Hoe het socialistisch internationalisme het internet creëerde

 Leestijd: 9 minuten0

In juli 1945 beschreef Vannevar Bush in zijn essay “As We May Think” de werking van een hypothetische machine: de Memex. Dit was een hypertext-achtig apparaat dat in staat zou zijn om grote hoeveelheden documenten, opgeslagen op microfilm, te doorploegen via een netwerk van “koppelingen”. Dit wordt door velen beschouwd als het eerste prototype van het World Wide Web. Hypertext-pioniers, zoals Tim Berners-Lee, erkennen grootmoedig de invloed van de Memex op hun werk.

Vannevar Bush mocht dan wel de vader zijn van het www, de grootvader van het internet is een Belg.

Zijn Memex is schatplichtig aan het werk van Paul Otlet, die een droom koesterde om alle kennis in de wereld met iedereen te delen. Terwijl de Memex zich beperkte tot wat er in de machine zat, ging Paul Otlet een stap verder, zijn systeem bestond uit een wereldwijd netwerk. Hij voorspelde draadloze netwerken, spraakherkenning en sociale media reeds tijdens het Interbellum.

Paul Otlet (Beeld: Wikimedia Commons)

Nieuwe wereld

Anders dan bij de andere grondleggers van het internet, die het vooral als een academische of technische uitdaging zagen, had Otlet met zijn systeem een hoog gegrepen maatschappelijk doel voor ogen: het bouwen aan een nieuwe wereld. Otlet zou zijn hele leven wijden aan de nog steeds actuele uitdaging: hoe maak je kennis wereldwijd toegankelijk voor iedereen. Door alle kennis met iedereen te delen zou men komen tot een rechtvaardige en solidaire wereld, wereldvrede zou daar automatisch uit voortvloeien. Hij was een utopist en een dromer. Hij durfde alle wetmatigheden in vraag te stellen en zich een maatschappij voor te stellen ontstaan uit een tabula rasa.

Geen sant in eigen land, dat is het minste wat we over Paul Otlet kunnen zeggen. Geëerd door Google en het Angelsaksische academische milieu, toch weet de modale man in de straat niet wie hij was en wat hij deed. Toen in 2005 de VRT een verkiezing hield voor de grootste Belg kwam Otlet niet voor in de eerste 100, hij eindigde op 163. We hebben het dan ook meer voor muzikanten, sportlui en heiligen, dan voor visionaire helden die de toekomst vorm gaven.

Hij was niet alleen met zijn droom: zijn vriend en compagnon de route, Henri La Fontaine, een gepassioneerde jurist en socialist, stimuleerde hem in zijn werk. Samen zetten ze zich in voor het wereldwijde pacifisme en de internationale emancipatiebeweging.

La Fontaine stichtte in 1883 de Société Belge de l’Arbitrage et de la Paix en in 1913 zou hij het Wereldcongres voor de Vrede voorzitten in Den Haag. Dit zou helaas de oorlog niet tegenhouden, maar hij kreeg er wel de Nobelprijs voor de Vrede voor.

Beide mannen zouden samen met Cyrille Van Overbergh in 1907 de Union of International Associations (UIA) oprichten in Brussel en organiseerden in 1910 een groot wereldcongres. De UIA bestaat nog steeds en heeft meer dan 7.000 internationale organisaties als leden. Het profileert zich als een onafhankelijk onderzoeksinstituut en documentatiecentrum. Het onderzoekt de werking van internationale organisaties en hun mondiale uitdagingen. De UIA werkt daarvoor samen het ECOSOC en de UNESCO, waar het een erkende status heeft.

Inventariseren

Otlet en La Fontaine raakten er steeds meer van overtuigd dat wereldwijd kennis delen en wetenschappelijk samenwerken de verstandhouding onder de volkeren zou bevorderen. Een machtige droom van twee mannen op een scharniermoment van de politieke en technologische geschiedenis: de kennis in de wereld delen met iedereen. Nu moesten ze nog een manier vinden om die wereldwijde informatie voor iedereen toegankelijk te maken.

Een eerste stap was het indexeren en classificeren van alle informatie in de wereld. In 1895 hielden ze het Institut International de Bibliographie boven de doopvont, met het ambitieuze doel gepubliceerde informatie te verzamelen en te inventariseren.

In 1912 schreven Otlet en La Fontaine in al hun optimisme:

“Les guerres diminuent en nombre ; l’idée d’un tribunal au-dessus des nations se généralise déjà et l’arbitrage devient la règle suivie par tous les litiges secondaires. La marche de la civilisation conduit donc à l’élimination graduelle de la force pour la remplacer par une organisation ayant l’ordre et le droit à sa base.”

Ze zouden 2 jaar later in een gruwelijke werkelijkheid ontwaken.

