‘Er bestaan wel degelijk alternatieven voor de privatiseringspolitiek’

 Leestijd: 7 minuten6

Steeds meer steden en gemeenten draaien de privatisering van publieke dienstverlening terug. Onderzoekster Satoko Kishimoto (Transnational Institute) onderzocht wereldwijd deze ‘municipalisering’. “Er bestaan wel degelijk alternatieven voor de nefaste privatiseringspolitiek.”

Wereldwijd voeren werknemers en burgers succesvolle campagnes om geprivatiseerde diensten en bedrijven terug in publieke eigendom te krijgen. Recent verscheen daarover de studie ‘Reclaiming Public Services. How cities and citizens are turning back privatisation‘.

De studie biedt een indrukwekkend overzicht van steden en gemeenten die genoeg hadden van de miskleun die privatisering is. Ze besloten de dienstverlening terug volledig zelf te verzorgen. Eerst moesten ze echter de eigendomsrechten en controle terugwinnen.

‘Werknemers en burgers beginnen te begrijpen dat privatisering niet leidt tot betere dienstverlening, meer investeringen en betere technologieën’

Het is wat men in de studie (waaraan ook vele vakbondsmensen meewerkten) “remunicipalisation” noemt: iets terug in publieke handen nemen op lokaal niveau. ACOD zocht Satoko Kishimoto op voor een gesprek. Ze is de coördinator van het Public Alternative Project van het Transnational Institute en co-redacteur van Reclaiming Public Services.

Wat is er zo nieuw aan de fenomenen die jullie bestudeerd hebben?

Satoko Kishimoto: “De afgelopen dertig jaar kregen we te horen dat liberalisering en privatisering het antwoord op alles was. Een groter speelveld voor de markt zou meer innovatie, meer investeringen en vooral ook lagere operationele kosten met zich mee brengen.

Na de financiële crisis zagen we dat de druk om te privatiseren zelfs nog toenam. Overheden op alle niveaus kwamen immers onder druk om hun schulden onder controle te krijgen. Schulden die nota bene waren toegenomen doordat overheden zich gedwongen zagen om noodlijdende banken te redden!

Satoko Kishimoto (Foto: Transnational Institute)

Er zijn echter hoopvolle signalen. Werknemers en burgers beginnen te begrijpen dat privatisering niet leidt tot betere dienstverlening, meer investeringen en betere technologieën. Het neoliberalisme begint gaten te vertonen en verliest zijn geloofwaardigheid.

Mensen krijgen gewoon genoeg van alle negatieve ervaringen. Er ontstaan volksbewegingen die meer willen. Ze bouwen publieke alternatieven uit die niet alleen democratischer maar ook efficiënter en doeltreffender zijn in het leningen van sociale en ecologische noden.”

Hoe verhoudt ‘remunicipalisation’ zich tot nationalisering?

“We hebben nood aan nieuwe oplossingen. Het is belangrijk om te beseffen dat die oplossingen al bestaan op het terrein. Met onze studie hebben we 835 gevallen opgetekend van geprivatiseerde diensten die in publieke handen overgingen. In totaal waren daarbij 1.600 steden betrokken in 45 landen.

‘Zo gaat het wel vaker: de lasten gaan naar de overheid, de lusten naar de privé’

Al deze gevallen vertonen een sterke binding met het lokale publieke belang en de noden van burgers. Mensen verwachten goed uitgebouwde publieke diensten in de plaatsen waar ze leven en werken. Er is dan ook een groot potentieel voorhanden om mensen te organiseren en mobiliseren rond lokale problemen en noden. Het verklaart waarom zoveel bewegingen ook op het lokale niveau actief zijn rond deze problematieken.

In het boek bespreken we natuurlijk ook een aantal voorbeelden van (Latijns-Amerikaanse) overheden die nationaliseringen doorvoerden om meer mensen toegang tot de dienstverlening te geven. Nationalisering kan echter ook minder nobele doelen dienen.

