Met Brusselse Papenvest verdwijnt hele sociale woonwijk

 Leestijd: 12 minuten0

Terwijl de nood aan betaalbare woningen hoog is, schrapt Brussel meer dan honderd sociale woningen in de Papenvest-wijk, op een steenworp van de trendy Dansaertstraat. Ze worden vervangen door flats voor middenklassers. Raf Custers schetst in een gastbijdrage uitgebreid de situatie en vraagt zich af waarom Brussel een sociale woonwijk in het hartje van de stad schrapt.

Het hing jarenlang in de lucht, maar vorige zomer is het beslist: de vijf woonblokken aan de Papenvest in hartje Brussel worden gesloopt. De Brusselse Woning, eigenaar van de site, belooft nieuwe sociale woningen èn middenklassewoningen, en ondergronds 300 parkeerplaatsen. De eerste selectie is bezig van het bureau dat de werken zal uitvoeren.

Niet alle 300 huurders en hun gezinnen zullen kunnen terugkeren. Want de nieuwe site zal meer dan 100 sociale woningen minder tellen. Terwijl de nood aan woningen in Brussel hoog is.

De Vijf Torens, met op de achtergrond Molenbeek en de Brunfaut-toren ((c) Google)

De Vijf Torens, met op de achtergrond Molenbeek en de Brunfaut-toren (Foto: (c) Google)

Uitgebreid renovatieprogramma

Het nieuws dateert van 30 juni 2016. De vijf woontorens aan de Papenvest worden gesloopt. Dat zijn de stad Brussel en de Brusselse regering overeengekomen. De stad en de eigenaar van de site leggen 73,5 miljoen euro samen voor een gezamenlijk project. In hun persbericht luidt het zo:

Het project plant de afbraak van 314 bestaande sociale woningen en de heropbouw van 350 nieuwe woningen waaronder 210 sociale woningen en 140 woningen voor middeninkomens, beheerd door de Brusselse Woning en door de Stad Brussel. (…) Het project neemt ook een ondergrondse parking op.

De achterhaalde bouwvorm en het gebrek aan isolatie van de 5 woontorens waren een bron van hinder, ongezondheid en ongemak geworden voor de ongeveer 850 huurders waarbij we nog niet spreken over de zware energie-uitgaven waar ze mee geconfronteerd worden.

Er wacht de Papenvest-dus een “uitgebreid renovatieprogramma”.

De middenklassewoningen zullen door de Grondregie van de stad worden beheerd. Dat blijkt uit de beraadslaging in de Brusselse gemeenteraad van 7 november 2016. Raadslid Marie Nagy (Ecolo, oppositie) merkt dan op dat hier een zware verdichting van de bewoning zal plaatsvinden. Terwijl deze wijk al één van de dichtst bevolkte wijken is van het hele Brusselse Gewest.

Ook het plan voor een ondergrondse parking stuit er op kritiek. De stadsactivisten van de Vijfhoek vermoeden dat de Vijf Torens ook gesloopt moeten worden precies om die parking met 300 plaatsen te kunnen bouwen. Ter informatie: in 2015 is ruim protest gerezen tegen een nieuwe ondergrondse parking die het stadsbestuur vlakbij aan de Nieuwe Graanmarkt wilde bouwen.

Weg, die barrière!

De vijf woontorens zijn in Brussel bekend als de Vijf Blokken. Ze staan op een driehoekig perceel van 1,4 hectare aan de Papenvest, dat in hartje Brussel en vlak naast de trendy Dansaertstraat ligt. Het beheer is in handen van de Brusselse Woning (voorheen de Brusselse Haard), de sociale woningmaatschappij waarvan de stad Brussel de hoofdaandeelhouder is. De gebouwen zijn meer dan 50 jaar oud, ze waren klaar in 1966.

Ze zijn getekend door architecten van de Groupe Structures. Deze groep had enkele jaren eerder al de Pottenbakkerssite (‘Potiers’) met twee woontorens achter het Anneessensplein getekend.

Architecten gaan ervan uit dat zulke gebouwen na 30 jaar aan een grondige renovatie toe zijn. Maar die renovatie heeft hier nooit plaatsgevonden. De Brusselse Haard wist in welke staat de torens verkeerden, want het hoofdkantoor van de maatschappij was tot voor kort in één van de vijf torens gevestigd. Waarom deed zij dan niets?