De gruwel van de eerste Wereldoorlog maakte La Fontaine echter nog fanatieker in zijn streven voor een vreedzame wereld. Hij schreef in 1916 zijn ideeën hierover neer in “La Grande Solution”.

Allemaal geen toeval: België is vanaf de late 19e eeuw een land met talrijke internationale organisaties en vredesbewegingen. Ons land heeft ook maar liefst 4 Nobelprijswinnaars voor de vrede, inclusief die van Henri La Fontaine. Brussel was in die tijd reeds de zetel van meer internationale organisaties dan enige andere stad ter wereld.

Mundaneum

Na Wereldoorlog I kregen ze dankzij de tussenkomst van koning Albert I vrij snel een onderkomen in enkele kamers in het Brusselse Jubelpark en met de steun van de Belgische regering kregen ze personeel ter beschikking. De gigantische collectie van miljoenen bibliografische kaarten, duizenden boeken en ander documentair materiaal gaf in de jaren dertig vorm aan het Mundaneum, wat een universeel centrum van documentatie moest worden. Hun collectie kende toen reeds 12 miljoen fichekaartjes. Op zijn hoogtepunt in 1935, groeide het bestand van het Mundaneum uit tot maar liefst 16 miljoen kaarten over de meest diverse onderwerpen.

Die indexkaarten werden ingedeeld volgens de Universal Decimal Classification. Otlet creëerde deze classificatie speciaal voor deze opdracht en hij liet zich hiervoor inspireren door het systeem van Melvil Dewey, de Dewey Decimal Classification.

Zijn Universal Decimal Classification zou na zijn dood uitgroeien tot een wereldwijde standaard voor het inhoudelijk indexeren in de bibliotheeksystemen van de 20e eeuw en zou een sluitstuk vormen op voorafgaande pogingen van wetenschappers als Panizzi, Dewey en Ranganathan. Deze UDC wordt nog steeds wereldwijd in tal van wetenschappelijke bibliotheken gebruikt als plaatsing- en ordeningssysteem.

In die jaren was het project vrij succesvol omdat wetenschappers per post of telegraaf en tegen een vergoeding vragen konden stellen, die dan via de catalogus werden opgelost. Helaas groeide dit boven hun hoofd, verloor de overheid het geloof in het project en raakten ze op de dool: Otlet moest verschillende keren verhuizen en hun collectie raakte versnipperd over verschillende locaties in Brussel. In 1934 belandde hij in een gebouw van de VUB.

Volkenbond

Otlet bleef intussen verder zoeken hoe hij alle beschikbare informatie ter wereld kon organiseren. Hij zou hierover ook samenwerken met de Zwitserse architect Le Corbusier, de Oostenrijkse filosoof Otto Neurath, de Schotse socioloog Patrick Geddes en de Noorse beeldhouwer Hendrik Andersen.

Het groeiend netwerk van wetenschappers, ondernemingen en verenigingen zou La Fontaine aardig van pas komen om de Volkenbond te helpen oprichten. Na de oorlog zou hij België vertegenwoordigen in de Algemene Vergadering van de Volkenbond. Beiden droomden verder en tekenden een plan voor een nieuwe wereldstad die het hoofdkwartier zou worden van een toekomstige wereldregering. Deze wereldstad zou tevens de Universele Bibliografie en een gigantisch museum van de wereldwijde kennis, het Palais Mondial, huisvesten.

Otlet en La Fontaine stonden niet alleen met hun droom voor een wereldhoofdstad. In dezelfde periode ijverde Pieter Eijkman om Den Haag om te vormen tot een intellectueel wereldcentrum, gecentreerd rond het Vredespaleis.

In 1933 namen Le Corbusier en een reeks Belgische architecten deel aan een internationale stedenbouwwedstrijd voor de linkeroever van Antwerpen. Die stad zou de zetel worden van internationale organisaties, congressen en een wetenschappelijk, documentair en educatief centrum. Deze stad moest een plek worden waar wetenschappers, internationale organisaties, musea en bibliotheken zouden samenwerken. Le Corbusier maakte alvast maquettes en plannen. Dit project stond in 1933 in de steigers om gerealiseerd te worden op de linkeroever van Antwerpen, maar de teruglopende economie en de oplopende internationale spanningen blokkeerden de uitvoering.

Computernetwerk

Het magnum opus van Otlet dateert uit 1934: het Traité de documentation. Daarin beschrijft hij zijn visie over een systeem van genetwerkte computers, hij noemde ze toen wel nog “elektrische telescopen”, die mensen toegang gaven tot miljoenen gelinkte documenten, foto’s, audio en video. Hij voorzag een scherm en een bedieningspaneel om te zoeken in een universele database waarin alle menselijke kennis was opgeslagen. Deze kennis zou verzameld worden door een netwerk van universiteiten, individuele wetenschappers, overheidsorganisaties, bibliotheken en boekhandels. Hij noemde dit een “réseau mondiaal”, een wereldwijd netwerk, of met de woorden van Charles van den Heuvel, een “analog World Wide Web” of een “steampunk”-versie van het internet, dixit zijn biograaf Alex Wright.