Over de redding van de banken door de overheid hoef ik het niet meer te hebben. Een ander voorbeeld komt uit Japan, mijn geboorteland. De kerncentrale van Fukushima was in handen van TEPCO, een private onderneming. Na de ramp ging de Japanse overheid over tot de nationalisering. Echter met de bedoeling om de centrale opnieuw te verkopen na de nodige herstellings- en saneringswerken. Zo gaat het wel vaker: de lasten gaan naar de overheid, de lusten naar de privé.”

De studie besteedt veel aandacht aan publiek-private samenwerking. Wat is er problematisch aan PPS?

‘PPS zal de publieke schatkist veel meer kosten dan een klassieke openbare aanbesteding’

“Laat mij eerst uitleggen hoe PPS juist verschilt ten opzichte van openbare aanbestedingen. Door middel van een publieke aanbesteding kan een (lokale) overheid opdracht geven aan een private onderneming om een publieke infrastructuur zoals een school of rusthuis te bouwen. De overheid kan de dienstverlening van die school of rusthuis dan zelf organiseren.

In het geval van PPS krijgt de private “partner” echter controle over het volledige proces, gaande van de financiering tot de bouw en uiteindelijk ook het uitbaten van de dienstverlening.

De negatieve gevolgen voor de bevolking zijn echter substantieel. Voor de bouw van een school zal een overheid bijna altijd geld moeten lenen en dus schuld opbouwen. Dat is ook zo wanneer een overheid beslist om een PPS-constructie uit te werken. Maar een PPS zal de publieke schatkist echter veel meer kosten dan een klassieke openbare aanbesteding.

Dat komt omdat de gangbare interestenkosten voor private ondernemingen vele malen hoger liggen. Overheden kunnen lenen aan één of twee percent. Private ondernemingen slechts aan 7 of 8 %. Het betekent dat PPS-projecten veel duurder zijn. We betalen daar met zijn allen de prijs voor.”

De voorstanders van PPS doen uitschijnen alsof de private sector het kapitaal verschaft, terwijl PPS in werkelijkheid altijd een dure publieke uitgave is?

“Inderdaad. We mogen immers niet vergeten dat de schuld die de private onderneming opbouwt ook door iemand moet betaald worden. Die iemand zijn wij allemaal via onze belastingen en gebruikersvergoedingen.

Bovendien zal een private onderneming ook nooit zomaar in een PPS willen stappen. Ze willen uiteraard een winst maken en die winstverwachtingen zijn ingebouwd in de prijs die ze bieden aan de overheden. Dit is nog een bijkomende redenen waarom PPS voor een overheid en haar bevolking nooit “value for money” is. Het is eigenlijk eenvoudig. PPS komt neer op de misbruik van publieke middelen voor privaat gewin.

‘Eigenlijk zou de schuld van de PPS altijd gerapporteerd moeten worden. Dat zou de illusie doorprikken dat PPS de meest voordelige optie is’

En toch laten veel lokale overheden in Europa zich hieraan vangen. Ook dit heeft alles te maken met de Europese soberheidspolitiek.

Volgens de budgettaire regels is het onder bepaalde voorwaarden nog steeds mogelijk voor overheden om een PPS van de balansen te houden. In dat geval heeft de jaarlijkse uitgave (de betaling aan de private partner) wel impact op het begrotingsresultaat maar niet op de publieke schuld. In werkelijkheid is die schuld er natuurlijk wel. Het zijn de leningen die de private partner aanging. Maar de overheid in kwestie moet die schuld uiteindelijk wel terugbetalen, aan hogere interesten.

Eigenlijk zou de schuld van de PPS altijd gerapporteerd moeten worden. Dat zou de illusie doorprikken dat PPS de meest voordelige optie is.”

Zijn er naast sociale en economische redenen ook ecologische motieven verbonden aan municipalisering?

“We leven in een tijdperk van klimaatcrisis. We moeten dringend werk maken van een duurzame energietransitie. De grote private energiebedrijven zijn echter niet geëngageerd genoeg. Ze beschikken immers nog over grote fossiele brandstofreserves die ze te gelde willen maken.

