Weg met de carrièrepolitiek

 Leestijd: 6 minuten1

De Franse presidentsverkiezingen gaan over uiteenlopende thema’s: de migratieproblematiek met in haar kielzog het terrorismedebat, de leegloop van het platteland, de wankele economie met haar zware staatsbestel en haar dure 35-urenweek. Sinds de affaire-Fillon is er een ander thema dat de rest overschaduwt: de afrekening met de carrièrepolitiek.

De Franse voorverkiezingen een half jaar geleden gingen vooral over de moeizame economie. De hardste en luidste stem in dit debat was de voormalige toekomstige president van de republiek, de conservatief François Fillon. Hij was het die benadrukte hoe het Franse volk boven haar stand leefde, hoe meer gewerkt zou moeten worden voor hetzelfde loon, hoe minder ambtenaren de staat beter zouden moeten doen draaien. Dat verhaal sloeg hem keihard in het gezicht toen zijn eigen levenswandel tegen het licht werd gehouden.

Zo kwam een ander thema op de voorgrond: de Fransen zijn ze beu, hun beroepspolitici. In dat opzicht zijn ze mee met de heersende Europese sfeer. Het is uiteindelijk de affaire-Fillon, over een familie die gulzig uit de ruif van het politieke bestel at, die de bom heeft doen barsten. De verdediging die de republikeinse presidentskandidaat optrok, maakt nog maar eens duidelijk hoe ver verwijderd van de dagelijkse beslommeringen van de modale Fransman het leven van beroepspolitici zich afspeelt.

Ik moest tijdens deze affaire denken aan een frase die de Franse romancier en reportagemaker Emmanuel Carrère optekent in zijn boek Un roman russe wanneer hij uitwijdt over de inwijding van zijn kersverse vriendin Sophie, een bediende, tijdens een diner in zijn bourgeois vriendenkring.

“Dire qu’on fait des manuels parascolaires ou qu’on est au guichet de la Sécurité Sociale, c’est dire: je n’ai pas choisi, je travaille pour gagner ma vie, je suis soumise à la loi de la nécessité. Cela vaut pour l’ecrasante majorité des gens, mais autour de cette table tous y échappent et plus la conversation continue, plus elle se sent exclue.”

Sinds de affaire-Fillon is het een bezorgdheid van de kandidaten: aantonen dat zij niet tot het exclusieve clubje behoren. Uit het grote televisiedebat werd één zinnetje gelicht, van de linkse splinterkandidaat Philippe Poutou die nauwelijks een procent van de kiesintenties vertegenwoordigt: “Part Nathalie Arthaud, je suis le seul d’avoir un travail normal.” Arthaud, kandidate van de trotskistische partij die eveneens op zowat een procent van de stemmen kan rekenen, haalt het ook aan in de eerste paragraaf van haar kiesfolder: “Vous appartenez comme moi au monde du travail.”

Marine Le Pen & Francois Fillon (Foto: Belga/AFP)

Marine Le Pen & Francois Fillon (Foto: Belga/AFP)

Smicards

De boodschap is duidelijk: beroepspolitici staan te ver van de wereld van het echte werk, van de arbeiders en bedienden, van de kleine zelfstandigen en bescheiden ondernemers. Mensen als François Fillon en Marine Le Pen hebben, zo wil men insinueren, nooit een echte job uitgeoefend. De boodschap is eveneens opgepikt door de huidige favoriet voor het presidentschap Emmanuel Macron, die als eerste van tien redenen waarom voor hem te stemmen aanhaalt: “Parce qu’il est différent des responsables politiques qui l’ont précédé: il a eu un vrai métier.” Die ‘vrai métier’ van Macron staat echter redelijk ver van de gemiddelde Franse job.

In Frankrijk werkt 12% van de actieve bevolking aan de SMIC, het wettelijk minimum uurloon. Het zijn officiële cijfers van het Nationaal Instituut voor Statistiek. Er zit echter meer diepgang in de cijfers. Bij de deeltijds werkenden verdient 43% het minimum uurloon, alleenstaande moeders zijn oververtegenwoordigd. Een kassierster die 24 uur per week werkt, heeft maandelijks geen achthonderd euro netto. Wie de jobsites een beetje in het oog houdt, komt ze overigens dagelijks tegen, de jobaanbiedingen van 24 uur per week aan de SMIC. Ruim eenderde van de vrouwelijke bedienden zonder hogere studies verdient het minimumloon: verkoopsters, secretaresses, verzorgenden.

