Mag een procureur uit de biecht klappen?

 Leestijd: 5 minuten0

Vlaams minister van Jeugd Sven Gatz (Open VLD) heeft justitieminister Koen Geens (CD&V) gevraagd een regeling te voorzien zodat er maatregelen kunnen worden genomen tegen leiders of begeleiders van jeugdorganisaties die betrokken zijn in een gerechtelijk onderzoek over zedenfeiten. Voor scholen bestaat een gelijkaardige regeling.

Op die manier kunnen al tijdens het vooronderzoek maatregelen worden genomen om de slachtoffers te beschermen. Dergelijke regeling was moeilijk omdat het geheim van het vooronderzoek in principe botst met het melden van betrokkenheid.

Daarvoor werd nu een regeling uitgewerkt: de parketten moeten oordelen of het onderzoek al dan niet in gevaar komt door de melding.

Foto Pixabay

Oud zeer

De geheimhouding van een gerechtelijk onderzoek is een oud zeer. Het plaatst verschillende belangen tegenover elkaar. Enerzijds is er de bescherming van wie betrokken partij is en het belang van de voortgang van het onderzoek, anderzijds is er het belang van de gehele gemeenschap om te weten wat er met een onderzoek gebeurt: “justice must seen to be done”.

In het eerste geval gaat het vooral om de verdachten en de slachtoffers waarvan tijdens een lopend onderzoek nog niet met zekerheid geweten is wat hun betrokkenheid is. Mogelijk gaat het om mensen die er niets mee te maken hebben.

In het tweede geval gaat het vooral om langdurige onderzoeken die soms vele jaren aanslepen zonder dat de maatschappij weet wat er in het dossier staat, waarover het gaat en op welke wijze het onderzoek wordt gevoerd.

Tot wat het tweede geval kan leiden, wordt geïllustreerd door het onderzoek naar de overvallen van de Bende van Nijvel: ondanks twee parlementaire onderzoeken, herhaalde opstoten bij mogelijke nieuwe pistes en evenveel vergaderingen met de slachtoffers en de nabestaanden weet niemand precies wat er in het dossier zit en wat het motief van deze overvallen was.

Toezicht

De geheimhouding van het gerechtelijk onderzoek wordt echter een echt probleem wanneer er vragen komen over de wijze waarop het wordt gevoerd. Daarom kwamen er over het bendeonderzoek twee parlementaire onderzoeken.

Maar ook ten overstaan van deze onderzoeken bleef de geheimhouding van het gerechtelijk onderzoek gehandhaafd zodat ook de parlementairen er niet in slaagden de “disfuncties” te doorgronden.

Pogingen om op een andere wijze enig daadwerkelijk toezicht op het gerecht te vinden, zoals de oprichting van een comité J, stootten op het principe dat enkel de procureur des Konings kan beslissen om de geheimhouding te doorbreken: enkel hij kan mededelingen doen wanneer het openbaar belang het vereist.

Feit is dat er nog steeds geen mogelijkheid is om er een daadwerkelijk extern toezicht uit te oefenen, ook al werd voldoende aangetoond dat zo’n toezicht noodzakelijk is en dat, wanneer het niet gebeurt, de geloofwaardigheid van justitie ernstig wordt aangetast.

Laatst toonde ook het parlementair onderzoek naar Kazachgate – over de wijze waarop de “afkoopwet” werd gemaakt – pijnlijk aan dat niemand juist weet wat justitie met dit dossier doet: procureur-generaal Delmulle wou er in de parlementaire commissie zelfs niets over kwijt.

Als dan blijkt dat twee van zijn collega’s ernstig hun boekje te buiten zijn gegaan en dat daar blijkbaar niets mee gebeurt, schiet er van de geloofwaardigheid van justitie nog weinig over.

Het is een terechte vraag waarom justitie zich blijft verzetten tegen meer openbaarheid en transparantie.

Openbaar belang

Het is een terechte vraag waarom justitie zich blijft verzetten tegen meer openbaarheid en transparantie. Zelfs wanneer het belang van de betrokkenen noch de voortgang van het onderzoek er kunnen door worden aangetast.

Het is zelfs een vaststelling dat de geheimhouding sterker is geworden. Vroeger hadden alle kranten vaste medewerkers die de gerechtszaken dagelijks opvolgden, meer te weten kwamen en er ook uitvoeriger over rapporteerden.

Verslaggeving in de media wordt nu ook door het aanwenden van onderzoekstechnieken en door strafverzwaring door het gerecht zelf aangepakt: de opdracht van de onderzoeksjournalisten wordt er steeds moeilijker door.

Eigenaardig genoeg staat dat in schril contrast met de vele schandalen die toch uitlekken. Maar waarom is noch een bestuurlijk, noch een gerechtelijk onderzoek in staat om een einde te maken aan dergelijke “wantoestanden”?

