Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

De Laatste Nar

9 mei 2022 Guido Van Meir
De Laatste Nar
Theater in het Gents uit pure artistieke noodzaak. (© vzw Twijfel)

Daarvoor hadden zij zo hun redenen, in die mate dat men haast kan gewagen van intersectionele discriminatie: het was een komedie (oei!), bovendien ook nog in het Gents dialect (ai!) en het was volkstoneel (pff!) – wat in essentie betekent dat mensen van allerlei slag de zaal vulden en niemand voortijdig is weggeslopen. Als klap op de vuurpijl stonden naast de onmiskenbare beroepsacteur Bob De Moor ook Jan De Raedt en Betty Bouckaert op de scène, twee ‘amateurs’ van de populaire Compagnie van de Leute, ook al een naam die de heersende vooroordelen waarschijnlijk een eind tegemoet komt.

Over deze heersende vooroordelen wil ik het hebben, als u tenminste de goedheid wilt hebben om eerst via onderstaande link de captatie op Vimeo te bekijken, dan weten we tenminste waarover we praten.

Zo. U hebt misschien niet ieder woord begrepen, maar het archaïsch Gents van weleer is doorheen de tijd voldoende geëvolueerd om alvast geen Chinees meer te zijn in de rest van Vlaanderen. Onze socio-linguïstische inzichten zijn intussen ook genoeg geëmancipeerd om onze gewesttalen te herwaarderen, zodat bijvoorbeeld een theatergroep als Het Eenzame Westen nu fier het West-Vlaams hanteert zonder dat er een (g)haan naar kraait. In het mailtje dat ik rondstuurde om De Laatste Nar aan te kondigen, schreef ik ‘Opgelet: om artistieke redenen wordt deze productie in het Gents gespeeld. Er zijn geen boventitels voorzien’. Dat was een letterlijk citaat, weggeplukt van de website van een groot stadstheater,  waar het over een productie in het Engels ging. Ik wilde daarmee niet alleen met een knipoog zeggen dat het Gents evengoed een (theater)taal is als het Engels, het was ook nog eens de zuivere waarheid in het geval van De Laatste Nar: een toneelstuk dat draait rond mijn overleden vriend Sus kan alleen maar in het Gents gespeeld worden. Pure artistieke noodzaak. Een opvoering in de standaardtaal zou heel terecht hoongelach opgewekt hebben bij iedereen die Sus gekend heeft, en schaamte bij de auteur. Kortom: het Gents zou een non-issue moeten zijn. Laten we deze open deur nu maar snel achter ons laten en een veel ernstiger probleem aansnijden.

Heel recent reageerde een bekende acteur enthousiast op een nieuwe komedie die ik hem had laten lezen en hij contacteerde meteen de dramaturg van een groot stadstheater waar hij al eerder gespeeld had. Hij stuurde hem de tekst en wachtte weken -  tevergeefs - op enige reactie. (Ikzelf verwacht al lang geen antwoord meer van onze Antwerpse en Gentse stadstheaters als ik nog de moeite doe hen een nieuwe tekst voor te stellen, mutisme wordt in die middens als een efficiënte vorm van communicatie beschouwd.) De acteur in kwestie liet zich daardoor echter niet uit zijn lood slaan en reageerde enthousiast toen ik zelf een producent aanbracht. Hij gaf zijn manager meteen de opdracht om de zakelijke kant te regelen, waarop deze prompt een mail stuurde naar de producent om het project in extremis te torpederen: de acteur in kwestie had bij zijn laatste tournee zoveel lof en goede kritieken geoogst, oordeelde zijn zakelijk manager, dat het ongunstig voor hem zou zijn om nu in een komedie te stappen…

Ik vertel deze anekdote niet omdat ik de betrokken acteur iets ten kwade duid – hij is naast een groot komisch talent ook maar een kleine zelfstandige en heeft dus alle reden om zich voorzichtig op te stellen, bewust van zijn kwetsbaarheid. Een denigrerende recensie is rap gebeurd en kan nare gevolgen hebben voor latere plannen. Komedies hebben nu eenmaal een slechte roep in het kleine wereldje waar recensenten, adviescommissieleden, theaterwetenschappers en dramaturgen het mooie weer maken. Men associeert komedies nogal vlug en tendentieus met het Echt Antwaarps Theater, zelden met bijvoorbeeld De toevallige dood van een anarchist van Dario Fo, een komedie maar ook een scherp politiek pamflet – al zijn er schriftgeleerden die het nog altijd een schande vinden dat de Nobelprijs voor Literatuur ooit is toegevallen aan een ‘komediant’ als Fo. Het komisch genre zit zo’n beetje in hetzelfde verdomhoekje als de suikerhoudende frisdranken. Slecht voor de volksgezondheid. Moet niet gesubsidieerd worden maar eerder afgeremd met een extra belasting. Deze idée reçue in bepaalde theatermiddens leidt tot ongenuanceerde uitspraken zoals die van NTGent-acteur Peter Seynaeve in De Morgen, waar hij de loftrompet stak van Luk Perceval en Milo Rau: ‘Ze geven hun publiek niet wat ze willen. Ze maken geen easy shit, geen voorstellingen waar iedereen vrolijk buitenkomt. Entertainment en kunst zijn twee verschillende dingen.’ Werkelijk? Bestaat er überhaupt wel kunst zonder enige entertainmentfactor? Waarom zou een voorstelling minder artistiek zijn als iedereen vrolijk buitenkomt, en veel artistieker als je eindigt met een levensechte opknoping van een heel gezin waar Milo Rau zijn publiek aan het eind op trakteerde? Is dat soort Grand Guignol dan geen entertainment? Zijn griezelfilms geen entertainment? En omgekeerd, is een komedie in alle gevallen slechts een escapistische verstrooiing? Het dedain wordt nog altijd  het best verwoord door die Nederlandse criticus die jaren geleden een voorstelling recenseerde op een zomerfestival: ‘Als het dan toch humor moet zijn, kan dit er nog mee door’.

