Catalonië op weg naar onafhankelijkheid

 Leestijd: 9 minuten7

Een handleiding voor een beter begrip voor het Catalaanse verlangen naar onafhankelijkheid. Of hoe intimidatie, repressie en manipulatieve framing de twijfelaars richting een onafhankelijk Catalonië drijven.

6 oktober 1934. De Catalaanse president Lluís Companys kondigt de republiek Catalonië af. Hij wil meer precies een ‘Catalaanse staat binnen de Spaanse republiek’. Companys wenst hiermee Spanje niet de rug toe te keren. Hij wil ervoor zorgen dat Catalonië zijn eigen koers kan varen, ook als Spanje in ‘verkeerde handen’ terecht zou komen.

De jonge Spaanse republiek wordt op dat moment immers belaagd door monarchisten en door extreemrechts die samen een greep naar de macht wagen. In heel Spanje zijn arbeidersorganisaties begin oktober de straat opgetrokken om te reageren tegen deze couppoging, die vanuit het parlement wordt geregisseerd door de extreemrechtse partij CEDA. Die heeft de regering laten vallen en zelf in het nieuwe kabinet plaatsgenomen.

In het industriële bolwerk Barcelona kondigt op 5 oktober een unitaire arbeidersalliantie de algemene werkstaking af. Omdat ze zich apolitiek acht, houdt de machtige anarchosyndicalistische bond CNT zich afzijdig. Companys, leider van de drie jaar eerder opgerichte linkse nationalisten Esquerra Republicana de Catalunya (ERC), weigert in te gaan op de vraag van de stakende arbeiders om ze te bewapenen.

Barcelona ligt plat en het zijn zeker niet de Mossos d’Esquadra, de lokale Catalaanse politie, die dit kunnen of willen verhinderen. Het is deze druk van onderuit die Companys heeft aangezet tot zijn proclamatie. Bij het verlaten van het balkon zou hij gezegd hebben: ‘Nu kunnen jullie niet meer beweren dat ik onvoldoende catalanist ben’.

Estelada flags during a rally in support of a referendum on Catalan independence. Catalonia's regional President Carles Puigdemont has announced that the region would hold a referendum on independence from Spain on October 1, 2017. Barcelona, Spain, on June 11, 2017. Photo by Donat Sorokin/TASS/ABACAPRESS.COM Reporters / Abaca

Catalaanse vlaggen tijdens de pro-referendum bijeenkomst op 11 juni in Barcelona. (foto: (c) Donat Sorokin Reporters / Abaca)

‘Voor Catalonië!’

In de vroege ochtend van 7 oktober 1934 dringen Guardia Civil en militairen het paleis van de Generalitat binnen en arresteren Companys en zijn ministers. Samen met de burgemeester van Barcelona, Carles Pi i Sunyer, worden ze gevangen gezet op een vrachtschip in de haven. In totaal laten 46 mensen het leven in de mislukte demarche.

Catalonië verliest zijn autonomiestatuut en tegen Companys wordt een gevangenisstraf van dertig jaar uitgesproken. De overwinning van het linkse Volksfront in 1936 brengt hem terug op vrije voeten en gedurende de Spaanse Burgeroorlog (1936-1939) zal hij opnieuw de Catalaanse regering aanvoeren. Maar na de republikeinse nederlaag in de lente van 1939 wacht hem ballingschap in Frankrijk.

Wanneer de nazi’s Frankrijk bezetten en de andere helft van het land hun marionettenregime wordt, leveren ze Companys uit aan Franco. Hij wordt gefolterd en ter dood veroordeeld. Op 15 oktober 1940 wordt Companys geëxecuteerd. Hij weigert de blinddoek en roept ‘Per Catalunya’, ‘voor Catalonië’.

Een halve eeuw later vragen de Duitse kanselier Helmut Kohl en de Franse president François Mitterrand namens hun respectievelijke staten pardon voor de uitlevering en gewisse dood van Lluís Companys.

Intimidatie en repressie

20 september 2017. In de Cortes, het Spaanse parlement, neemt het jonge Kamerlid Gabriel Rufián het woord namens zijn fractie, de Esquerra Republicana de Catalunya, de inmiddels 86 jaar oude dame van het politieke catalanisme. De kleinzoon van uit Andalucía geïmmigreerde arbeiders – in het Catalonië van vandaag is dat geen uitzondering – is fractieleider.

