Informatiedoorstroom rond terrorisme: treft België schuld?

 Leestijd: 5 minuten0

Hoofdcommissaris Zanders spaart zijn kritiek niet bij zijn afscheid als verbindingsofficier van de federale politie in Marokko. Ook niet op het onderzoek naar de aanslagen van 22 maart: “Het is de schuld van België dat de Marokkanen ons niet méér informatie bezorgen. (…) Een nadeel van de Belgische judicialisering is dat je je informatie onmiddellijk aan het parket moet geven, en dossiers zo snel mogelijk voor de rechtbank moet brengen – want de verjaring dreigt. Terwijl je in grote drugs- en terrorismezaken net veel tijd nodig hebt, bijvoorbeeld om wapencircuits bloot te leggen. Ik ben niet tegen gerechtelijk toezicht op politie-informatie. Controlemechanismen zijn tenslotte nodig. Maar nu gaat het de verkeerde kant op. Met de Amerikanen of de Britten werken de Marokkanen veel soepeler samen”, zegt hij in Knack.

Judicialisering

Het begrip judicialisering behoeft enige uitleg. Vroeger was er een duidelijk onderscheid tussen gerechtelijke en bestuurlijke informatie. De gerechtelijke informatie is wat door politieambtenaren aan informatie wordt verkregen en verwerkt, en in het kader van een gerechtelijk onderzoek aan de procureur of de onderzoeksrechter wordt overgemaakt. Het doel daarvan is misdrijven op te sporen, te vervolgen en te bestraffen. Bestuurlijke informatie is wat door inlichtingendiensten wordt verkregen. Het doel daarvan is niet de opsporing en de vervolging, maar het inlichten van het politiek beleid over wat bedreigend kan zijn voor de belangen van de staat en de gemeenschap.

Vroeger was zowel de manier waarop de informatie verkregen werd als het doel, de verwerking en rapportering tussen de twee soorten van informatie verschillend. Dat kwam omdat de spelregels verschillend waren. Inlichtingendiensten werken niet alleen in een nationale, maar ook in een internationale context: er is informatie-uitwisseling met bevriende en zelfs met niet bevriende diensten mogelijk.

Deze uitwisseling gebeurt onder twee voorwaarden: het ‘derden principe’ en het ‘troc principe’. Door de derden regel blijft de dienst die de informatie aanleverde er baas over en moet de ontvangende dienst de toelating hebben van de verstrekkende dienst om er gebruik van te kunnen maken. Het troc principe kan het best vertaald worden door ‘voor wat hoort wat’.

De samenwerking tussen de gerechtelijke overheden en de inlichtingendiensten verliep door toepassing van de meldingsplicht: ook de inlichtingendienst is verplicht misdrijven te melden aan de procureur.

De strijd tegen het terrorisme heeft in ons land het onderscheid tussen de gerechtelijke en de bestuurlijke informatie doen verwateren. De politiediensten namen enerzijds de werkwijze van de inlichtingendiensten over en namen bij toepassing van de BOM-wet (bijzondere opsporingsmethoden) de methoden van de inlichtingendiensten over: observatie, infiltratie en werken met informanten.

Nadien konden de politiediensten ook het werkterrein van de inlichtingendiensten overnemen: door de omschrijving van terroristische misdrijven was niet alleen een gepleegd misdrijf strafbaar, maar werd ook de bedreiging door een nog niet gepleegd misdrijf gerechtelijk. Ook de oprichting van een nieuw parket maakte de vermenging van beide soorten van informatie mogelijk: het federaal parket nam de leiding van zowel de gerechtelijke als de bestuurlijke informatieverwerking.

Problemen

De vermenging van beide soorten informatie lijkt op het eerste gezicht noodzakelijk om – zeker in terroristische dossiers – tot eenheid en coördinatie van alle informatie te komen. Deze bewering houdt evenwel geen rekening met de spelregels van zowel de gerechtelijke behandeling als van de samenwerking tussen de verschillende inlichtingendiensten. Een gerechtelijk proces moet voldoen aan de vereisten van een behoorlijk proces: de feiten én de schuld moeten bewezen worden, de verdediging heeft rechten, de behandeling gebeurt tegensprekelijk en openbaar.

Omdat bestuurlijke informatie niet tot doel heeft tot bestraffing te komen, moet de informatieverwerving en -verwerking door de inlichtingendiensten niet aan deze voorwaarden voldoen. Anderzijds beletten ook de derden regel en het troc principe de aanwending van bestuurlijke informatie in het strafproces.

Dat de vermenging van beide werkwijzen ondoelmatig is, werd zeer duidelijk bewezen door de Turkse dossiers rond Fehriye Erdal en Bahar Kimyongür. Enerzijds werd door het Hof van Beroep te Antwerpen de vermenging van werkwijzen verworpen en door vrijspraak gesanctioneerd, anderzijds bleek dat de leiding van de bestuurlijke actie door een magistraat eveneens tot onbehoorlijke resultaten leidde.

Andere diensten

Tot tweemaal toe is gepoogd om buiten de reguliere, wettelijk erkende inlichtingendiensten, de Staatsveiligheid en de Militaire Inlichtingendienst ADIV, andere – niet reguliere – diensten te doen werken.

De eerste keer gebeurde dat eind jaren zestig door oprichting binnen het ministerie van Justitie van het Bureau voor Criminele Informatie. De agenten van deze dienst hadden geen gerechtelijke bevoegdheid en werkten door overname van de werkwijze van de Amerikaanse Drug Enforcement Administration (DEA) als undercoveragenten die infiltreerden in het crimineel milieu. De rijkswacht kopieerde deze dienst door oprichting van een eigen Nationaal Bureau voor Drugs en de drugsecties in de lokale Bewakings en Opsporings Brigades. De zaak François toonde hoe het afloopt wanneer dergelijke diensten zonder extern en gerechtelijk toezicht werken: meerdere leden werden veroordeeld omdat zij zelf criminelen waren geworden.

