerheid hield de koopkracht op peil voor de schaarse uitvallers.

Het naoorlogse beleid zorgde met anticyclische maatregelen voor een afvlakking van de recessies en de sociale zekerheid hield de koopkracht op peil voor de schaarse uitvallers

Het tijdperk kantelde met de veralgemeende economische crisis midden de jaren zeventig en de nogal radicale neoliberale heroriëntatie van het beleid vanaf de jaren tachtig. Structurele werkloosheid en ‘deskilling’ verminderden de koopkracht in een belangrijk deel van de bevolking. De arbeidsorganisatie ging van grootschalige geïntegreerde industrieën naar outsourcing en vele onderaannemers rond een kernactiviteit. Diegenen die aan het werk bleven, draaiden meer uren in steeds flexibelere systemen.

De nieuwe technologieën lieten ‘just in time’ een niche productie toe. Men sprak van ‘jobloss growth’: economische groei met jobverlies. De economie richtte zich steeds meer op de nieuwe middenklasse wiens koopkracht moest worden aangesproken met levensstijl-, niche- en subculturele consumptie. Die zorgde dan weer voor een verdere individualisering, ondersteund door dat typisch Vlaamse ‘verkavelingswonen’, die ‘baksteen in de maag’ en de daarop volgende cocooning.

De nieuwe middenklasse ontwikkelde die typische suburbane cultuur met soms overdadige private aspiraties: een eigen vrijstaand huis, een grote tuin, een open keuken, met garage voor één of twee auto’s, liefst een SUV, met eigen speeltuin, media en andere voorzieningen, een paar vakanties per jaar, kortom de verlangens die elke week in programma’s als Huizenjacht of Blind Gekocht weer worden opgelijst of in de reclamefolders en lifestyle magazines worden aangeleerd.

De levensstijl van het precariaat wordt niet helemaal getoond in de ‘imagined community’ omdat het de falende welvaartsstaat al te zeer een spiegel zou voorhouden

Maar die levensstijl is in een duale samenleving niet voor eenieder weggelegd. Een belangrijk deel van de werkende mensen is overbodig in deze nieuwe economie, die ‘postfordisme’ of nog ‘flexibel accumulatieregime’ wordt genoemd. Zo’n derde van de bevolking valt uit de boot. Deze maatschappij wordt in de Engelse literatuur ‘two tier society’ genoemd, een samenleving op twee niveau’s.

Voor de uitvallers zijn er veel precariteit, tijdelijkheid, onderbetaalde jobs, informele economie, dienstencheques, te dure huisvesting en weinig zicht op opwaartse sociale mobiliteit. Het is een levensstijl die helemaal niet wordt getoond in de ‘imagined community’ omdat het de falende welvaartsstaat al te zeer een spiegel zou voorhouden.

De politieke uitdrukking

Die dualisering bepaalt niet alleen de eenzijdige blik in de mainstream media, de reclame, de ondernemingswereld. Het heeft ook het politieke veld hertekend. De centrumpartijen die de fordistische verzorgingsstaat hebben gedragen, CVP/CD&V en sp.a, zitten al decennialang in een neerwaartse spiraal, een ware existentiële crisis. Omdat hun programma nood heeft aan een overlegeconomie, waarin groei naast winsten ook koopkracht, arbeidstijdverkorting en sociale voorzieningen oplevert.

Die tijd is echter (onherroepelijk) voorbij. Het neoliberale marktdenken van Hayek en Friedman zijn de economische leidraad geworden. Investeringen en aandeelhouders willen rendement, ‘return on investment’. Die rentabiliteit heeft niet de koopkracht van eenieder nodig en richt zich eerder op goedkope lonen. Vandaar de jeremiades over de ‘concurrentiecapaciteit’ en de jarenlange restrictieve loonpolitiek.