Diezelfde ochtend is de Guardia Civil regeringsfunctionarissen – partijgenoten en vrienden van Rufián – komen arresteren. Ze waren betrokken bij de praktische voorbereiding van het referendum van 1 oktober waarin de Catalanen zich over de onafhankelijkheid kunnen uitspreken.

De rechtse regering in Madrid volhardt in de enige strategie die ze tot nu toe tegenover die Catalaanse aspiraties heeft ontplooid: intimidatie en repressie.

Het beroep doen op de Guardia Civil roept uiteraard nare herinneringen op. Ook nu denkt de regering in Madrid dat de Mossos d’Esquadra onbetrouwbaar zijn. De rechtse regering in Madrid, een minderheidskabinet dat op de been wordt gehouden door de sociaaldemocratische PSOE en de liberalen van Ciudadanos, volhardt in de enige strategie die ze tot nu toe tegenover die Catalaanse aspiraties heeft ontplooid: intimidatie en repressie.

Tot nader order zijn in Catalonië de independentisten daar niet van onder de indruk. Vooraleer met heel de fractie op te stappen, besluit Rufián zijn korte interventie met twee boodschappen aan Rajoy: ‘Trek je vuile handen van de Catalaanse instellingen’ en ‘Bedenk dat voor elk van ons die je arresteert, er honderden zullen opstaan’.

Foto: Wikipedia Commons

Gabriel Rufian, fractieleider van de Esquerra Republicana de Catalunya. (Foto: Wikipedia Commons)

Inmiddels heeft de Spaanse overheid drie cruiseschepen gehuurd die, in deze context althans, luisteren naar de misleidend lichtvoetige namen Rapsody, Azzura en Moby Dada. Dat ook ditmaal de Catalaanse minister-president, Carles Puigdemont, en de burgemeester van Barcelona, Ada Colau, wekenlang in het ruim zullen opgesloten worden, is weinig waarschijnlijk.

De drie vaartuigen moeten in de havens van Barcelona en Tarragona tijdelijk onderdak bieden aan bijna 5 000 eenheden van Guardia Civil en Policía Nactional die door minister van binnenlandse zaken Juan Ignacio Zoido officieel worden ingezet “om de Mossos d’Esquadra bij te staan in de ordehandhaving en in het verhinderen van het illegale referendum”.

Ook nu roert het volk zich. Dokwerkers weigeren de schepen te bedienen. Tienduizenden trekken de straat op. De anarcho-syndicalistische vakbond CGT, deels een afscheuring en voortzetting van de legendarische CNT, kondigt een staking af.

‘Pujolismo’

Anarchisten zijn er in het hedendaagse Catalonië ook en vandaag zijn ze allesbehalve apolitiek. In het huidige deelstaatparlement telt de CUP (Candidatura d’Unitat Popular), in een coalitie met andere radicaal-linkse krachten, tien zetels.

Na de Catalaanse deelstaatverkiezingen van 27 september 2015 bezorgde deze CUP de huidige regering haar meerderheid op voorwaarde dat die niet zou verzaken aan haar roadmap richting onafhankelijkheid. Dat was geen makkelijke stap voor CUP-woordvoerders als de altijd in activistische t-shirt geklede en op sandalen lopende David Fernàndez of Anna Gabriel, alweer een dochter van geïmmigreerde Andaloesische arbeiders. Voor hen zijn deze politici even rechts als corrupt, maar vandaag wel bondgenoot richting onafhankelijkheid.

Vooralsnog wordt door de Catalaanse regering met geen duimbreed van deze koers afgeweken. Die regering wordt gevormd door de coalitie Junts pel Sí (Samen voor ja), bestaande uit een resem partijen en organisaties onder wie de belangrijkste Convergència Democratica de Catalunya (CDC) en de linkse republikeinen van ERC. Vooral de evolutie van ruggengraatpartij CDC, in het najaar van 2016 omgevormd tot Partit Demòcrata Europeu Català (PDeCAT) mag verbazen.