Dubbelganger

Om te zorgen voor de coördinatie van alle informatie komende van en gaande naar alle diensten, werd een commissariaat-generaal bij de gerechtelijke politie bij de parketten opgericht. Deze informatieverwervende, -verwerkende en rapporterende eenheid stond wél onder toezicht van de gerechtelijke overheden. Ook hier maakte de rijkswacht eigenmachtig een dubbelganger: het Centraal Bureau voor Opsporingen.

Om het afzonderlijk bestaan van twee diensten met dezelfde opdracht te verhelpen werd, om de daaruit ontstane politieoorlog te beëindigen, getracht door oprichting van de Algemene Politie Steundienst (APSD) de twee samen te voegen. Het commissariaat-generaal werd erin opgenomen, de rijkswacht weigerde zijn CBO erin onder te brengen.

De rijkswachttop besliste ook eigenmachtig tot de oprichting van een andere dienst: de Gerechtelijke Informatie Dienst (GID). Een eigen geheime, niet reguliere en volwaardige inlichtingendienst die niet alleen gerechtelijke informatie verwierf en deze langs het CBO ook verwerkte, maar die ook eigen operaties uitvoerde.

Het is de werking van deze geheime dienst die zorgde voor de grootste disfuncties in de zaak Dutroux. Uit zowel het onderzoek van het Vast Comité P als uit het parlementair onderzoek bleek dat de informatie die die dienst door de operaties Othello en Décimes, de observatie van Dutroux, had verkregen, niet aan de onderzoeksrechter was overgemaakt.

Uit het door het Vast Comité P gevoerde onderzoek in de dossiers Ankara en Rebel bleek ook dat de rijkswacht door dezelfde dienst en langs het CBO als geheime inlichtingendienst, ook internationaal actief was: de resultaten van een screening van alle in België verblijvende Turken (operatie Rebel) werd door het afsluiten van een geheim politiesamenwerkingsakkoord met de Turkse overheden aan de Turkse politie overgemaakt.

Vaste Comités

Voorgaande problematiek werd door de Vaste Comités van Toezicht P en I onderzocht en daarover werden verschillende onderzoeksrapporten gemaakt. Tussen beide comités was er evenwel een geheel andere benadering.

Het comité P heeft de geheime en parallelle werking van de GID en het CBO in de zaak Dutroux en in de dossiers Rebel en Ankara afgeschermd door er niet of onjuist over te rapporteren. Het comité I deed onderzoek naar de wijze waarop eenheid en coördinatie kon worden gebracht zonder de specificiteit en de doelmatige werking van beide informatiestromen aan te tasten.

Het comité I was voorstander van het behoud van het onderscheid en de afzonderlijke werking van beide vormen van informatieverwerving en -verwerking en legde de nadruk op de meldingsplicht die ervoor moet zorgen dat de informatie die de gerechtelijke overheden nodig hebben voor de opsporing en de vervolging ook tot bij die overheden komt, zodat die overheden die informatie kunnen hernemen en onderzoeken naar de vereisten van het behoorlijk proces.

Informatieprobleem

Het informatieprobleem blijft het voornaamste veiligheidsprobleem. De verschillende pogingen om het op een andere manier te doen, hebben niet meer doelmatigheid en evenmin meer behoorlijkheid gebracht. Het buiten de wet oprichten van nieuwe geheime, niet reguliere diensten – zowel het Bureau voor Criminele Informatie binnen het ministerie van Justitie als de Gerechtelijke Informatie Dienst en het Centraal Bureau voor Opsporingen binnen de rijkswacht – hebben tot de zwaarste disfuncties van de afgelopen kwarteeuw geleid.

Ook de vermenging van de gerechtelijke en de bestuurlijke actie onder leiding van het federaal parket is vatbaar voor ernstige kritiek omdat de vermenging van de beide opdrachten en bevoegdheden niet verenigbaar zijn, iedere aanpak zijn eigen regels en vereisten heeft, en de doelmatigheid van beide werkwijzen erdoor wordt aangetast.

Schuld?

Heeft ons land er schuld aan dat het informatieprobleem als een erfelijke belasting is blijven voortbestaan? En zo ja, wat is daar dan de oorzaak van?

Kennis is macht, en daar is het al die tijd om te doen geweest. De politieoorlog was een strijd tussen de politiediensten om het verwerven en verwerken van informatie. De oprichting van een geïntegreerde politie op twee niveaus was enkel een organieke hervorming die het informatieprobleem onaangeroerd liet.

Intussen heeft het openbaar ministerie duidelijk de leiding genomen, vooreerst door de werking van het federaal parket, maar nu ook door de uitbreiding van de opdrachten en bevoegdheden van de opsporing en de vervolging.

Daardoor zijn spanningen ontstaan met het onderzoek door de onderzoeksrechter. De huidige parlementaire onderzoeken worden nu geconfronteerd met de vraag op welke wijze het openbaar ministerie gevolg gegeven heeft aan de informatie die het heeft verkregen, wat daarmee gebeurde, welk gebruik ervan gemaakt werd en hoe daarover bij toepassing van het beweerde monopolie van de vervolging werd geoordeeld.

Als ons land hierin enige schuld heeft, komt dat omdat het element ‘macht’ voorrang kreeg op doelmatigheid en behoorlijkheid. Wordt dat nu anders?

Auteur:

Is gewezen raadslid van Comité I en Comité P