De site was de woonmaatschappij namelijk een blok aan het been

“Omdat er geen cent in kas was, pas un ombre d’un kopek“, zegt Philippe Veevaete, technisch directeur van de Brusselse Woning, “Pas vanaf de jaren 2000 stelde het Brussels Gewest meer middelen ter beschikking”.

Was het geld er wel geweest, dan nog had de Brusselse Haard het allicht niet aan de blokken aan de Papenvest willen besteden. De site was de woonmaatschappij namelijk een blok aan het been.

Twintig jaar geleden, bij haar 75ste verjaardag, schreef de Brusselse Haard dat “de torengebouwen tal van problemen hebben veroorzaakt voor de aansluiting op de aangrenzende woonblokken, die nooit opgelost werden”. Daardoor lagen er toen “niet minder dan zeven braakterreinen tegenover de gebouwen te wachten op reconstructie of herinrichting (…) die strategische plaatsen vormen voor het imago van de wijk”.

Net zo keken ook opeenvolgende generaties van Brusselse bestuurders naar de Vijf Blokken, ze waren ze liever kwijt dan rijk. Sommigen waren zich perfect bewust van de waarde van de gronden, in het centrum van Brussel, op de immobiliënmarkt.

Een politicus van CD&V-signatuur zou in de jaren 1990 als eerste geopperd hebben dat de torens afgebroken moesten worden. Binnen de Brusselse PS werd over de woontorens gesproken als over een barrière in de stad die de ontwikkeling van de achterliggende buurt (ooit bekend als de Duivelshoek) verhinderde. En zo stond het ook in het herdenkingsboek:

Door hun gordijngevels en hun te gedrongen opstelling hebben de gebouwen het karakter van een muur, een stedelijke barrière die de naburige wijk, Duivelshoek genoemd, geïsoleerd heeft, geklemd tegen de ringlanen rond het stadscentrum.

En, alsof het de schuld van de Vijf Torens was, werd dan tussen haakjes toegevoegd: (De Duivelshoek heeft vandaag de minste voorzieningen van het centrum).

Torenfobie

Sommigen waren zich perfect bewust van de waarde van de gronden, in het centrum van Brussel

De socialisten met voorop burgemeester Freddy Thielemans (PS) leden aan “een torenfobie”. Dat zegt architect Marcel Rijdams.

In 1996 was hij met “een alternatief en humoristisch getint project” op de proppen gekomen om “de vormeloze ruimten rond de gebouwen van de Brusselse Haard opnieuw tot leven te brengen”. Vijf jaar later kwam hij voor Groen/Ecolo in de Brusselse gemeenteraad, die hem begin 2002 tot bestuurder van de Brusselse Haard aanstelde. Daar zat Rijdams op de eerste rij om de peripetieën met onder meer de Vijf Torens te volgen.

Toen in 2004 toenmalig staatssecretaris Alain Hutchinson (PS) nog maar eens met een sloopplan afkwam, schreef Rijdams aan Hutchinson dat slopen “vanuit een optiek van duurzame stadsontwikkeling” onaanvaardbaar was.

“Ik begrijp die sentimenten tegen bepaalde types van bewoning niet”, lezen we in die brief, “want ze berusten op een bepaald imago (van de Vijf Blokken, rc) en de negatieve waarden die men daarmee associeert. Ze houden geen rekening met de sociale, culturele en economische werkelijkheid”.

In 2002 werd aan de Papenvest-site een sportzaal gebouwd. Verder is daar sinds de jaren 1990 niets structureels gebeurd. De Torens zijn sinds de jaren 1990 verwaarloosd. De Brusselse overheden hebben de site tot een bidonville laten verworden. De blokken heten nu “afgeleefd”, “troosteloos”, “grauw” te zijn, “een relikwie uit het voormalige Oostblok”.

Maar hoe er al die tijd over de Papenvest-site is gesproken, dat drukt een stigma op de mensen die er wonen. Het bepaalt ook op voorhand de uitkomst van de reflecties over de vernieuwing.

Technocratisch en onwerelds

Hoe er al die tijd over de Papenvest is gesproken, drukt een stigma op de mensen die er wonen

Philippe Veevaete van de Brusselse Woning noemt de Vijf Torens “een aberratie, une hérésie“. Veevaete verdedigt de keuze van het beleid: ‘slopen!’ en hij staaft het sloopplan met technische argumenten. De appartementen zouden er te klein zijn, de kosten voor isolatie te hoog enzovoort.