De partij is de voortzetting of herstichting van het in het laatfranquisme opgerichte Convergència i Uniò. Stichter Jordi Pujol zou in het postfranquisme 23 jaar lang de Catalaanse regering leiden en, zoals inmiddels ook gerechtelijk werd uitgemaakt, zichzelf en de zijnen aanzienlijk verrijken. De familie Pujol vormde de spin in het web van een vastgoedgedreven ontwikkelingsmodel, waarin snel stijgende huizenprijzen, explosief groeiende financiële dienstverleners en groeiende toeristenstromen de langzame neergang van de oude Catalaanse industrie moesten compenseren.

Het was een ontwikkelingsmodel waarin de familie Pujol, allerlei lokale overheden, bouwpromotoren en hypotheekverstrekkers wel heel erg dicht bij elkaar kwamen te staan. Ze hielden elkaar voortdurend de hand boven het hoofd en verdeelden de opbrengsten onder elkaar.

De nieuwe sterke man in het verlengde van het ‘pujolismo’ werd Artur Mas, maar die werd door Madrid gerechtelijk kaltgestellt wegens insubordinatie ten aanzien van het Grondwettelijk Hof. Dat Hof sprak toen een grondwettelijk veto uit tegen elke concrete stap richting zelfbeschikking. Het veto geldt nog steeds en hangt als zwaard van Damocles boven huidig president Puigdemont.

De altijd ietwat makke, nooit op onafhankelijkheid beluste pujolisten (ideologisch een mix van gematigd nationalistische liberalen en christendemocraten) had het tot dan altijd min of meer op een akkoordje kunnen gooien met Madrid. Een aantal keren werd gedoogsteun geleverd om rechtse regeringen op de been te brengen, een aantal keren werden ze ‘ingezet’ om radicalere nationalistische uitingen vanuit Baskenland te temperen.

Willens nillens een buffer optrekken en Catalonië zijn eigen weg laten gaan als Spanje ‘in verkeerde handen’ zit. Op deze strategie ontmoet Catalaans rechts de linkerzijde. 

Het pragmatisme van de pujolisten botste op zijn limieten toen het Grondwettelijk Hof vanuit Madrid het Catalaanse autonomiestatuut deels terugschroefde. Nochtans was dat statuut eerder met Madrid onderhandeld en door een tweederdemeerderheid in het Catalaanse parlement goedgekeurd.

Tussen smadelijk inbinden of de vlucht vooruit, ontstond een breed politiek draagvlak in alliantie met een voornamelijk progressief georiënteerd middenveld voor deze laatste optie. Het kostte Mas de kop – tenminste voor twee jaar uit zijn politieke rechten ontzet – maar de trein richting onafhankelijkheid was vertrokken.

Mas maakte sowieso geen kans om dat proces aan te voeren. De ‘kingmakers’ van de CUP hadden immers ook hún veto tegen de ‘corrupte Mas’ gesteld. Hij werd aan het hoofd van de Catalaanse regering vervangen door de burgemeester van Girona, Carles Puigdemont. Willens nillens een buffer optrekken en Catalonië zijn eigen weg laten gaan als Spanje ‘in verkeerde handen’ zit. Op deze strategie ontmoet Catalaans rechts de linkerzijde. De eersten hopen een min of meer economisch welvarend Catalonië (18,8 procent van het Spaanse Bruto Binnenlands Product) te laten aansluiten bij een eengemaakt Europa.

De anderen wenden zich af van een conservatief, centralistisch regime dat corrupt is, blinde soberheid op de kap van de allerzwaksten organiseert en dromen van een socialistisch Catalonië. Beide kampen worden momenteel bijeengedreven door de onvermurwbare houding van de grote kritische ‘andere’, de Spaanse overheid, maar mocht het ooit tot een ‘los van’-situatie komen, zullen de sociale messen meteen geslepen worden.

Met de rug naar Spanje en de blik naar Europa

Het politieke catalanisme kreeg – zoals andere nationalismen in Europa – gestalte in de 19de eeuw op het ritme van een snelle en succesvolle industrialisering. Om de eigenheid historisch te verankeren – een oefening die alle nationalismen doen – werd teruggegrepen naar het middeleeuwse koninkrijk Aragón. Dat raakte verbonden met Spanje door het huwelijk van Isabella van Castilië met Ferdinand van Aragón en de ‘personele unie’ die hierdoor in 1469 ontstond.