Net zoals Bush enkele jaren later, onderzocht Otlet de mogelijkheden van het opslaan van gegevens op microfilm en het doorzoekbaar maken ervan via een gekoppeld systeem. Hij schreef over draadloze netwerken en spraakherkenning. Hij ging zelfs verder: hij voorzag de mogelijkheid om gebruikers te laten participeren en commentaar te geven, wat pas echt mogelijk werd in de tweede helft van de jaren 2000 met de opkomst van de sociale media.

Stond Otlet alleen met zijn ideeën? Natuurlijk niet, het was immers het tijdperk van Jules Verne. Romanschrijvers beschreven de ongekende mogelijkheden van de techniek. Het was de geboorte van de science fiction.

In 1883 beschrijft de Franse romancier Albert Robida de téléphonoscope, een fictieve machine die er uit ziet als een flatscreen en mensen 24 uur op 24 in staat stelt het nieuws te volgen, te genieten van toneel en muziek, maar ook om met elkaar te overleggen, ongeacht de plaats waar ze zich bevonden. In tegenstelling tot Verne legt Robida de nadruk op het gebruik van uitvindingen in het dagelijkse leven. Robida voorspelde een aantal maatschappelijke ontwikkelingen die later effectief zouden plaats vinden, zoals de sociale emancipatie van vrouwen, het massatoerisme, de milieuverontreiniging en de oorlogsvoering met drones en gifgas.

Later zou Robida helpen met de plannen van de Parijse Wereldtentoonstelling van 1900, waar Otlet zijn Universele Bibliografie aan de wereld zou voorstellen.

Statistische Machine

In 1927 patenteerde Emanuel Goldberg de Statistische Machine, een nog te ontwikkelen toestel, waarmee een gebruiker grote hoeveelheden gegevens op microfilm kon doorzoeken. Later introduceerde hij een techniek waarmee een gebruiker via de telefoon een zoekopdracht kon invoeren: de eerste inbel-zoekmachine.

Goldberg’s veelbelovende uitstapje naar indexering van microfilms kwam abrupt tot stilstand in 1933, toen nazi’s zijn kantoor in het camerabedrijf van Zeiss Ikon in Dresden bestormden.

Geschrokken vluchtte Goldberg met zijn gezin naar Parijs en in 1937 vertrok hij naar Palestina. Hij heeft nooit meer zijn werk aan de statistische machine hervat.

Voordat hij Parijs verliet, ontmoette Goldberg Otlet op zijn conferentie van 1937 over de toekomst van documentatie. De conferentie werd bijgewoond door prominente bibliothecarissen, wetenschappers en uitgevers, die allemaal geïnteresseerd waren in het verkennen van het potentieel van nieuwe technologieën om de groeiende berg van informatie te temmen.

Eén van de meest spraakmakende aanwezigen was de romanschrijver H.G. Wells, bekend van science fiction romans als “War of the Worlds” en “The Time Machine”. Wells was ook een productieve essayist en toegewijde socialist, die hartstochtelijk geloofde dat nieuwe informatietechnologieën een tijdperk van sociale gelijkheid en wereldvrede zouden inluiden.

Geïnspireerd door de Belgische informatiewetenschapper schreef Wells een jaar na het congres een essay-bundel, “Worldbrain”, waarin hij beschrijft hoe de synthese van alle menselijke kennis via technologische netwerken voor een nieuwe wereld kan zorgen. Dit super-menselijke geheugen zou uitwaaieren over de hele wereld in samenwerking met universiteiten, bibliotheken en onderzoeksinstellingen. Dit zou uitmonden in een autonoom werkend systeem ten dienste van de mensheid.

Wells zou bij leven één van de populairste schrijvers in het Engelse taalgebied worden, hij was de grondlegger van de literaire science fiction, maar was bovenal een visionair. In 1914 zou hij de atoombom voorspellen en zou hij schrijven over demografische en sociaal-economische evoluties die pas in de jaren zestig realiteit werden. Hij was een overtuigde anti-religieuze socialist, die veel heil zag in een wereldregering van technocraten.

Beter mensdom

Dappere utopisten die tegen de trend en tegen het onomkeerbare noodlot van een volgende wereldoorlog koppig bleven volharden in de wens voor een beter mensdom. De geschiedenis herhaalt zich en het optimisme van de conferentie van 1937 bleek van korte duur.