Maar dit is de technicus die spreekt, de technisch directeur bovendien van een organisme dat luistert naar de Brusselse beslissers. Welke hun motieven zijn, weten alleen zijzelf.

Architect (en ervaringsdeskundige) Marcel Rijdams : “destijds kon ik ook vanuit mijn publieke functie niet achterhalen waar de kameraden socialisten hun ideeën vandaan haalden. Over zo’n belangrijke zaken was er geen publiek debat, maar ook geen intern debat”.

Het oorspronkelijke ontwerp van de Groupe Structures getuigde van een “technocratische, bijna onwereldse spirit”. Zo stond het enkele jaren geleden in een studie over Structures.

Maar het plan dat de stad Brussel en de Brusselse Woning de komende jaren aan de Papenvest willen realiseren, is even technocratisch. Twintig jaar al kijkt het beleid naar de huurders van de Papenvest als naar een probleemgroep. Wordt het dan nu anders? Houdt het vandaag wèl rekening met de bewoners?

Minstens even belangrijk als de technische oplossing is de mindset die vandaag dit project inspireert: met welke mentaliteit worden de Vijf Torens nu aangepakt?, welke oplossingen levert dat op, op korte, middellange en lange termijn?, valt daarmee te leven?. Veel vragen en de antwoorden zijn lang niet allemaal ingevuld.

De Vijf Torens zijn ongeveer hetzelfde en zijn allen in slechte staat. (Foto: (c) Google Streetview)

De Vijf Torens zijn ongeveer hetzelfde en zijn allen in slechte staat. (Foto: (c) Google Streetview)

Mixité sociale

De bewoners zijn ongerust over wanneer ze weg moeten, wie als eerste moet vertrekken en waar ze zullen terechtkomen. De eerste faze van de werken zou niet vroeger dan 2020 starten. In ieder geval zal de nieuwe site 104 sociale woningen minder tellen dan de huidige. De stad Brussel belooft elders 100 nieuwe sociale woningen te zullen bouwen.

Maar waar is niet bekend. Het zou evengoed ver van het centrum in Neder-Over-Heembeek of Haren, deelgemeenten van de stad Brussel, kunnen zijn.

De huurders van de Papenvest moeten wel als een klein dorp aan elkaar hangen, om in deze omstandigheden zo goed en harmonieus te leven als daar mogelijk is. Hoe ze dat klaarspelen, kan niemand exact vertellen. Maar dat is geen aberratie, dat is de ontastbare code van deze wijk, een reële cohesie. En het beleid moet daarmee rekening houden.

De huurders moeten als een klein dorp aan elkaar hangen, om in deze omstandigheden zo goed en harmonieus te leven

In 2012 maakte het bureau AT Osborne een “doorgedreven studie met verscheidene scenario’s voor een réqualification”, zegt Philippe Veevaete. Veel hangt in zo’n geval af van de vraag die aan het studiebureau wordt gesteld. “Wij” aldus Philippe Veevaete “opteerden voor une mixité sociale en voorzagen dat er een 70-tal middenklassewoningen moesten komen”.

Beliris, de schakel tussen Brussel en de federale overheid, was bereid voor de studie te betalen.

Volgens Veevaete werd naar alle aspecten gekeken, de stabiliteit en de structuur van de gebouwen, de stedelijke omgeving, de mobiliteit enzoverder, want intussen golden nieuwe en veel strengere Europese criteria, waaraan elk groot bouwproject moet voldoen.

De studie werd in fasen afgeleverd, maar de resultaten zijn niet publiek beschikbaar. Eén scenario voorzag kennelijk dat een aantal verdiepingen zou worden afgebroken, maar dan zouden er veel woningen verloren gaan. Dat scenario werd snel losgelaten, omdat volgens Veevaete “Brussel een bevolkingsexplosie kent en 40.000 gezinnen op zoek zijn naar een woning”.

Politieke beslissing

De studie van toen mondde vorig jaar uit in de politieke beslissing om te slopen en nieuwe woningen te bouwen. Onder druk van de stad Brussel is de zogenaamde ‘mixité’ nadrukkelijk naar méér middenklassewoningen opgeschoven. De verhouding wordt 60 procent sociale woningen en 40 procent middenklassewoningen.

