Overdreven schadeclaims in strijd met Europees recht

 Leestijd: 7 minuten1

Deze reactie volgt op het bericht dat de onafhankelijke nieuwswebsite Apache en enkele van haar journalisten voor de berichtgeving over de Optima-zaak, de Tunnelplaats en andere vastgoeddeals in Antwerpen voor de burgerlijke rechtbank is gedaagd door Land Invest Group en Joeri Dillen wegens vermeend lasterlijke aantijgingen en dus onrechtmatige journalistiek. Land Invest Group eist het verwijderen van een tiental “laakbare” artikels van de website en een schadevergoeding van 250.000 euro, Dillen eist van de Apache-journalisten een schadevergoeding van 100.000 euro.

Als observator komt het me niet toe om de juridische kwaliteit van deze dagvaardingen te beoordelen, dat zal finaal een onpartijdig rechtscollege doen, alle argumenten van eisers en vooral ook van Apache gehoord. De essentie is dat de drukpers in België vrij is, en dat censuur nooit kan worden ingevoerd. In bepaalde omstandigheden kan foutieve en lasterlijke berichtgeving wel tot burgerlijke aansprakelijkheid aanleiding geven, in toepassing van artikel 1382 van het Burgerlijk wetboek (fout/schade/causaal verband).

De journalist, hoofdredacteur en eventueel de uitgever kunnen dan veroordeeld worden tot vergoeding van de geleden schade door het slachtoffer, schade die het directe en aantoonbare gevolg is van de foutieve en lasterlijke berichtgeving. Daarbij moet overigens wel toepassing worden gemaakt van artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens dat, in lijn met de rechtspraak van het Europees Hof, de expressievrijheid waarborgt en slechts in heel uitzonderlijke gevallen een inmenging in de persvrijheid toelaatbaar vindt.

Onderzoeksjournalistiek betreffende aangelegenheden van maatschappelijk belang, waarbij publieke personen in een kwalijk daglicht komen te staan, geniet van een bijzonder hoog niveau van expressievrijheid. Voorwaarde is wel dat er een zekere feitelijke basis moet zijn voor de aantijgingen of dat althans de journalist of de redactie, met journalistieke methoden een voldoende inspanning moet hebben gedaan om deze feitelijke basis, onder andere via documenten of getuigen, aanneembaar te maken.

In tientallen vonnissen en arresten van Belgische rechtscolleges én van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens zijn de voorbije jaren deze principes verduidelijkt en toegepast. Talloze vorderingen van vermeend onrechtmatige journalistiek zijn afgewezen of finaal in strijd verklaard met de journalistieke vrijheid, die immers essentieel is in een democratische samenleving. Vooral onderzoeksjournalistiek verdient met extra juridische waarborgen beschermd te worden.

Deze duidelijke opstelling van het recht en de hoogste rechtscolleges, nationaal en internationaal, weerhoudt er echter sommige personen, bedrijfsleiders of politici niet van om desondanks toch een procedure aan te spannen waarvan men bij voorbaat weet dat deze vorderingen ofwel uitdoven ofwel leiden tot een “vrijspraak” voor de journalist of de uitgever. T

ot de meest recente voorbeelden behoren de vorderingen van George Forrest tegen het magazine MO* en het proces dat N-VA politicus Pol Van Den Driessche (PVDD) aanspande tegen Humo. Telkens ging het om vorderingen waarvan met enige expertise op voorhand kon worden ingeschat dat ze geen kans maakten, en vooral gericht waren op het hopeloos proberen in stand houden van een reputatie die door de journalistieke berichtgeving aan het wankelen was gebracht of minstens minder fraai was dan de betrokkenen wilden laten uitschijnen. De vorderingen hadden telkens ook de schijn mee van intimidatie en het nodeloos en grievend op kosten jagen van de redacties of uitgevers of journalisten. Daarom is het nuttig om kort deze twee zaken opnieuw onder de aandacht brengen Forrest/MO* dus, en PVDD/Humo.