Het gevolg is dat beroepsacteurs uit de gesubsidieerde sector niet of nauwelijks komedies kunnen/mogen spelen. Behoudens uitzonderingen zit de professionaliteit ironisch genoeg bij de ‘amateurs’ die doorgewinterd zijn in dat emplooi. De spelers van de Compagnie van de Leute mogen dan liefhebbers zijn wat hun verloning betreft – zij ontvangen dan ook geen euro subsidie – door veel komedies te spelen hebben ze het specifieke metier in de vingers gekregen, zij weten perfect wat komische timing is. Zeker de betere acteurs uit dit circuit – en daar mogen we Jan De Raedt en Betty Bouckaert zeker toe rekenen -  zijn op dit terrein beslagen. En zij mogen dan niet gerecenseerd en gesubsidieerd worden, ze hoeven ook niet constant met schrik te lopen voor de volgende recensie en de komende subsidieronde, die als de twee vuisten van een meedogenloze bokser (‘de linkse is het ziekenhuis, de rechtse het kerkhof’) het leven van gesubsidieerde spelers teisteren. De niet-gesubsidieerden genieten van een vrijheid waar de gesubsidieerden alleen van kunnen dromen. Ze hoeven alleen maar rekening te houden met hun publiek – elk huisje heeft nu eenmaal zijn kruisje.

Nu we alle vooroordelen de behandeling hebben gegeven die ze verdienen is het tijd om er doorheen te kijken en naar de essentie te gaan van wat we in het captatiefilmpje gezien hebben. In essentie is De Laatste Nar een hommage aan mijn overleden vriend Sus. Een poging om hem weer even in ons midden te laten zijn, hem weer op te roepen voor mezelf en de vele mensen die hem missen. Dat is de spirituele kant van deze komedie. Alhoewel ik niet in Gent geboren ben, heb ik de eerste versie van de tekst in fonetisch Gents geschreven, met de taal en de stem van Sus die ik voortdurend opriep tijdens het schrijfproces omdat ik wilde dat zijn personage dicht bij hemzelf zou blijven. Bob De Moor had me eigenlijk gevraagd een monoloog te schrijven die op Sus geïnspireerd was, maar ik voelde meteen dat me dit niet zou lukken. Sus zou maar Sus willen worden in interactie met andere concrete personages in concrete situaties, onbewust van het feit dat er een hele zaal naar hem zit te kijken. Exit monoloog. Belangrijk werd dus de vraag welke raamvertelling ik zou gebruiken om de vele verhalen en anekdotes over Sus een logische plaats te geven. Alles viel in zijn plooi met de uitgangsidee dat Sus na zijn dood zou moeten terugkeren om op aarde een en ander recht te zetten, een oeroud verhaalmotief dat bij Sus paste alsof het speciaal voor hem bedacht was. Voor de rest is dit bijna documentair theater, ik heb zelfs een of twee dingetjes moeten verzinnen zodat je nooit met zekerheid zou kunnen zeggen wat echt gebeurd is en wat niet. Dit documentair karakter maakt ook dat via Sus een beeld doorschemert van wat ooit de alternatieve sien was in het Gent van de sixties, met haar artiesten, hippies, provo’s en linkse studenten, tot en met de onvermijdelijke ‘commune van Latem’ waar de goeroe resideerde. 

De smartlappenparodie Kleine Karel heb ik in 1964 geschreven in het laatste jaar van mijn humaniora, maar Sus heeft er tijdens de vroege Walter-De-Buckjaren van de Gentse Feesten een bak trappist mee gewonnen bij een zangwedstrijd. Hij bracht het sindsdien regelmatig op café ten gehore in ruil voor pinten, en zijn zus beweert dat hij het ook thuis wel eens gezongen heeft op verzoek van zijn moeder, die dan moest huilen.

'De Laatste Nar’ liep in de Gentse Minardschouwburg en wordt op 9, 10 en 11 juni hernomen in De Zulle in Wondelgem (Gent).

LEES OOK