Van Parisis en Agusta tot Optima en Publifin

 Leestijd: 5 minuten4

In september 1986 ontplofte de grootste fraudezaak sinds de Tweede Wereldoorlog. De gebroeders Parisis werden verdacht van oplichting voor 70 miljoen euro aan nepinvesteringen in Texas (Etienne en Antoine Parisis werden ervan verdacht onbestaande gronden in de VS aan een duizendtal Belgische beleggers te hebben verkocht, red.). Het Gentse Hof van Beroep veroordeelde hen tot vijf jaar gevangenisstraf en een geldboete van 210.000 en 360.000 frank.

Eén van de partners van de gebroeders Parisis was de Gentse vastgoedmakelaar Bob Gillier. Ook hij belegde in gronden in Texas voor een zevenhonderd klanten. Na het overlijden van Gillier werd in mei 1987 het bureau Ascona opgericht door vier medewerkers van Gillier – waaronder Jeroen Piqueur, oprichter van de failliete Optima Bank, en François Mombaerts, tot 2000 voorzitter van de Optima Group.

Op 23 december 1998 sprak het Hof van Cassatie zich uit over het Agustaschandaal, een Belgische strafzaak over corruptie bij de aankoop van gevechtshelikopters van het Italiaanse bedrijf Agusta door de Luchtcomponent van Defensie in 1988. Willy Claes kreeg drie jaar gevangenis voorwaardelijk en vijf jaar verbod om een openbare functie uit te oefenen; Guy Coëme en Guy Spitaels werden veroordeeld tot twee jaar gevangenis voorwaardelijk en ook vijf jaar verbod om een openbare functie uit te oefenen. De Franse industrieel Serge Dassault kreeg achttien maanden voorwaardelijk.

In 1999 openden het Belgische en Zwitserse gerecht een strafonderzoek naar steekpenningen die door Tractebel zouden betaald zijn voor een gaspijp-concessie in Kazachstan. Patoch Chodiev, Alijan Ibragimov en Alexander Masjkevitsj kregen eerst 55 miljoen dollar toegeschoven via offshore vennootschappen als Emery International, en daarna nog twee schijven van telkens 45 miljoen dollar. Bovendien moest Tractebel 45% van de exploitatiemaatschappij, Intergas Central Asian, aan het trio overlaten. Naar wie de vijf miljoen dollar aan kickbacks gingen, die langs de firma Delrex via geheime commissies betaald werden, werd nooit duidelijk.

Het zijn maar voorbeelden, maar ze tonen aan dat de huidige schandalen rond Optima, Kazachgate en Publifin helaas genoeg voorgaanden hadden. Het lijkt er zelfs nog erger op geworden. Hoe is dat mogelijk?

Om de doelmatigheid van een ‘productieproces’ te evalueren, moet je naar de actoren en naar de processen kijken: wie speelt er een rol in en hoe wordt die gespeeld? Welke zijn de actoren? De wetgever bepaalt de spelregels, de uitvoerende macht zorgt voor de uitvoering ervan, de rechterlijke macht en andere toezichthouders zorgen voor sanctionering van de overtreding, en dan heb je nog de auteurs en hun verdediging.

Stephane Moreau, CEO Nethys (Foto: Reporters © Danny Gys) Reporters / GYS

Stephane Moreau, CEO Nethys, operationele poot van intercommunale Publifin (Foto: Reporters © Danny Gys)

Is er dan niets veranderd tussen 1986 en nu?

De laatste kwarteeuw werden verschillende maatregelen getroffen om zowel een beter toezicht als een betere sanctionering mogelijk te maken. In 1991 werden Vaste Comités van Toezicht op de politie en inlichtingendiensten opgericht, die door onderzoek en rapportering aan het parlement moesten zorgen voor het wegwerken van de door parlementair onderzoek vastgestelde “disfuncties”.