Forrest v. MO*

In 2008 veroordeelde de rechtbank van eerste aanleg in Brussel een karikatuur op de cover van MO* magazine. De karikatuur toonde George Forrest, een ‘captain of industry’, actief in de mijnbouwsector in Congo, in een outfit die verwees naar voormalig president Mobutu. In 2012 vond ook het hof van beroep in Brussel de spotprent beledigend. MO* moest Forrest 5.000 euro schadevergoeding betalen. Het Hof van Cassatie heeft evenwel onlangs, eind 2014, de veroordeling van MO* ongedaan gemaakt. Het Hof vindt dat het arrest dat MO* veroordeelde niet deugdelijk gemotiveerd is en daarom in strijd is met de basisprincipes van de expressievrijheid van artikel 10 EVRM.

Het zat er een beetje aan te komen dat de veroordeling van MO* en de motivering waarop die steunde moeilijk overeind konden blijven. Van cartoons of spotprenten kan immers maar moeilijk geëist worden dat die beantwoorden aan de voorwaarden van objectieve berichtgeving en een getrouwe weergave van de werkelijkheid zijn. Het Hof van Cassatie heeft in zijn arrest duidelijk geen genoegen genomen met de benadering en motivering van het Brusselse hof van beroep, dat bovendien op onbetamelijke wijze had aangevoerd dat de rechtspraak van het Europees Mensenrechtenhof in verband met expressievrijheid in de voorliggende zaak ‘niet dienend was’. Het straal negeren van de Straatsburgse rechtspraak druist evenwel regelrecht in tegen de verdragrechtelijke verplichtingen van België in toepassing van het Europees Mensenrechtenverdrag en het respect voor de journalistieke expressievrijheid. Het Hof van Cassatie heeft die rechterlijke blunder nu alvast rechtgezet.

Dat de veroordeling ongedaan is gemaakt, is niet enkel een opsteker voor MO*. Het arrest van het Hof van Cassatie geeft opnieuw wat meer ademruimte aan cartoons, karikaturen, covers en spotprenten in kranten, magazines en op online nieuwsplatforms. De rechtszaak tegen MO* leerde trouwens ook dat een kritisch artikel over de Forrest-groep niet lasterlijk was en zich binnen de grenzen situeerde van de kritische journalistieke verslaggeving. Objectiviteit kan niet worden geëist: een bepaalde perspectief en interpretatie van feiten en omstandigheden is onvermijdelijk verbonden met analyse en onderzoeksjournalistiek.

PVDD v. Humo

Van eenzelfde benadering ter bescherming van de persvrijheid getuigt ook een vonnis uit 2013 van de rechtbank van Leuven, naar aanleiding van de dagvaarding door politicus/journalist/bekende Vlaming Pol Van Den Driessche als reactie op een artikel in Humo onder de titel: “Pol Van Den Driessche: 20 jaar seksuele intimidatie. DSK in Vlaanderen”. Het artikel rapporteerde in essentie, aan de hand van verschillende getuigenissen, dat Pol Van Den Driessche zich handtastelijk gedroeg ten aanzien van vrouwen waarmee hij in de werksfeer in contact kwam.

De getuigen verklaarden dat zij onverwachts aangeraakt werden door Pol Van Den Driessche op een seksueel getinte wijze, wat zij ervaarden als seksuele intimidatie. Pol Van Den Driessche eiste een schadevergoeding van 625.000 euro (!) van Humo-journalist Jan Antonissen en voerde het lasterlijk en onrechtmatig karakter aan van het Humo-artikel. Het vonnis benadrukt evenwel dat “wanneer een journalist overtuigd is van het feit dat een publieke persoon (in casu een voormalig senator en ‘kandidaat burgemeester van de stad Brugge’) zich schuldig heeft gemaakt aan feiten van seksuele intimidatie hij het recht heeft om het publiek hierover in te lichten.

