De bemiddelaar is dood, lang leve de bemiddeling

 Leestijd: 2 minuten0

“De Raad van Bestuur van de VRT stelt een bemiddelaar aan”, zo lees je in tal van kranten vandaag. De slordigheid waarmee er over bemiddeling wordt geschreven is op zichzelf een bron voor nieuwe conflicten. Het wordt tijd om feit van fictie en opinie te onderscheiden.

Het woord “bemiddeling” duikt steeds vaker op, in de Nederlandstalige kranten en magazines, zo’n 8.000 keer in de afgelopen tien jaar. Dat is een stijging van 25% tegenover het decennium ervoor. De “bemiddelaar” komt nog vaker voor, 9.278 keer in de afgelopen tien jaar. Over “onderhandeling” schrijft men ook vaak, het sleutelwoord komt 60% vaker voor in de afgelopen tien jaar. Een zeer opvallende vaststelling is dat men bij onderhandelen veel minder schrijft over de onderhandelaar, dan over de onderhandeling (-14%). Bijzonder: bij de bemiddelaar vloeit er net meer inkt over de persoon dan over de bemiddeling (+13%).

Dit verschil is veelzeggend. Er gaat meer aandacht naar de bemiddelaar dan naar de bemiddeling. Zo ook bij de artikels over het conflict bij de VRT. Men spreekt over de bemiddelaar, men noemt hem zelfs bij naam. Over het proces of de totstandkoming wordt met geen woord gerept. Dat zou niet mogen. Past het in de buitensporige verering van het individu? Speelt men straks bemiddelaars als vedetten uit? Nochtans is het kenmerkend voor bemiddeling dat het over de onderhandelaars moet gaan, niet over de professionele derde ( de bemiddelaar) die hen helpt om te onderhandelen.

Wat te denken van de “bemiddelaar” in kwestie? Mijnheer Van Vrekhem is geen bemiddelaar en bovendien betrokken partij, dus van bemiddeling kan absoluut geen sprake zijn. Hij werd in 2016 door Sven Gatz belast met de zoektocht naar een nieuwe CEO voor de VRT. In die procedure waren er meerdere kandidaten, waaronder Paul Lembrechts (de huidige CEO) en Peter Claes (directeur media en productie). Hij was een “headhunter”, en heeft als dusdanig uitgebreid contact gehad met beide directeurs. Volgens de deontologische code van bemiddelaars, is het bijgevolg uitgesloten dat mijnheer Van Vrekhem nog kan optreden om te bemiddelen. Stefaan d’Haeze, lid van de Raad van Bestuur van de VRT, is bemiddelaar. Het is ondenkbaar dat hij de voorzitter, Luc Van den Brande, er niet op zou gewezen hebben. Waarom zondigt men met deze aanstelling tegen een dergelijke fundamentele premisse voor een integere bemiddeling? Het probleem zit bovendien niet in een deontologische kwestie, maar in een fundamenteel principe van bemiddeling: dat van neutraliteit. Een bemiddelaar die niet als neutraal wordt gezien door de partijen, heeft geen schijn van kans.

Een ander principe van bemiddeling, dat van de vrijwilligheid, lijkt hier ook een heikel punt te zijn. Hoe kunnen deze conflicterende partijen vrijwillig in bemiddeling gaan? De Raad van Bestuur biedt geen uitweg, althans niet tot de volgende Raad van Bestuur. Zo verplicht je eigenlijk om in gesprek te gaan, wat een ernstige inbreuk is op de fundamenten van deze methode. Een bemiddelaar moet een uitweg kunnen bieden (het beste alternatief zonder overeenkomst), om het principe van vrijwilligheid hard te maken en om druk te zetten op de bemiddeling. Dit lijkt hier onmogelijk.

En wat met de andere belanghebbenden? Wie zit er in het conflict? In een dergelijk groot kader, als dat van de VRT, waarin personeel, vakbonden, regeringspartijen en directie verwikkeld zijn, is bemiddeling absoluut niet de voorkeursoplossing.

Tot slot is er nog de diepte van het conflict en de kansen van een bemiddelde oplossing. Wanneer je er de escalatietrap van Friedrich Glasl bijneemt, ziet dat er niet goed uit. Dit conflict lijkt zich al op emotioneel terrein te begeven, met coalitievorming en dreigstrategieën. Zelfs voor een uit de kluiten gewassen bemiddelaar is dit mouwen opstropen. Bovendien is bemiddeling in dergelijke conflicten enkel mogelijk met vertraging. Je hebt tijd nodig om de gemoederen te bedaren. De tijdslijn van deze situatie, met een evaluatie binnen 2 weken, lijkt op het tegendeel te wijzen.

De enige rationele conclusie is dat dit geen bemiddeling is. Dan laat men beter het woord uit de communicatie vallen. Laat ons zuiniger omspringen met de term “bemiddeling” en al zeker met de term “bemiddelaar”. Men zou er goed aan doen om de term “bemiddelaar” voor te behouden voor erkend bemiddelaars, zo is men zeker van de deontologische integriteit. Zo voorkomen we ook dat we nog corresponderen met zogenaamde arbeids- en schuldbemiddelaars. Soms kan je tenenkrullende woorden echt de wereld uithelpen. Is dat geen mooi voornemen voor 2020?

Uitgelichte foto © Marie-Baeten

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst. Zelf een bijdrage insturen, doe je hier.

Auteur: Luc De Cleir

Luc is acteur, politiek wetenschapper en bemiddelaar. Na een decennium in de technologiesector, startte hij een communicatiebureau en bemiddelingspraktijk. Hij was algemeen directeur van Apache, na een tijd als marketeer en spreekbuis. Thans is hij doctoraatsonderzoeker en legt zich toe op het vraagstuk “kunnen online media een advertentiemodel verzoenen met integere journalistiek en de belangen van hun lezers?”.