Private omkoping werd ingevoerd door de wet van 10 februari 1999: ook in de private sector is het bekomen van een voordeel zonder medeweten of machtiging strafbaar met gevangenisstraf van zes maanden tot twee jaar. Door zowel de OESO-richtlijn als door het Europees Verdrag en het civielrechtelijk Verdrag inzake de bestrijding van corruptie is België verplicht maatregelen te nemen. De oprichting in 1999 van de Groep van Staten tegen Corruptie (GRECO) kadert in deze strijd.

Ingevolge de wet van 25 april 2014 is er ook een dubbel toezicht. Het macro prudentieel toezicht door de Nationale Bank: de opsporing, de beoordeling en de opvolging van de verschillende factoren en ontwikkelingen die de stabiliteit van het financiële stelsel kunnen aantasten. Het micro prudentieel toezicht systeem dat op 1 april 2011 werd ingevoerd berust op twee pijlers (twin peaks): het integraal toezicht op banken, verzekeringsondernemingen en andere financiële instellingen, dat toevertrouwd is aan de Nationale Bank; het toezicht op de financiële markten en de consumentenbescherming, die onder de bevoegdheid vallen van de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten (FSMA).

De Cel voor Financiële Informatieverwerking (CFI) doet dan weer aan preventieve bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme. De CFI is een onafhankelijke administratieve overheid met rechtspersoonlijkheid en staat onder het toezicht van de ministers van Justitie en Financiën. Ze staat onder leiding van een magistraat en is samengesteld uit gerechtelijke en financiële deskundigen en een hoger officier van de federale politie. In de privébedrijven werd ook het compliance principe ingevoerd: bedrijven moeten zich aan de wet houden en moeten ingevolge het reglement van het FSMA in de permanente opleiding van compliance officers voorzien. Met de oprichting van AGALEV in 1979 kwam er ook een NPC, een nieuwe politiek cultuur. Na de regeringsdeelname (1999-2004) verloor de partij al haar zetels en zakte ze zelfs onder de kiesdrempel.

Om zowel politieke mandatarissen als ambtenaren op het rechte pad te houden, werden ook in allerlei ‘deontologische codes’ en ‘deontologische commissies’, die er de toepassing van moeten garanderen, voorzien.

Deze nieuwe vormen van toezicht hebben geen wijziging gebracht aan de meldingsplicht aan de procureur des Konings telkenmale een misdrijf wordt vastgesteld. Vraag is of deze nieuwe vormen van toezicht meer doelmatigheid hebben gebracht.

Doeltreffend?

De Vaste Comités van Toezicht werden snel politiek gerecupereerd. Iedere partij zette er zijn mannetje in, zodat de onmogelijkheid om in het toenmalig beleid tussen justitie en binnenlandse zaken tot een consensus te komen over het politielandschap, het Comité P tot voortdurende twisten bracht. Over de oorzaak van hun oprichting, de disfuncties in het bende-onderzoek en het Gladio-onderzoek naar het bestaan van een anti-communistisch netwerk, werd niets onderzocht. Ook de parlementaire commissies die de comités moesten “begeleiden”, werden aan banden gelegd. Door de informele regel “For Your Eyes Only”, waardoor de leden van de commissies verplicht werden te zwijgen over wat zij er vernamen, werd de parlementaire “freedom of speech” dode letter.

Het in 1910 opgerichte anticorruptie orgaan, het “Hoog Comité van Toezicht”, werd in 1998 geïntegreerd in de gerechtelijke politie en werd bij de hervorming van de politie in 2001 als Centrale Dienst voor de Bestrijding van Corruptie (CDBC) opgenomen in de algemene directie van de gerechtelijke politie. De dienst werd stelselmatig onderbemand, zodat nu wordt voorgesteld de leden te verspreiden.

Door de wet van 25 april 2014 op het FSMA werd het recht van de auditeur om zelf te beslissen in welke gevallen hij een onderzoek opent, afgeschaft en aan het directiecomité gegeven. Na afloop van het onderzoek beslist het directiecomité over een seponering, een door de auditeur voorgestelde minnelijke schikking of een doorverwijzing naar de “autonome” sanctiecommissie.