In landen zoals Denemarken en Duitsland zijn er dan ook veel stedelijke energiebedrijven en energiecoöperatieven die zich richten op de lokale productie en distributie van hernieuwbare energie. Lokale overheden hebben er belang bij dat hun burgers kunnen wonen in een gezonde omgeving en kunnen genieten van hernieuwbare en betaalbare energie.

‘We moeten dringend werk maken van een duurzame energietransitie. De grote private energiebedrijven zijn echter niet geëngageerd genoeg’

Door in te zetten op stedelijke energiebedrijven kunnen werknemers en burgers opnieuw controle krijgen over hun energievoorzieningen. Het is door deze vormen van energiedemocratie dat energie terug in het teken kan komen te staan van mensen en de draagkracht van de natuur.

De ecologische voordelen hebben niet alleen betrekking op energie. Lokale overheden zetten zich in om de afvalberg te verkleinen en het waterverbruik te verminderen. Private afvalbedrijven redeneren anders. Meer afval betekent immers meer winst.

Om dezelfde redenen zijn private waterbedrijven niet geïnteresseerd om de vervuiling van water te voorkomen. Water zuiveren is immers een zeer winstgevende economische activiteit waarbij ook heel wat chemicaliën te pas komen.

Parijs toont aan dat het anders kan. De stad draaide de privatisering van het waterbedrijf terug. Sindsdien werkt Eau de Paris samen met de boeren van het omliggende platteland om het gebruik van pesticiden te verminderen. Zuiverder water stroomopwaarts van de Seine betekent minder dure zuiveringschemicaliën en dus ook goedkoper drinkwater voor de Parijzenaars.

Het toont aan dat sociaal én ecologisch perfect samengaan dankzij de publieke eigendom van nutsvoorzieningen.”

Wat is eigenlijk het fundamentele verschil tussen de publieke sector en de private sector?

“Sta mij toe van een fundamenteel punt te maken. De waarden van de publieke sector draaien rond universaliteit en betaalbaarheid. Universaliteit betekent dat de dienstverlening toegankelijk moet zijn voor alle inwoners van een stad of land. Private dienstverleners zijn vooral geïnteresseerd in de gebieden waar ze het meeste winst kunnen maken.

‘Private dienstverleners zijn vooral geïnteresseerd in de gebieden waar ze het meeste winst kunnen maken’

Betaalbaarheid is de hoeksteen van de sociale missie die de publieke sector uitvoert. In Spanje en het Verenigd Koninkrijk kunnen 10 tot 20 % van de families hun energiefactuur niet betalen. Private nutsbedrijven kunnen gemakkelijker een klant laten vallen als er geen wettelijke beschermingen voorzien zijn. Energie zou een publiek goed moeten zijn waar iedere burger recht op heeft.

Ik zou durven zeggen dat de bescherming van werknemers ook een belangrijke publieke waarde is. Goede loon- en arbeidsomstandigheden vertalen zichzelf in kwaliteitsvolle dienstverlening. Je moet de werknemers van de publieke diensten naar waarde schatten.

Reddingswerkers, brandweermannen, politieagenten en verplegers zijn in Japan ongelooflijk toegewijd aan hun taken. Deze plichtstrouw staat in schril contrast tot het opportunisme van private spelers in PPS-constructies. Ze doen er vaak alles aan om geen diensten te moeten leveren in geval uitzonderlijke omstandigheden zich zouden voordoen.

Het is daarom ook belangrijk om te kijken wat de afgesloten contracten daarover zeggen. Eigenlijk is het wraakroepend. Een ramp doet zich voor en overheden moeten eerst onderhandelen met de private partner om te zien wie wat moet doen. Dit komt helaas vaker en vaker voor.”

PPS heeft ook een kwalijke reputatie als het aankomt op het afleggen van verantwoording. Op welke manier kunnen stedelijke diensten en bedrijven beter doen?