De laatste revelaties over de “Panama Papers” bevestigen dat er, ondanks alle onderzoeken, niets is gewijzigd in wat nu “disfuncties” worden genoemd: mocht er daarover geen internationale onderzoeksjournalistiek bestaan, zouden wij het zelfs niet merken!

Als je het fenomeen in een bredere context plaatst, mag worden opgemerkt dat één begrip sterk aan waarde heeft ingeboet: het “openbaar belang”. Dat is sterk achteruit gegaan en heeft plaats gemaakt voor het “persoonlijk belang” van vooral financieel sterke groepen of personen.

Deze evolutie werd zelfs door de nieuwe wetgeving bevestigd: door de “afkoopwet” of de oprichting van een “Brussels International Court” ontspoort justitie in twee soorten van gerechtigheid: deze voor de gewone burger, de zwakkere, en deze voor wie het geld of de macht heeft om er aan te ontsnappen, door onze justitieminister als de “wakkere” omschreven. In het laatste geval wordt de afhandeling bovendien ook “vertrouwelijk”. Wat is dat voor iets een vertrouwelijke justitie?

Opportuun

Het wordt in steeds belangrijkere mate aan de procureurs des Konings overgelaten om uit te maken wat er met een onderzoek gebeurt: hij oordeelt of vervolging, onderzoek of behandeling door de strafrechter al of niet “opportuun” is. Deze evolutie strookt niet met wat wij er voorheen over dachten: vroeger was het aan de strafrechter om in een “openbare” zitting uit te maken wat wel en niet moest worden gesanctioneerd.

Deze “openbare” wijze van afhandeling volgde de wetenschap dat openbaarheid de beste garantie is voor een eerlijk proces.

Bovendien kan ook een evolutie worden vastgesteld in de wijze waarop de parketten nu functioneren: door de benoeming langs de Hoge Raad voor de Justitie zijn magistraten meer “juristen” en minder maatschappelijk bewogen “burgers” geworden.

De politieke benoemingen van voorheen hadden het nadeel dat er ook onbekwamen konden worden benoemd maar ze zorgden er wel voor dat de magistratuur, door de regeringswissels, een weergave was van de maatschappelijke verhoudingen, en dus ook van meer maatschappelijke bewogenheid.

Dit intern evenwicht binnen de magistratuur tussen links en rechts, gelovig of vrijzinnig, arm of rijk, lijkt verloren te gaan en plaats te maken voor weliswaar bekwame juristen die het enkel op een theoretische wijze bekijken: het gevaar voor “wereldvreemde rechters” is dan dichtbij. En ook hier versterkt het beleid deze hervorming: het sociaal statuut zoals het door het beleid nu is opgevat brengt de magistratuur steeds dichter bij het statuut van de ambtenaar.

De openbare wijze van afhandeling van een rechtszaak volgt de wetenschap dat openbaarheid de beste garantie is voor een eerlijk proces.

Essentie

De steeds groter wordende rol van het parket, van de procureurs, in de gerechtelijke actie, houdt een erg belangrijke tegenspraak in: de opdracht als vertegenwoordiger van de gehele maatschappij wordt er kleiner door.

Dit is nochtans de essentie van de rol van het parket: als partij in het proces vertegenwoordigt de procureur niet het politiek beleid, noch de individuele burger, maar de gehele gemeenschap. Deze opdracht geeft hem ook het recht om op onafhankelijke wijze te handelen en na te gaan of vervolging wel opportuun is voor de gemeenschap die hij vertegenwoordigt.

Daarom heeft de procureur ook de bevoegdheid om “ambtshalve” op te treden, zelf onderzoeken op te starten wanneer maatschappelijke problemen dat noodzakelijk maken. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer bestuurlijke handelingen een te nauwe verwevenheid met de wereld van bouwpromotoren aantonen en daarbij aanwijzingen van misdrijven boven water komen.

Eerder dan aan de procureur rechterlijke bevoegdheden toe te kennen zou het huidig beleid zich dus de vraag moeten stellen of de parketten nog wel kunnen voldoen aan de essentie van hun opdracht, of zij daardoor niet weg groeien van wat de maatschappij van zijn vertegenwoordigers verwacht.

Ook de mededelingen die de procureur meent te moeten doen over lopende onderzoeken moeten enkel door deze opdracht ingegeven zijn: is het aangewezen voor het openbaar belang? Dat kon gisteren reeds, en dat kan vandaag ook zonder dat er daarvoor een “regeling” met een omzendbrief van het college van procureurs-generaal moest tussenkomen.

Een procureur met enige maatschappelijke bewogenheid weet heus wel uit zichzelf wanneer hij een kennisgeving moet doen en hij heeft geen regeltje nodig om er de “opportuniteit” van te beoordelen: dat is de essentie van zijn ambt als magistraat.

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Auteur: Walter De Smedt

Is gewezen raadslid van Comité I en Comité P