Eén van de eerste observatoren die dat opmerkten, was Werner Van Mieghem van de Brusselse Bond voor het Recht op Wonen. Op 30 juni, toen het verdict over de woontorens werd meegedeeld, betreurde hij dat stad en woningmaatschappij de sociale woningen terugdringen en tot tegen de limiet van de middenklassewoningen willen gaan. Want die grens is wettelijk vastgelegd.

“Bij de Brusselse Woning weten ze goed wat de wet bepaalt “, zegt Werner Van Mieghem. “Sla de Brusselse Huisvestingscode er maar op na. Zij legt aan de Openbare Vastgoedmaatschappijen een limiet voor middenklassewoningen op van 20 procent, niet meer.” In de Code uit 2014 is onder punt-9 echter een uitzondering ingebouwd. De Brusselse regering kan de grens verhogen van 20 tot 40 procent “in geval van met redenen omklede omstandigheden”. Dat heeft de regering dus voor de Papenvestsite gedaan.

Als Brussel méér middenklassewoningen mag toelaten, dan stijgt het rendement van haar gronden

Waarom? “Om Brussel over de streep te trekken”, vermoedt Van Mieghem. Versta : als de stad méér middenklassewoningen mag toelaten, dan stijgt het rendement van haar gemeentelijke gronden. De afwijking in de Brusselse Huisvestingscode is er dus allicht na enig gemarchandeer gekomen.

“Trouwens”, zegt Marcel Rijdams, “als ze staan op de mixité sociale, waarom eisen ze die dan niet van CanalDistrict?”

Dat privé-bouwproject van de groep BesixRed nadert de afwerking. Het ligt aan de Onze-Lieve-Vrouw-van-Vaakstraat en pal tegenover de Papenvest-site. Het wordt een gated community, enkel toegankelijk voor de bewoners, en niet met sociale woningen maar met rijkeklassewoningen.

Elders in de wijk zal de Erasmus-hogeschool 1000 studentenwoningen optrekken. Deze projecten zetten grote druk op de wijk en sturen haar in de richting van grootschalige initiatieven met de uitdrukkelijke bedoeling een ander type bevolking in de stad te doen neerstrijken. Dat de bestuurders de middenklasse in Brussel willen houden of haar ernaartoe willen krijgen, is één ding. Maar aan de Papenvest gaat dat ten koste van een aanzienlijke groep hoofdzakelijk precaire mensen.

Slopen? Van geval tot geval

Midden december 2016 heeft de Brusselse Woning de procedure in gang gezet voor wat zij ‘de heraanleg’ (in het Frans la reconfiguration) van de Papenvest-site noemt. Zij riep ingenieurs- en architectenbureaus die de ‘heraanleg’ willen realiseren op om zich kenbaar maken.

Uit een dertigtal voorstellen worden er vijf geselecteerd (“tegen het begin van de herfst”, aldus de Brusselse Woning) die op basis van een gedetailleerd lastencohier een finaal plan mogen voorstellen. Uit die vijf wordt volgend jaar het bureau gekozen dat het contract voor de sloop en nieuwbouw krijgt. Het lastencohier wordt momenteel (augustus 2017) met assistentie van AT Osborne opgesteld.

In de oproep van december staat het fatale woord “afbraak” opnieuw zwart op wit op papier. Maar moeten de vijf woontorens ook echt afgebroken? Wordt dat volgens het lastencohier de eerste opdracht? Zijn de blokken echt in zo’n belabberde staat dat niets meer baten kan? Of gaan achter deze optie toch weer andere, intieme opties schuil die voor de buitenwacht onpeilbaar zijn?

Architect Pierre Blondel (die de sportzaal voor de Papenvest ontwierp) hakt die knoop niet resoluut door. “Afbreken of renoveren, dat moet je geval per geval beoordelen”, zegt hij in zijn kantoor aan het Flageyplein.

‘Afbreken of renoveren, dat moet je geval per geval beoordelen’

Zo werkt hij in de praktijk. In Sint-Joost, vlak achter hotel Bloom (Koningsstraat), werkt hij het Musin-project af. Blondel oordeelde dat de renovatie van het bestaande woonblok duurder zou uitkomen dan slopen en bouwen. En dat werd uiteindelijk de optie, zodat hier een glimmend wit, nieuw appartementsgebouw is opgetrokken.