Daarenboven wordt jarenlang op openbare diensten en publieke voorzieningen bezuinigd. Het private aanbod wordt als alternatief ondersteund. De consumptie en levensstijl richten zich steeds meer op rijkdom en luxe. Voor hen die inspiratie nodig hebben zijn er dan programma’s als The Sky is the Limit met de extravagante consumptie van de ‘nouveaux riches’.

Die economische en sociologische verschuivingen onderbouwen het N-VA-project dat in deze nieuwe context de centrale plaats van de CD&V wil innemen. Het is een conservatief liberaal project, waarin ‘het primaat van de politiek’ het sociaal overleg moet vervangen, gesteund op de suburbane middenklasse.

De gehele rechterzijde blijft expliciet inzetten op het heersende economisch model en ziet de overheid als een marktondersteunende hulpverlener

De uitvalsbasis voor dat conservatieve nationalistisch project en de opgang van N-VA was het overnemen van een deel van het electoraat van Vlaams Belang. Daarvoor moet N-VA ook voortdurend haar etnocentrische rechterflank afdekken, een ‘eigen volk eerst’ voor de ‘hardwerkende Vlaming’. Dat profiel van Theo Francken zit in een spanningsveld met het staatsnationalisme van Bart De Wever in de concurrentie met CD&V.

Die partij zit dan weer gewrongen in haar vervelling van een standenpartij tot een pure bestuurderspartij. Ook Open VLD zit in dat krachtenveld tussen een individualistisch neoliberalisme en een meer inclusief sociaal-liberalisme, duidelijk geïllustreerd door de verschillende kandidaat-voorzitters. Die gehele rechterzijde blijft, weze het niet zonder moeilijkheden, toch expliciet inzetten op het heersende economisch model en ziet de overheid als een marktondersteunende hulpverlener. Ook al moet ook rechts nu (nogmaals) inzetten op de overheid om de markt te redden.

Het gemis aan alternatief model

Daar waar de rechterzijde gebroken heeft met de overlegeconomie en resoluut inzet op een sterk geprivatiseerde markteconomie, hebben de progressieve partijen hun vervelling nog niet voltrokken.

Enerzijds overleeft er nog een heel apparaat in de vakbeweging, de mutualiteiten, de zorg of de welzijnssector op het weliswaar uitgeholde, maar nog wettelijk vastgelegde, overleg. Een groot deel van het middenveld overleeft op subsidies. Voor hen zijn de lijnen naar de macht van levensbelang.

Anderzijds is er nog geen economisch concept gerijpt waarin de belangen van de nieuwe middenklasse en die van de precaire onderklassen in een nieuw maatschappelijk model worden verenigd. Vandaar ook dat de drie politieke partijen in dit veld elk mikken op een eigen doelpubliek en dat tegenover een rechtse hegemonie mobiliseren.

Groen vertrekt niet van een sociale belangenstrijd, maar van een systemische crisis: de uitbuiting van de natuur leidend tot een onverantwoorde ecologische voetafdruk en een crisis van klimaat en biodiversiteit. De coronacrisis is er deel van de algehele ecologische ontwrichting. Het is evident dat het milieubewustzijn hoofdzakelijk diegenen aantrekt die overigens min of meer van materiële zorgen bevrijd zijn en vrij kunnen kiezen.

De politieke ecologie heeft vooralsnog niet overtuigend kunnen aantonen dat armen en werklozen of precairen van een groene economie beter worden

De politieke ecologie heeft vooralsnog niet overtuigend kunnen aantonen dat armen en werklozen of precairen van een groene economie beter worden. Vooral omdat de transitie nog steeds gedacht wordt in termen van het mobiliseren van het (private) kapitaal in de goede richting, aangezet door een beleid en ondersteunende maatregelen.

Velen geloven dan ook dat in een privaat gestuurde concurrentiële groene economie ook op koopkracht en sociale voordelen zal worden bespaard, eventueel onder het mom van een kritiek op de consumptiemaatschappij.