Waren Otlet en La Fontaine dromers en romantici? La Fontaine hield zeker van de romantiek in de muziek: hij vertaalde delen uit de opera’s van Wagner, een componist die jaren later een wat minder fris aureool zou krijgen door uit te groeien tot favoriete componist van de nazi’s.

Toen in 1940 de Nazi’s Otlet opzochten in zijn werkplaats tussen de ontelbare steekkaartenkasten, om te onderzoeken of ze iets bruikbaars konden vinden voor hun inlichtingendiensten, waren ze teleurgesteld. Volgens hen was het toenmalige Mundaneum een hoop rommel. In 1940 werd de collectie van Otlet in het Palais Mondial grotendeels door de Nazi’s vernietigd, om plaats te maken voor een tentoonstelling van kunst uit het Derde Rijk.

De oorlog zette het verval van hun levenswerk in. Hun levenslange samenwerking was  een prachtige symbiose tussen twee complementaire persoonlijkheden met een eenzelfde doel voor ogen: Wereldvrede. Door de Tweede Wereldoorlog en de dood van beide oprichters deemsterde de droom van een universele bibliografie volledig weg.

De na-oorlogse overheid had andere prioriteiten. Het grootste deel van hun fysieke nalatenschap werd oneerbiedig bij het afval gedumpt. Enkele vrijwilligers zouden toch het vlammetje van deze droom blijven voeden en de regering van de Franse gemeenschap zou het grootste deel van de archieven in 1993 onderbrengen in een prachtig Art Deco gebouw in het hart van Mons. In 1998 opende de schitterende tentoonstellingsruimte, die werd uitgetekend door François Schuiten en Benoît Peeters.

Internationalisme

Ondanks dat Otlet in zijn eigen geschriften stelde dat zijn standpunten het dichtst aansloten bij de socialisten, botsten zijn pacifistische en internationalistische opvattingen soms met hun revolutionaire utopieën of met de toen ontluikende nationalistische tendensen.

Otlet en La Fontaine waren vurige internationalisten, die geloofden in de onstuitbare humanitaire vooruitgang naar een vreedzame toekomst, waarbij de vrije stroom van informatie zou zorgen dat de traditionele besloten instanties hun machtsbasis verliezen om te vervellen tot universele en open organisaties.

Een vrije stroom van informatie is, helaas, zelfs met de komst van het internet nog geen feit. Er zijn niet zozeer technische drempels te nemen, dan wel bekrompen commerciële belangen en ouderwetse copyright-opvattingen. Zo is het grootste deel van de wetenschappelijke publicaties in handen van vijf grote uitgevers: Reed-Elsevier, Springer, Wiley-Blackwell, Taylor & Francis en Sage.

Zoals een Afrikaanse wetenschapper op een congres uitriep: als Westerse universiteiten blijven samenzweren met die commerciële wetenschappelijke uitgevers, dan maken ze zich medeschuldig aan de miljoenen doden door een gebrek aan betaalbare medische en landbouwkundige knowhow.

De Amerikaanse regering zette juist voor het jaareinde het egalitaire karakter van het internet op de helling met haar beslissing om de netneutraliteit te laten vallen.

We hebben nog enkele grote stappen te zetten vooraleer de droom van Otlet uitkomt. Laten we het internet opnieuw wat meer socialistisch en internationalistisch maken. Toch zijn sinds de laatste decennia alle technische mogelijkheden voorhanden om kennis wereldwijd met elkaar te delen en zo onze samenleving iets meer egalitair en solidair te maken.

Sociale media zorgen ervoor dat individuen veel makkelijker kunnen opkomen voor hun rechten, mooc’s en open educational resources zetten het klassieke onderwijs onder druk, open access daagt de commerciële uitgevers uit, creative commons legt het copyright opnieuw bij de auteur en blockchain zal de klassieke banksector serieus pijn doen. Nu nog de grenzen in ons hoofd uitwissen en volop inzetten op Open Access, Open Educational Resources en Open Data. Dat is pas een volwaardig Open Grenzenbeleid.

De huidige socialisten hebben behoefte aan dit soort grote verhalen, dit streven naar een betere wereld. Tijd dat ze dat stukje geschiedenis opnieuw gaan koesteren en zich laten inspireren door deze verhalen, die geworteld zijn in het utopische socialisme.

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Auteur: Jan Van Hee

Jan Van Hee is gepassioneerd door kennismanagement en is diensthoofd aan de Arteveldehogeschool. Hij doceerde en schreef over het stroomlijnen van informatieprocessen, het faciliteren van kennisontwikkeling en de informatiehuishouding van een organisatie. Hij studeerde politieke wetenschappen, bibliotheek- en informatiekunde en bedrijfseconomie. Paul Otlet is zijn patroonheilige.