“PPS-contracten zijn notoir complex. Overheden betalen zich blauw aan advocaten om ze te doorgronden en op te maken. Advocatenkosten vertegenwoordigen gemiddeld wel tien tot twintig percent van het budget. Dat komt ook doordat lokale besturen vaak gerechtelijke stappen moeten zetten om zelfs maar inzage te krijgen in de boekhouding van de private partner.

Een sprekend voorbeeld komt uit Berlijn waar de lokale raadsleden niet eens het PPS-contract mochten inkijken. Het vergde een heus burgerreferendum om dit uiteindelijk mogelijk te maken. Overheden daarentegen zijn gebonden aan transparantie. Publieke eigendom stelt burgers ook in staat om collectieve keuzes te maken over de diensten die zij willen. Ze zijn dus een belangrijke voorwaarde voor economische democratie.

‘De overdracht van private eigendom in publieke handen is op zichzelf niet voldoende om corruptie te bannen’

De overdracht van private eigendom in publieke handen is op zichzelf niet voldoende om corruptie te bannen. We hebben ook nood aan democratische, transparante beslissingsstructuren die we ter verantwoording kunnen roepen. In Spanje maken politieke burgerplatforms zoals Barcelona En Comu daar volop werk van door werknemers en burgers te betrekken bij de organisatie van de dienstverlening.

Deze participatie kan alleen maar werken indien er volledige transparantie is over financiële en operationele informatie. Je kan nog een stap verder gaan door sommige zitjes in de raden van bestuur te reserveren voor werknemers en burgers. Zo creëer je een klimaat van betrokkenheid en machtsdeling waarin corruptie weinig kansen krijgt.”

Tot slot, welke bijdrage kunnen vakbonden leveren in de strijd van de pro-publieke beweging voor democratische, participatieve en doeltreffende publieke diensten?

“De werknemers van de publieke diensten zijn er voor de burger. Het is wat hen drijft en motiveert. Ze maken overigens ook zelf deel uit van de gemeenschappen waaraan ze diensten leveren. Daardoor kunnen ze kijken naar de publieke diensten vanuit het perspectief van werknemer én gebruiker. Net daarom is de bijdrage van vakbonden uit de publieke sector cruciaal.

‘Coalities tussen vakbonden en burgers zijn bijzonder krachtig. In Indonesië en Nigeria slaagden ze erin om de privatisering van de waterbedrijven ongedaan te maken’

Vakbonden kunnen grote overwinningen boeken als ze de gebruikers betrekken in hun strijd voor betere publieke diensten. De strijd van vakbonden kan zich niet alleen beperken tot goede loon- en arbeidsomstandigheden. Ze moeten ook opkomen voor de niet-werkgerelateerde belangen van werkende mensen en burgers.

Er zijn veel goede voorbeelden van dit “sociaal syndicalisme” of “gemeenschapssyndicalisme.” In Canada, Noorwegen, Italië en Uruguay namen vakbonden het voortouw in de progressieve strijd. In Colombia bieden vakbonden van de publieke waterbedrijven assistentie aan volkswijken die door de staat “vergeten” zijn.

Coalities tussen vakbonden en burgers zijn bijzonder krachtig. In Jakarta (Indonesië) en Lagos (Nigeria) slaagden ze erin om de privatisering van de waterbedrijven ongedaan te maken. We hebben nood aan meer van dat soort overwinningen. Ze komen in de media en inspireren mensen uit andere steden om hetzelfde te doen.

Vakbonden en organisaties zoals Transnational Institute moeten de verhalen vertellen van lokale gemeenschappen die zich inspannen voor betere, meer democratische en universele publieke diensten.Er bestaan wel degelijk alternatieven voor de nefaste privatiseringspolitiek.”

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Auteur: Dries Goedertier

Dries Goedertier is als onderzoeker verbonden aan de vakgroep geschiedenis van de Universiteit Gent. Sinds 2015 werkt hij als adviseur voor de studiedienst van ACOD.

Auteur: Robrecht Vanderbeeken

Robrecht Vanderbeeken is filosoof, auteur van ‘Buy Buy Art. De vermarkting van kunst en cultuur’ (2015, EPO) en algemeen secretaris van ACOD Cultuur.