Dat verklaart de spanning met de sociale partijen, die hun invloed halen uit de verdediging van de levenstandaard van de werkende bevolking. De sociaal-democratie blijft daarbij vooral inzetten op herverdelingsmechanismen via de overheid. Daartoe heeft ze bestuurscapaciteit nodig en probeert ze in de huidige politieke context rechtse coalitieparters te overtuigen van een meer sociale aanpak; type Antwerpse coalitie.

De sp.a zet slechts in op een progressieve coalitie wanneer daar een meerderheid voor is. Een strategie voor een structurele verschuiving van de cursor naar links is er niet. Zo wordt PVDA in de zoektocht naar een federale regeringsvorming al van bij de start uitgesloten. Die partij vaart een meer rechtlijnige sociale koers die in elk dossier de belangen en de aspiraties van de arbeidersklasse voorop stelt. Het is als het ware een vakbond in de politiek die op basis van bevragingen maatregelen voorstelt, maar vooralsnog niet inzet op besturen. Het heersende systeem aanklagen en het verzet in eigen rangen groeperen, dat is de lijn.

De arbeidersklasse is echter verdeeld en gedeelde belangen worden niet aangevoeld in het dagelijks leven. Solidariteit is niet alomtegenwoordig. Een deel van die arbeidersklasse, zeker in de grote bedrijven, heeft de voorstedelijke leefwijze omarmd. Dat belang drijft de PVDA (later bijgetreden door sp.a) in het verzet tegen lage emissiezones die de automobiliteit van de pendelaar bedreigen.

Er is vooral geen antwoord op de hamvraag: hoe herstelt men de solidariteit tussen de nieuwe middenklasse en de precaire onderklassen?

Dat draagt bij tot ‘geen draagvlak’ voor een betonstop of voor de afbouw van de bedrijfswagens. Zo komen een kwart miljoen auto’s van pendelaars elke dag Brussel binnen en buiten. Die willen veilige en goed berijdbare tunnels en viaducten en goedkope parkeerfaciliteiten, terwijl de helft van de Brusselaars geen auto heeft en snakt naar wat bruikbare en groene publieke ruimte.

Dit gebeurt zelfs in de dichtbevolkte volksbuurten waar het merendeel van de dertig procent armen wonen. Hoe die belangen te verenigen zijn in een systemische transitie, vertelt ons niemand.

Verenigd links bestaat niet en net daarom is er ook geen gedragen links maatschappelijk project. Elk van de stromingen bedient vooral een eigen achterban. De segmentering en de fragmentering in de samenleving komt men niet te boven. Er is vooral geen antwoord op de hamvraag: Hoe herstelt men de solidariteit tussen de nieuwe middenklasse en de precaire onderklassen?

Hoe weekt men die nieuwe middenklasse los van het neoliberale ontwikkelingsmodel gedragen door VOKA et VBO?

Met welk sociaaleconomisch model produceert men een actief leven zowel voor de hooggeschoolde professionelen als voor de laaggeschoolde uitvallers? De strijd om de economie is nog lang niet ingezet. Anton Jäger schrijft op Apache en elders dat de tijd voor een links populisme voorbij is. Te links en te populistisch stelt hij. Dat zou de impasse van Jeremy Corbyn of Bernie Sanders verklaren.

Het zou ook kunnen dat ze nog te veel rekenden op hun eisen binnen het bestaand systeem te kunnen afdwingen, een systeem dat net overleeft door die mindere sociale condities voor een deel van de bevolking. Zeker nu het groeimodel onder druk staat en de herverdeling en armoedebestrijding dus meer binnen de bestaande rijkdom moet worden gedacht.

De strijd om de economie

Het gaat allemaal teveel over levensstijl, consumptie en identiteit, omgezet in ‘onze normen en waarden’. Over investeringen, productie en productieverhoudingen wordt in de duiding nauwelijks gedebatteerd. Denktank Itinera schuift alle problemen op de rug van een slecht beleid, zonder enige doorlichting van de immense verspilling in de private sector.