Het is vanwege de journalist niet foutief dit feit maatschappelijk belangrijk te vinden en de vraag te stellen of iemand met een dergelijk gedrag burgemeester kan zijn, of zelfs zijn eigen overtuiging dat iemand met een dergelijk gedrag geen burgemeester kan zijn te uiten. Het is evenmin foutief om een maatschappelijk debat met betrekking tot seksuele intimidatie op de werkvloer te stimuleren, en hierbij uit te gaan van de handelwijze van een bekend politicus”. Volgens de rechtbank mocht de journalist in kwestie aannemen dat de getuigen die hij aanvoerde “voldoende geloofwaardig waren en dat het globaal beeld dat uit de verschillende getuigenissen naar voren kwam, met de werkelijkheid overeen kwam”.

Expliciet stelt het vonnis dat de journalist mocht aannemen dat “de getuigenissen waarheidsgetrouw waren”. De journalist was daarbij niet verplicht alle details van de getuigenissen te onderzoeken. De rechtbank merkt ook op dat Pol Van Den Driessche tegen deze getuigen geen klacht heeft neergelegd voor eerroof of laster, “zelfs niet nadat sommigen hun beschuldigingen onder meer op televisie herhaald hebben”. De rechtbank wijst er overigens ook op dat de omstandigheid dat de getuigen (destijds) geen (straf)klacht hebben neergelegd tegen Pol Van Den Driessche, of de feiten strafrechtelijk verjaard zijn, niets afdoet aan het recht van de journalist om over deze feiten en gebeurtenissen te rapporteren op basis van deze getuigenissen.

De rechtbank erkent dat een onderdeel van de titel van het Humo-artikel, met name “DSK in Vlaanderen”, “provocerend, ongenuanceerd en choquerend” is, er evenwel aan toevoegend dat een titel, die de weergave is van een idee, choquerend mag zijn en in casu geen fout uitmaakt van de journalist. De titel suggereert immers niet dat Pol Van Den Driessche zich zou schuldig hebben gemaakt aan feiten van verkrachting of aanranding van de eerbaarheid met geweld. Dergelijke insinuatie blijkt ook niet uit het artikel. De rechtbank vindt niet dat de Humo-journalist Jan Antonissen foutief of onrechtmatig heeft gehandeld, en verklaart daarom de vordering van Pol Van Den Driessche tot betaling van een schadevergoeding ongegrond. De eiser werd in dit geval tot de gerechtskosten veroordeeld, inclusief de rechtsplegingsvergoeding voor Jan Antonissen voor een bedrag van 11.000 euro.

Nog enkele andere zaken

Enkele jaren geleden verweet voormalig spoorbaas Schouppe een journalist ervan lasterlijke en leugenachtige beschuldigingen te hebben geuit. De Brusselse rechtbank beklemtoonde dat ook de gedelegeerd bestuurder van de NMBS een functie uitoefent die behoort tot het openbare leven, waardoor hij wordt blootgesteld aan een grotere kritiek dan een gewone burger.

Dit ondervond ook George Forrest toen hij enkele jaren geleden klacht indiende naar aanleiding van een dossier over de Democratische Republiek Congo in MO* Magazine, waarin een verklaring werd gezocht voor het feit dat de winsten die worden gemaakt met de immense bodemrijkdommen, de lokale bevolking nog steeds niet ten goede komen. In het dossier werd ook verwezen naar de impact van enkele grote contracten en enkele belangrijke actoren in de mijnbouwsector, waarbij ook aandacht werd besteed aan de rol van Forrest zelf. De Brusselse rechtbank noemde het litigieuze artikel kritisch en geëngageerd, maar ook “evenwichtig” en gesteund op “tal van bronnen, zowel van nationale als van internationale aard, zowel van openbare overheden als van NGO’s”. Geen redenen dus om MO* te veroordelen wegens onrechtmatige journalistiek. Het vonnis gaf finaal nog het volgende mee: “Als grote, Belgische industrieel die vaak in opspraak komt in België, moet de heer Forrest dit soort artikels in gespecialiseerde maandbladen gedogen.”