Aan de Pottenbakkerssite vlakbij het Anneessensplein ging het anders. Deze site (van detzelfde architecten als de vijf Papenvest-torens en iets ouder) krijgt wèl een zware renovatie, omdat het volgens Pierre Blondel technisch mogelijk en economisch verantwoord was.

Marcel Rijdams is kordater. Hij gelooft niet dat de gebouwen er zo erg op achteruit gegaan zijn dat ze niet op te takelen zijn. “De Vijf Blokken zijn inderdaad een moeilijke erfenis uit het verleden”, schreef hij een tijd terug, “ze zijn helemaal geen geniale maar eerder een brutale aanslag op het stedelijk weefsel. Maar vanuit duurzaam denken is het altijd beter te behouden wat men heeft, en ook het geërfde zestigerjaren patrimonium verdient om correct behandeld te worden”.

Bois-le-Prêtre-toren in Parijs. (Foto: (c) victortsu / Flickr)

Bois-le-Prêtre-toren in Parijs. (Foto: (c) victortsu / Flickr)

Geslaagde renovaties: voorbeelden genoeg

Voorbeelden van geslaagde renovaties zijn er genoeg. Zelfs van zware renovaties zonder verhuis. In Parijs bij voorbeeld is de Bois-le-Prêtre-toren vernieuwd, terwijl de mensen (96 gezinnen) er bleven wonen. Guillaume Meigneux draaide met de bewoners de warme documentaire ‘Habitations Légèrement Modifiées’.

Dit was “een radicaal kantelmoment in de manier waarop het beleid de grote woonensembles aanpakte”. De Bois-le-Prêtre werd tussen 1959 en 1961 opgetrokken en is dus ook enkele jaren ouder dan de Vijf Torens. Maar de beslissing om Bois-le-Prêtre te renoveren, dateert van 2002. De hoofden van de Brusselse bestuurders waren toen nog lang niet op renovatie ingesteld.

Een ander voorbeeld is het Markisches Viertel in Berlijn. Je reinste Oostblok-architectuur. Maar in 2014 hadden ze daar wel bijna driekwart van de 13.300 woningen (!) “gesaneerd” en de site omgevormd tot “de grootste energie-zuinige nederzetting van Duitsland”. Deze blokken waren in 2014 net vijftig jaar oud.

En op roepafstand van de Vijf Blokken, in Molenbeek, aan de overkant van het kanaal, staat de Brunfaut-toren, ook wel eens “de zesde toren” genoemd. In 2011 is daar gekozen voor renovatie. Bewoners en buren (via de buurtwerking van La Rue) hebben zich het lot van dat gebouw aangetrokken en voorkomen dat de Brunfaut-toren wordt gesloopt.

Daar blijft er evenveel woonruimte als er was èn worden er zelfs vijf nieuwe verdiepingen worden toegevoegd. Aan de bewoners is ook de garantie gegeven dat, als ze dat willen, zij als eersten weer naar de vernieuwde Brunfaut-toren kunnen verhuizen.

Wat dan met de Vijf Torens ?

Voor de Vijf Blokken is er meermaals nagedacht wat daar kon gebeuren. Marcel Rijdams met name stelde in 1996 het Metamorfose-plan voor, toen al met wat vandaag een intergenerationele inslag wordt genoemd en veel aandacht voor de inrichting van de publieke ruimte rond de torens. Het plan voorzag een hangende tuin gemaakt met recuperatiemateriaal, de aanleg van een rozentuin en een openluchttheater en veel ontspanningsmogelijkheden.

De eerste architect had wel de woontorens getekend, maar niet de lege ruimte daarrond

Een jaar later organiseerde de Brusselse Haard een architectuurwedstrijd voor de Vijf Blokken. Pierre Blondel, die nog niet goed ingebed was in de Brusselse circuits, deed hors concours mee. Zijn ontwerp blijft tot vandaag een referentie. Blondel voorzag extensies aan de vijf woontorens, met terrassen op de verdiepingen en een betere aansluiting bij de aanpalende woningen.