Over de sociale achtergrondkenmerken van de smicards bestaan veel misverstanden. Het gaat niet enkel om jongeren, niet enkel om debutanten, niet enkel om ongeschoolden. De SMIC is geen instaploon: 45% van de smicards is ouder dan veertig jaar en heeft weinig tot geen perspectief op een hogere verloning in de toekomst. Vrouwen hebben 1,7 keer meer kans om tegen het minimumloon te werken, hoewel ze gemiddeld iets beter zijn opgeleid dan mannen. In het bedrijf waar ik momenteel werk, moet je vijf jaren anciënniteit opbouwen om met drie procent voorbij het minimumloon te springen. Zo is het in vele sectoren: omwille van het hoge minimumloon is er weinig loonevolutie doorheen de loopbaan.

De tragiek van het Franse minimumloon is dat het niet is afgesteld op deze statistieken. Voltijdse tweeverdieners aan de SMIC kunnen in Frankrijk best een waardig bestaan opbouwen, het wettelijk minimumloon is hoog genoeg om hen in de middenklasse te plaatsen. Een voltijdse smicard heeft momenteel 1.480 euro bruto, waarvan een dikke 1.100 euro netto overblijft. Het overgrote merendeel van de smicards zit echter niet in die positie: als ze al met twee zijn, gaat het zelden om voltijdse tweeverdieners.

Dieprode lak

Dat vanuit rechtse – en steeds vaker ook linkse – politieke hoek bijwijlen zwaar wordt ingebeukt op sociale verworvenheden zoals de 35-urenweek en de SMIC, pikken vele Franse werknemers niet. De Fransen hebben een lange geschiedenis van sociale strijd achter de rug en onder de pekzwarte laag die het extreemrechtse Front National van Marine Le Pen over de kaart met kiesintenties legt, zit nog steeds een dieprode lak. Grote delen van Frankrijk hebben traditioneel altijd links gestemd, voor de sociale strijd, voor het recht van de straat om politieke beslissingen ten alle tijde recht te trekken.

Er wordt internationaal vaak ook lacherig gedaan over de stakingsbereidheid van de Franse werknemers. De medaille heeft immers twee zijden: enerzijds dankt Frankrijk haar nog steeds robuust sociaal vangnet aan de actiebereidheid, anderzijds zijn Franse werknemers naar Europese normen duur en schieten ze zichzelf in de voet. De 35-urenweek en het naar Europese normen eerder hoge wettelijke minimumloon zijn een handicap in een vrijgemaakte Europese markt. Waar echter de Scandinavische landen, die met nog grotere zorg werk en leven op elkaar proberen afstemmen, regelmatig bejubeld worden; zetten commentatoren Frankrijk in de hoek. Nochtans staat Frankrijk aan de juiste kant van de geschiedenis, waarin de vermindering van de arbeidsduur zonder loonverlies een constante is.

De invloed van de Europese regelgeving laat zich op vele manieren gevoelen, zeker ook op het geplaagde platteland. De migratieproblematiek gaat immers niet enkel om wat Mia Doornaert in haar boek De ontredderde republiek benoemt als een onintegreerbare groep moslimmigranten. Dat is een grootstedelijke problematiek waarmee ook kiezers op het platteland worden bestookt. Het echte probleem in de rurale gebieden is echter een ander soort migratie, een Europese migratie met het oog op tewerkstelling.

Werklustige mannen

Het vrij verkeer van personen en diensten maakt dat steeds meer van het werk op het land wordt gedaan door Oost- en Zuid-Europese migranten. In het dorp waar ik vijf jaar woonde, produceerde de burgemeester lokale specialiteiten zoals eendenborst en ganzenlever zonder dat hij nog één Franse man in dienst had. Sinds een aantal jaren wordt het zware werk op het bedrijf gedaan door Hongaren: altijd beschikbaar, altijd bereid te werken. Jonge mannen die samenwonen in een huis van de patroon, enkele maanden tot meerder jaren blijven, en dan met het geld terug naar huis keren, naar het gezin dat is achtergebleven. De burgemeester pochte er graag mee: als ik wil staat er morgen een vliegtuig vol werklustige mannen op het erf.