Ook de werking van het openbaar ministerie, het orgaan dat moet zorgen voor de vervolging van alle vastgestelde misdrijven, werd grondig aangepast. Door de wet om de uitgebreide minnelijke schikking verkreeg het parket dezelfde beoordelingsbevoegdheid als het directiecomité van de FSMA. De procureur beslist nu niet alleen of hij vervolgt of zonder gevolg rangschikt, hij kan nu ook, bij wijze van minnelijke schikking, de straf bepalen.

Een eerste vaststelling is dat de indrukwekkende maatregelen van verhoogd toezicht al snel door wijzigingen aan de wet of in de praktijk hun doeltreffendheid hebben verloren. De geschiedenis van specifiek voor de bestrijding van corruptie opgerichte organen als het Hoog Comité van Toezicht of de Centrale Dienst voor Corruptie Bestrijding is er één van stelselmatige afbouw van middelen en mogelijkheden. Een tweede vaststelling is dat er een belangrijke verschuiving van bevoegdheid heeft plaats gevonden in de organen zelf. De voornaamste is deze in het gerechtelijk orgaan: de vervanging van de beoordeling van de schuld en de boete door de rechter door een opportuniteitsbeslissing van het onder ministerieel gezag handelende parket. De ‘nieuwe politieke cultuur’ stierf bij de eerste “groene” regeringsdeelname. In federale, gewestelijke, provinciale of stedelijke deontologische commissies wordt wel veel gepraat, opgemerkt en voorgesteld. Wat daar ook effectief het gevolg van is, is erg onduidelijk.

Nog brutaler

Dat ons land in het laatste evaluatierapport van GRECO een flinke uitbrander kreeg voor de lakse aanpak van corruptie bij parlementsleden, rechters en procureurs, en de maatregelen die al in 2014 werden gevraagd onuitgevoerd bleven, kan niemand echt verwonderen.

De meest pijnlijke vaststelling is evenwel dat het ondanks alles nog erger is geworden. De Optima-zaak lijkt een copy paste van de zaak-Parisis. Kazachgate is niets anders dan de voortzetting van dezelfde disfuncties die in de Tractebel-affaire en in het Agustaschandaal werden vastgesteld. De Publifin-affaire toont duidelijk aan hoe onder de ogen van allerlei toezichtsorganen, en dito deontologische verplichtingen ten spijt, mogelijkheden worden gevonden om het nog brutaler en grootser te doen.

Wat nog het meest ontmoedigt is te moeten vaststellen dat zowel in de parlementaire werking als binnen de rechterlijke macht een ‘gedoogbeleid’ is gegroeid. De nieuwe wetgeving, zoals de wet op de uitgebreide minnelijke schikking, heeft in mogelijkheden voorzien die eerder een aanzetting tot corruptie dan een bestrijding ervan uitmaken.

Zelfs nu verschillende parlementaire onderzoeken zich andermaal over dezelfde ‘disfuncties’ buigen, gaat het politiek beleid verder met voorstellen van wijziging van de wetgeving, zelfs nieuwe codificaties, die gebouwd zijn op dezelfde verkeerde filosofie: schikken in plaats van bestraffen.

Terwijl zakenadvocaten en parketmagistraten lobbyen om reeds in de praktijk uitgevoerde wijzen van ‘alternatieve afhandeling’ door het parlement te sluizen, onderzoeken dezelfde parlementairen waarom het door deze afhandelingswijzen verkeerd is gegaan. Je kan het een voorbeeld van Belgisch surrealisme noemen: “ceçi n’est pas une pipe”. Voor wie er aandachtig naar kijkt is het dat wél.

Is het dan geen tijd voor een time-out? Is het minste wat onze parlementairen kunnen doen niet even wachten met nieuwe wetgeving tot de disfuncties van de oude zijn opgeklaard? Of gaan wij voort met de ‘institutionalisering’ van de onderzochte disfuncties?

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Auteur: Walter De Smedt

Is gewezen raadslid van Comité I en Comité P