Het neoliberale eenheidsdenken heeft een nogal dogmatische visie geïnstalleerd over ondernemerschap, rentabiliteit en ‘normale’ verdeling tussen aandeelhouders en werknemers. De nieuwe generaties zijn daarin opgegroeid.

Op enkele decennia tijd is het ingeburgerd dat lonen maar beperkt kunnen stijgen en alleen binnen grenzen van toegenomen productiviteit en concurrentiecapaciteit, dat langer werken onvermijdelijk is, dat dividenden, managerslonen en bonussen daarentegen afhangen van winstvoeten, dat productieve activiteiten best geprivatiseerd zijn en dat politiek zich moet beperken tot regelgeving, steunmaatregelen aan de markt, enkele nutsbedrijven, budgettaire soberheid en minimale sociale voorzieningen.

Om erbij te horen, moet het productieve deel steeds meer skills en inspanningen inbrengen

Een economische logica is losgekoppeld van sociale verhoudingen, loon- en arbeidsvoorwaarden, welzijn en zeggenschap met een economie die geen plaats hoeft te geven aan de gehele bevolking. Slechts de helft ervan wordt nog gerekend tot het productieve, zeg maar het nuttige, deel. Om erbij te horen, moet dat deel steeds meer skills en inspanningen inbrengen, waardoor het gehele ‘activeringsbeleid’ van de laatste decennia nauwelijks wat heeft opgebracht.

De corona-exit zal volgens die logica een sociaal bloedbad verwekken. Met dezelfde rentabiliteitscriteria voor het private kapitaal zullen zowel overheid als loontrekkers een hoge prijs betalen. Dat hebben we al gezien bij de bankencrisis.

Het reddingsplan voor Brussels Airlines vraagt niet alleen een zware overheidsgift zonder voorwaarden, maar ook 1000 ontslagen en een zware achteruitgang in loon- en arbeidsvoorwaarden voor de blijvers. De Nationale Bank rekent met een stijgende werkloosheid van 180.000 eenheden! Hoe die visie te combineren valt met de nodige herwaardering van de zorgberoepen, het onderwijs en andere openbare diensten is mij een raadsel.

Werken aan een realistischere beeldvorming

Maar de wind zou ook kunnen keren. De crisis heeft getoond dat onze samenleving niet steunt op tweedeverblijvers aan de kust, trampolines in een tuin of nog zwembaden in alleenstaande woningen. Niet op de luxe in de consumptiemaatschappij dus. De kerntaken lagen bij de zorgsector, het onderwijs, de voedselketen, de sociale voorzieningen. Die moeten ook zorgen voor een goede heropstart.

Steeds meer berichten de media nu over de stressfactuur, de toegenomen armoede, de dreigende ontslagen, de druk op OCMW’s. Het zou goed zijn mochten duidingsprogramma’s en corona-debatten de cursor aanpassen en werken aan een realistischere beeldvorming.

Om de bedrijvigheid in een ‘verbindend wij’ te denken, op basis van samenwerking tussen verschillende maatschappelijke actoren. Te zoeken naar investering om de zichtbare tekorten in de zorg, de mobiliteit, het onderwijs en de cultuur bij te passen. Een economie en een dienstverlening te ontwerpen vooral gericht op de basisbehoeften en de toegankelijkheid van iedereen waarbij er ook steunmaatregelen met duurzame en sociale voorwaarden zijn. Ook is er nood aan een eerlijke fiscaliteit zonder koterijen en ontsnappingsroutes. Een samenlevings(her)opbouw die een plaats voorziet voor zij die de lockdown niet op eigen kracht hebben kunnen doormaken.