Catalonië, zo heette het in de nationale identiteitsconstructie, zat gekeerd met de rug naar Spanje en met de blik – en de handelsrelaties – op Europa. Maar minstens even determinerend in de nationale identiteitsconstructie was de anti-Catalaanse repressie door de dictatoriale regeringen tijdens de republiek (1934-1936) én uiteraard door veertig jaar Franco-dictatuur (1939-1975) die de linkse dimensie van dat nationalisme versterkten. Telkens Spanje ‘in verkeerde handen’ was, werd het Catalaanse autonomiestatuut in twijfel getrokken of gewoon helemaal afgeschaft.

En hier botsen we op de kern van de zaak. De Spaanse transitie van Franco-dictatuur naar parlementaire monarchie gebeurde vanuit het hart van een dictatuur waarin een aantal ‘verlichte’ geesten, de zogenaamde ‘aperturistas’ die een ‘opening’ nastreefden, begrepen dat haar houdbaarheidsdatum verstreken was.

De halfslachtige consensus die toen beklonken werd, deed op dat moment – tweede helft van de jaren zeventig – iedereen een zucht van opluchting slaken. Geen nieuwe burgeroorlog, einde van de dictatuur, vrijlating van duizenden politieke gevangenen, maar eenzelfde amnestiewet (1977) die tevens de moordenaars en mensenrechtenschenders van de dictatuur buiten vervolging hield.

De nieuwe grondwet die een jaar later op hetzelfde elan in elkaar gestoken werd, voorzag weliswaar de indeling van het land in autonome gemeenschappen – na veertig jaar onderdrukking van die regionale entiteiten tot en met het verbod de eigen taal als officiële taal te gebruiken – maar liet een heleboel zaken ongeregeld zoals herverdeling van middelen, fiscale inkomsten, bevoegdheden…. In plaats van een open dialoog met de gemeenschappen aan te gaan, werden bevoegdheden gegeven en gebruikt als pasmunt voor politieke steun aan deze of gene Spaanse coalitie, zo’n beetje à la tête du client.

Op die manier liepen de spanningen op tussen de verdedigers van de ‘transición’ en krachten – onder wie het linkse Podemos – die voor een heronderhandeling pleiten om tot een nieuwe consensus te komen via een nieuwe grondwettelijke vergadering die Spanje omvormt tot een erkende plurinationale staat.

Maar deze krachten, die in wezen het recht van de Catalanen erkennen om over hun eigen lot te beschikken maar ze tevens willen overtuigen om deel te blijven uitmaken van een ander, meer gefederaliseerd en meer democratisch Spanje, raken geplet tussen de stugge houding van de regering en een aantal massamedia die voor de status quo zijn, en het independentistische proces dat door die stugge houding enkel maar uitgediept wordt.

El País, dat in de rest van Europa als een kwaliteitskrant te boek staat, berichtte afgelopen week over een poging van Podemos-leider Pablo Iglesias om alsnog een dialoog op gang te brengen tussen Catalaanse nationalisten en de Spaanse politieke oppositie die het niet eens is met de intimidatie- en repressiestrategie van de regering-Rajoy.

Iglesias praatte hierover met Puigdemont en wist tal van mensen naar de tafel te lokken, hoewel de cruciale PSOE niet toehapte. Het initiatief staat in het teken van ‘verdediging van de democratie tegenover de PP’. In een eerste fase berichtte El País over het ‘initiatief voor een onderhandeld referendum’ en kort daarop werd dezelfde titel aangepast en sprak men over ‘steun aan het separatisme’. Gevat reageerde Podemos aan El País: ‘Heeft de baas gebeld?’

Testcase voor de hele Spaanse democratie

Het mag dan ook niet verbazen dat intimidatie, repressie en dit soort manipulatieve framing vele twijfelaars richting onafhankelijkheid drijven. Vermits de Catalaanse overheid zich niet laat afbluffen, escaleert het conflict tot de open confrontatie van vandaag. De Catalaanse crisis is intussen een testcase voor de hele Spaanse democratie geworden.