Terug naar Apache, Land Invest Group en Joeri Dillen

Twee aspecten vallen nog op in de actie die Land Invest Group en Joeri Dillen ondernemen tegen Apache.

Primo is de vordering vanwege Land Invest Group tot het botweg VERWIJDEREN van een tiental “laakbare” artikels waarin de projectontwikkelaar ter sprake komt, een bijzonder verregaande vorm van ingrijpen in de journalistieke vrijheid. Een dergelijke eis lijkt ook buiten proportie, want het is niet omdat eventueel één of meer aantijgingen zouden blijken onrechtmatig of foutief te zijn, dat dit aanleiding kan geven tot het verwijderen of censureren van de hele artikelenreeks. De rechtspraak van het Europees Mensenrechtenhof op dat punt is overduidelijk: dergelijke vorderingen zijn buitenproportioneel en daarom alleen al in strijd met de expressie- en persvrijheid. Meer aangewezen in dergelijke omstandigheden is een vordering tot rechterlijk bevel tot rectificatie, een recht van antwoord, een klacht bij de Raad de Journalistiek of een civiele vordering tot betaling van een symbolische of redelijke schadevergoeding.

Secundo blijken inderdaad ook de gevorderde schadevergoedingen zelf van overdrijving te getuigen en weten de eisers dat in geval van veroordeling dit de financiële strop van Apache of van de gedagvaarde journalisten zou betekenen. Enerzijds straalt een dergelijke hoge som aan schadevergoeding een vorm van intimidatie uit, anderzijds getuigt een vordering voor een bedrag van alles samen 350.000 euro van een wel erg hoge inschatting van de eigen reputatie. Ook op dit punt is de Europese rechtspraak duidelijk : dergelijke vorderingen of veroordelingen met dit soort consequenties voor het betrokken medium, kunnen de toets met het Europees Verdrag niet doorstaan.

Tot slot: het zou niet de eerste keer zijn dat de eisers die dergelijke vorderingen aanspannen zélf veroordeeld worden. Ofwel dus tot veroordeling tot gerechtskosten, zoals in het geval van PVDD en George Forrest, ofwel tot veroordeling wegens tergend en roekeloos geding.

Het is nu aan de rechtbank om de ernst en de geloofwaardigheid van de vorderingen van Land Invest Group en Joeri Dillen te beoordelen, de argumenten van Apache en de journalisten gehoord waarop de berichtgeving en de methode van journalistieke nieuwsgaring in casu steunde. Indien mocht blijken dat de aantijging van onzorgvuldige, leugenachtige of lasterlijke journalistiek vanwege Apache op los stand staat, kan de rechtbank overwegen om Land Invest Group en Joeri Dillen zelf te veroordelen wegens tergend en roekeloos geding. Wordt vervolgd…

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Auteur: Dirk Voorhoof

Dirk Voorhoof was professor aan de UGent van 1992 tot 2016 en doceerde er o.a. Mediarecht, Auteursrecht en Journalistieke deontologie. Sinds 1 februari 2016 is hij emeritus professor, en als vrijwillig medewerker verbonden aan het Human Rights Centre van de Rechtsfaculteit van de UGent. Hij was lid van de federale Commissie voor de toegang tot bestuursdocumenten (1994-2005) en van de Vlaamse Regulator voor de Media (VRM, 2006-2016). Hij is nu actief lid van het Global FOE&I @Columbia experts network, Columbia University, New York, van de Executive Board of the European Centre for Press and Media Freedom (ECPMF) en van het Committee of Experts on Internet intermediaries (MSI-NET) van de Raad van Europa.