Dat is een visie die tijd nodig heeft en die niet zonder slag of stoot kan worden verwezenlijkt. Dat vergt een nieuw ontwerp. “De samenleving heeft geen nood aan loodgieters maar aan architecten”, zegt Dirk Holemans. Ik denk niet dat elke partij afzonderlijk die architecten zal leveren.

Of toch niet de top, want die is bezig met de eigen ‘fond de commerce’ in de bestaande particratie. Misschien wel in de schaduw, in media en denktanken, en met politici die bereid zijn buiten hun comfortzone te denken. Links moet aan een ontwerpwedstrijd beginnen die probeert de onverzoenlijke tegenstellingen van belang te overbruggen.

Intussen kan er wel aan politiek worden gedaan en strijd worden geleverd. Ik zie daarbij drie werven. Het Europese project behoeden van een rechts nationalistische regressie. Daartoe moet de kritiek op een bureaucratisch project met nationale lidstaten worden doorgetrokken naar een sociale en culturele ‘imagined community’. Een cultureel en solidair Europa tegenover een nationalistische post-corona.

Het tweede veld is de strijd op het niveau van de staat, federaal en gewest, om de vitale sectoren die ons door de crisis hebben gesleurd te garanderen en uit te bouwen. De strijd voor een herwaardering van de zorg en het onderwijs, van openbare diensten, van vitale sectoren.

Daartoe moet er een ommekeer komen in het soberheidsbeleid ten voordele van de private sector en een herfinanciering door een eerlijke fiscaliteit. Een eenvoudig onmiddellijk programma waarvoor vele weerstanden zullen moeten overwonnen: de overheid moet investeren in aan-de-markt-onttrokken overheidsdiensten, de private sector moet zorgen voor de markt.

De overheid moet investeren in aan-de-markt-onttrokken overheidsdiensten, de private sector moet zorgen voor de markt

Tenslotte moet er in een krimpende economie worden voor gezorgd dat elke investering met belastingsgeld ten goede komt aan de essentiële economie gericht op basisvoorzieningen, aan een duurzame en circulaire productie in nabijheid, aan nieuwe mechanismen van solidariteit en herverdeling.

Dat is een werf die bottom up, vanuit de leefomgeving, op het lokale vlak en met de steun van lokaal beleid moet worden uitgewerkt.

Een onmiddellijk programma voor een solidair Europa, voor gezonde en verzekerde landelijke openbare diensten en voor een circulaire basiseconomie voor het lokale dagelijkse leven, het zijn drie post-corona-werven waarrond een progressief front moet kunnen werken.

“Het systeem is uit balans geraakt”, zegt Antwerps schepen Tom Meeuws. “We hebben nood aan een omvattend sociaal noodfonds”, zegt partijvoorzitster voor Groen Meyrem Almaci. “We willen een coronataks op grote vermogens”, stelt Peter Mertens voor. Het is tijd dat ze ook eens samen een vernieuwd systeem voorstellen.

Dat zal meer moeten zijn dan een ‘sociale correctie’, een ‘groene economie’ of een ‘verhoging van de koopkracht’.

#BeterNaCorona vergt transversale uitwisseling, synthese en samenwerking, dit in theorie en ook in praktijk.

Misschien geven expertengroepen en media dan ook eens dat debat weer. Misschien zoeken ze dan ook mee naar een nieuw normaal. In afwachting zal de kritiek partieel blijven, op tekorten wijzen en bijsturing vragen. Maar de hoofdlijn zal het verhaal blijven van de reëel bestaande economie en de door levensstijl en consumptie aan haar verbonden middenklassen: een scheefgetrokken beeld van de samenleving.


Uitgelichte afbeelding: Pixabay

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst. Zelf een bijdrage insturen, doe je hier.

Auteur: Eric Corijn

Eric Corijn is cultuurfilosoof en sociaal wetenschapper, hoogleraar Stadsstudies aan de VUB, vicevoorzitter van het Brussels Studies Institute en directeur van de Brussels Academy.