Rajoy lijkt niet over een plan-B te beschikken. Voor hem wenkt ofwel compleet politiek diskrediet én een smadelijke nederlaag als hij de Catalanen laat begaan of… hetzelfde als hij – de facto manu militari – ingrijpt. Wat in wezen een politiek probleem is – de (her)structurering van een natiestaat – pakt hij louter aan door het dossier te juridiseren.

Ook grondwetten en andere fundamentele documenten zijn immers voorwerp van discussie en betwisting. Of hoe dacht u dat we in België van het cijnskiesrecht zijn afgeraakt? Hoe dacht u dat we de sociale zekerheid hebben opgebouwd? Niet bij middel van rechterlijke bevelen, maar via politieke besluiten. De Catalaanse kwestie is inmiddels uitgegroeid tot een democratische kwestie waarbij heel Spanje betrokken partij is. Nieuw is dat niet.

Terwijl in Catalonië arrestatie dreigt voor de minister-president omdat hij de onafhankelijkheid van zijn regio op de agenda zet, worden door ‘onze’ Vlaams-nationalisten de federale ministeries van binnenlandse zaken en defensie bemand.

Sociale protesten werden voordien ook al met intimidatie en repressie beantwoord. Denk maar aan de ‘ley mordaza’, de knevelwet, die gigantische boetes en gevangenisstraffen oplegt aan al wie sociaal protest voert. Wie in het Spanje van de Partido Popular – nogmaals met gedoogsteun van de sociaaldemocratie – een huisuitzetting belet of belemmert, kan bijvoorbeeld een boete van 30.000 euro krijgen.

Dat zegt trouwens ook iets over de selectieve verontwaardiging van N-VA’ers die zich vandaag solidariseren met Catalonië tegen de Spaanse repressie, maar met geen woord reppen over de criminalisering van het antisoberheids- en anticorruptieprotest dat al jaren aan de gang is. Uiteraard is veel van deze solidariteit met de Catalanen louter lippendienst om een deel van de volksnationalistische achterban te paaien.

Terwijl in Catalonië arrestatie dreigt voor de minister-president omdat hij de onafhankelijkheid van zijn regio op de agenda zet, worden door ‘onze’ Vlaams-nationalisten de federale ministeries van binnenlandse zaken en defensie bemand. Je kan je moeilijk voorstellen dat Puigdemont, Rufián of Gabriel ooit het Spaanse leger- en politie-apparaat zullen besturen.

Of ze, zoals Companys, ooit voor een vuurpeloton zullen staan, is al even onwaarschijnlijk. Zal het referendum op 1 oktober praktisch kunnen georganiseerd worden? Of zullen er nog meer invallen en arrestaties plaatsvinden? Zal het straatprotest met pleinbezettingen aanzwellen en zullen de burgemeesters opnieuw tot ‘insubordinatie tegen de grondwet’ overgaan?

Ada Colau, burgemeester van het cruciale Barcelona, stelt dat ze kost wat kost de mensen wil laten stemmen. En als dat lukt, wat erna? En wat als nog meer mensen op straat komen? En wanneer één van de in Catalonië gestationeerde troepen de eerste kogel afvuurt en er doden en gewonden vallen?

Op al die vragen is er vandaag nog geen antwoord. Behalve dat de Spaanse regering over de hele lijn faalt en liever vandaag dan morgen wandelen wordt gestuurd. Dat betekent ook dat de ‘vernieuwers’ van Ciudadanos en de ‘verlinkste’ PSOE van Pedro Sánchez het lot van deze regering – en dus van de confrontatie- en repressiestrategie – in handen houden. Want als deze regering zou vallen, de troepen zouden worden teruggestuurd, de gevangen zouden vrijgelaten worden en de Catalanen vreedzaam naar de stembus zouden kunnen gaan om op basis van de uitslag te onderhandelen met een Spanje dat ‘niet in verkeerde handen’ is… dan konden we besluiten dat de Spaanse democratie na vier decennia eindelijk volwassen is geworden.

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Auteur: Vincent Scheltiens

Vincent Scheltiens is doctor in de geschiedenis, verbonden aan Power in History, het Centrum voor Politieke Geschiedenis van de Universiteit Antwerpen.