Voor overlast zorgen ze niet, want ze werken vaak zeven lange dagen op zeven. Wat ze wel doen, is de lokale landarbeiders uit de markt prijzen. De wijngaardsnoei, de maïsteelt, de eendenhouderij: steeds vaker wordt gewerkt met goedkope buitenlandse krachten. Ik heb het zelf mogen ondervinden toen ik een winter lang in leercontract wijngaarden snoeide: niemand van de cursisten vond nadien een job. Te duur. Concurreren met de gastarbeiders is onmogelijk, tenzij je eveneens in schimmige statuten zwaar onder het minimumloon gaat werken. Op die manier houd je echter je gezin niet recht.

Er is een leegloop op het Franse platteland die reeds anderhalve eeuw aansleept. De achterliggende oorzaak van die leegloop verschilt niet zozeer met die in Vlaanderen: werkgelegenheid en diensten trekken weg onder invloed van een winsthonger die geen landsgrenzen kent, dus gezinnen vertrekken eveneens. Het grote verschil in Frankrijk is de schaalgrootte: wie in Vlaanderen in een uithoek woont, zit zelden verder dan vijfentwintig kilometer van een stad met alle voorzieningen. In Frankrijk kan het om honderd kilometer gaan. Het is deze schaalgrootte die de verpaupering van het platteland vergroot en ook meer zichtbaar maakt.

Er zijn gebieden in Frankrijk waar de bevolkingsdichtheid tussen 15 en 50 inwoners per vierkante kilometer ligt, hele departementen groot. Het departement Gers, waar ik vijf jaar leefde, is groter dan de provincies Limburg, Vlaams- en Waals Brabant en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest samen. Er ligt één stad met meer dan 10.000 inwoners, hoofdplaats Auch heeft er 23.000. De tweede stad nauwelijks 9.000. Om de analogie af te werken: dat is alsof Diest de hoofdplaats is van het gebied tussen Maaseik en Nijvel en Halen en Bevekom twee centrumsteden. Denk vervolgens nog de autostrades weg, want die zijn er niet in de Gers, beperk de busverbindingen tot vijf en de spoorwegen tot één.

Verlaten door de politiek

Toch worden door de overheid qua dienstverlening vaak dezelfde rekenwijzes gehanteerd als die voor kleinstedelijke agglomeraties. Ik heb een tijdje het nieuws gevolgd over schoolsluitingen in de streek. Het begon in mijn dorp, waar het graadklasje werd gesloten. Kinderen volgen nu les in een twee naburige dorpen in klassen die drie en twee leerjaren bestrijken. Het schoolgebouwtje in het dorp was nauwelijks een decennium oud. Ik fotografeerde onderweg, tijdens mijn fietstochten, her en der spandoeken van protesterende ouders. Als protestactie plaatste een oudergemeenschap een pas gerenoveerd maar gesloten schooltje op leboncoin.fr, de grootste Franse tweedehandssite. “Tuer l’école, c’est tuer le village.”

Om het rurale Frankrijk in leven te houden, zijn overheidsinvesteringen nodig. Net dat is het grote probleem: overheidsinvesteringen gaan in tegen de huidige Europese lijn, die meer marktgericht is. De markt geeft echter niet om gebieden waar investeringen niet lonen. De markt wil waar voor haar geld en dat valt in de rurale gebieden niet te rapen, toch niet in een land waar de sociale zekerheid van een zeker niveau is. Kan iemand het Franse platteland verwijten dat het zich door de politiek verlaten voelt? Natuurlijk niet. Dat is namelijk exact wat is gebeurd, en wat nog steeds gebeurt.

De wereld van de smicards, het tanende leven op het platteland: het is minder treurnis dan men uit de verhalen zou kunnen opmaken, maar een groter probleem dan de meeste beroepspolitici lijken te beseffen. De gelatenheid en zelfs desinteresse waarmee vele Fransen de verkiezingen laten passeren, het gevoel dat het toch niet meer om hen gaat, los je niet op door je hard op de borst te kloppen omdat je ooit wel aan de kant van de werkers stond. Wie ook de volgende president wordt, hij of zij krijgt een behoorlijke portie werk op het bord.

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Auteur: Herman Loos

Socioloog, woont in de Zuid-Franse stad Tarbes.