“Want”, zegt Blondel, “de eerste architect had wel de woontorens getekend, maar niet de lege ruimte daarrond. Ze voelden zich gedeconnecteerd, en recul ten opzichte van de overkant van de straat”. Hij stelde een verbouwing in fazen voor, een Opération Tiroir: bouw eerst een nieuwe woontoren en begin dan pas met de eerste ontruiming zodat een eerste groep bewoners naar die extra-toren kan verhuizen.

Met de resultaten van de wedstrijd van 1997 is niets gedaan. Waarom is niet duidelijk.

Maar het was bekend dat sommige bestuurders van de Brusselse Haard aanpapten met privé-promotoren. Het gerucht circuleerde zelfs dat er een deal was met een promotor die de woontorens zou slopen. “Dat gerucht is me door Jean-Baptiste De Cree, toen de voorzitter van de Brusselse Haard, nooit tegengesproken of bevestigd”, aldus Marcel Rijdams.

Blondel mocht later aan de Vijf Blokken de sportzaal bouwen. Hij liet de Papenvest-straat versmallen (“ze hielden daar rodeo’s”) zodat de Brusselse Haard het gewonnen terrein kon ruilen met de stad Brussel die de sportzaal optrok.

Architect Philippe Samyn (nu ‘beroemd’ als de tekenaar van Het Ei in de Wetstraat waar de Europese ministerraad vergadert) won een volgende wedstrijd met zijn voorstel om onder meer langs de Papenvest-straat een nieuwe, kleinere toren te bouwen en vervolgens stap voor stap de bestaande torens te vernieuwen. Maar Samyn’s idee bleek tè high-tech en onrealistisch en werd opgeborgen.

Dat de bewoners aan de torens over meer publieke ruimte beschikken, is cruciaal voor Pierre Blondel. Eén van de onofficiële scenario’s van de Brusselse Woning voorziet echter dat op de Papenvestsite twee nieuwe gesloten gebouwen (ilôts) komen met binnenkoeren die enkel voor de bewoners toegankelijk zouden zijn. Tekeningen met dat concept zijn in september 2016 tijdens een informatie-vergadering aan de bewoners getoond.

Hoe omgaan met de stad ?

De context stuurt de Papenvest de dure kant op. Moeilijk denkbaar dat de mensen die er wonen dat willen.

Het project wordt niet aan een commerciële operator overgedragen, zoals Marcel Rijdams in september nog vreesde. De Brusselse overheden houden zelf het beheer in handen. Op zich is dat positief.

Is het dan voor altijd gevrijwaard van commerciële exploitatie? Zeker voor de 140 middenklassewoningen van de Regie van de stad Brussel is dat niet zeker. Want, om maar iets te zeggen, wat als er in het stadhuis een andere politieke meerderheid gaat besturen die maximaal aan het patrimonium wil verdienen?

Bovendien speelt nu al het Kanaalplan mee, één van de strategische plannen van het Brusselse Gewest. Er zijn acht Brusselse gemeenten bij betrokken. Het plan, gestart in 2014 (en niet te verwarren met het gelijknamig veiligheidsplan uit 2016 van minister voor Binnenlandse Zaken Jan Jambon), heeft de ambitie om Brussel als groeipool op de kaart te zetten. Het voert daarvoor een actieve marketing, tot in China toe.

Potentiële ‘partners’ kunnen alleen warm gemaakt worden als het imago van Brussel hen aanstaat. In dit stadium gaat veel aandacht naar een handvol demonstratieprojecten. De Heyvaert-wijk aan het kanaal in Anderlecht hoort daarbij, de Anneessens-wijk vooralsnog niet. Maar de website van het Kanaalplan verwijst expliciet naar de Papenvest omdat de site ‘een nieuw gezicht krijgt’.

De gewestelijke overheid is trekker, maar ze verwacht veel van privé-investeerders en zogenaamde publiek-private partnerships.

Heel die context stuurt de Papenvest-site de dure kant op. Het is moeilijk denkbaar dat de mensen die er wonen net dat willen.

Update: Op 10 augustus 2017, 15u20 heeft de auteur de tekst verduidelijkt dat met het Kanaalplan het urbanistische plan om de wijken langs het kanaal op te waarderen wordt bedoeld en niet het veiligheidsplan van de federale regering.

Auteur: Raf Custers

Raf Custers is journalist en onderzoeker bij GRESEA, de Groupe de Recherche pour une Stratégie Economique Alternative.