De kip legt gouden eieren in Vlaanderen

14 oktober 2020 Berber Verpoest, Steven Vanden Bussche
DSC06502
(Foto: © Berber Verpoest)

Dit achtergrondartikel maakt deel uit van de reeks 'Geen kip te zien en toch zijn er te veel'.

De Vlaamse pluimveesector huisvest 84% van de Belgische pluimveestapel. In 2017 waren er in totaal 34,1 miljoen stuks pluimvee in Vlaanderen, waarvan 11,4 miljoen legkippen en 22,1 miljoen vleeskippen. Daarvan is 4,5% vergund in de gemeente Wuustwezel.

Ongeveer 3% van de landbouwbedrijven houdt zich bezig met kippen. Het aantal pluimveehouderijen daalt al tien jaar, maar de schaalvergroting is opvallend. Sinds 2007 is de omvang van een pluimveebedrijf met 70% toegenomen, zo blijkt uit cijfers van Statbel en het Landbouwrapport.

De productiewaarde van pluimveevlees stijgt en bedraagt intussen 369 miljoen euro, wat overeenkomt met 11% van de Vlaamse veeteelt en 7% van de totale eindproductiewaarde van de Vlaamse land- en tuinbouw.

Behoorlijke prijzen

De prijzen voor vleeskippen dalen sinds midden 2013 maar blijven nog steeds op een behoorlijk niveau, zo staat in het laatste Landbouwrapport. Andere factoren die het succes verklaren: de stijgende vraag naar kip, het effect van de wisselkoers op de import en export en dalende veevoederprijzen sinds 2013.

Die stijgende vraag schrijven boeren en landbouworganisaties onder meer toe aan de veelzijdigheid in gebruik, lage kostprijs voor consumenten, laagste ecologische voetafdruk voor productie van vlees en het ontbreken van geloofsbeperkingen bij consumenten.

De Antwerpse haven heeft voor de hele veehouderij historisch een belangrijke rol gespeeld

De Vlaamse pluimveesector is exportgericht, met focus op de uitvoer van vers vlees. Tegenover een invoerwaarde van 717 miljoen euro 'pluimveeproducten', vooral binnen de Europese Unie, staat een exportwaarde van 1,25 miljard euro, blijkt uit de laatste sectorbarometer. De zelfvoorzieningsgraad is op tien jaar tijd met 72 procentpunt toegenomen tot 192%, berekende Statbel. Vlaanderen produceert dus bijna twee keer zoveel kippen als het consumeert.

De Belgische mengvoedersector produceert op jaarbasis meer dan 7 miljoen ton mengvoeder en voormengsel. Meer dan de helft daarvan is bestemd voor varkens, de rest voor runderen (20%) en pluimvee (19%). Er wordt ook nog eens voor 277.000 ton mengvoeder en voormengsel ingevoerd, waarvan meer dan de helft bestemd voor de pluimveesector, zo blijkt uit het jaarverslag van sectorfederatie Belgian Feed Association.

Wetenschappers van het Instituut voor Landbouw-, Visserij-, en Voedingsonderzoek (ILVO) onderzochten in 2016 de 'ruimtelijke verankering' van de pluimveesector. Specifiek voor de Noorderkempen wijzen ze op het belang van het Albertkanaal en de connectie met de Antwerpse haven. Van daaruit wordt soja uit Zuid-Amerika aangevoerd en verwerkt in mengvoederbedrijven langs het kanaal.

"Via de scheepvaart kunnen de veevoederbedrijven tegen relatief lage transportkosten eiwit invoeren van overzee", klinkt het. De aanwezigheid van de haven heeft voor de hele veehouderij historisch een belangrijke rol gespeeld.

De wetenschappers wijzen ook nog op andere elementen die de sector doen groeien. De primaire productie hangt nauw samen met (delen van) de toeleverende en verwerkende industrieën. Dat gaat dan bijvoorbeeld over de aanwezigheid van broederijen en slachterijen of voedingsbedrijven die pluimvee verwerken. Er ontwikkelden zich ook allerlei servicebedrijven, zoals voor het reinigen van stallen of vangen van pluimvee bijvoorbeeld.

Gaandeweg ontwikkelde zich ook een kennisnetwerk, met het Proefcentrum Pluimveehouderij in Geel en de groei van studiebureaus, die overigens steeds meer in een netwerk opereren.

"Wegens de vele schakels is de pluimveesector een complexe sector", stelt ILVO. "Het pluimveecomplex is ook meer en meer internationaal verweven." De pluimveesector is dan wel vooral een familiale sector, toch zien onderzoekers steeds meer afspraken tussen toeleverancier, boer en afnemer in de keten.

Veevoederbedrijven en grote slachthuizen worden machtig en bepalen de (constante) aanvoer, klink het. De economische impact van de pluimveesector in het Antwerpse 'agrobusinesscomplex', is veel groter dan aangenomen.

  • Lokale (CD&V) besturen, zoals Wuustwezel, die dergelijke vormen van niet-grondgebonden landbouw de afgelopen twee decennia genegen waren en vergunningsaanvragen positief adviseerden. Ook deputaties waren welwillig tenover vergunningsaanvragen.
  • Waarom er nog vergund kan worden in gebieden waar vaststaat dat er ernstige overschrijdingen zijn, heeft te maken met de afwijkingsmogelijkheid die de vorige Vlaamse regering in het Natuurdecreet vastlegde.  De regelgeving voorziet namelijk een afwijking voor 5% van de last die een Europees beschermde habitat kan dragen. Allicht eind 2020 komt er een definitieve Programmatorische Aanpak Stikstof.
  • De afstandsregels tussen stal en bewoning of kwetsbare natuurgebieden werd in 2008 versoepeld. Die wijgiging van de VLAREM-wetgeving (milieuwetgeving) werd in 2016 door de Raad van State op de korrel genomen in één concreet dossier.
  • Ook het Mestactieplan speelt een rol. De introductie van MAP3 in 2007 zorgde namelijk voor nieuwe uitbreidingskansen voor pluimveebedrijven, wanneer ze instaan voor mestverwerking, aldus nog het departement Landbouw en Visserij.
  • Het Europees landbouwbeleid kiest middels haar investeringssteun voor een industriële landbouw. Via de VLIF-steun kreeg Van Gils-Aernouts in Wuustwezel  in 2018 bijna 142.000 euro investeringssteun van het Europees Fonds voor Plattelandsontwikkeling. Mertens Poultry, een andere kweker uit de Kempen, kreeg 97.693 euro investeringssteun. In 2019 werd aan kippenbedrijf Uytdewilligen Cox ruim 40.000 euro Europese steun toegekend. Er zijn ook systemen voor startende boeren om 'opstartsteun' te krijgen, waar ook in de pluimveesector gebruik van gemaakt wordt.

Veeteeltbedrijven als industriële installaties

Industriële installaties met een mogelijk grote impact op het milieu (GPBV-installaties of ‘Geïntegreerde Preventie en Bestrijding van Verontreiniging’) zijn onderworpen aan de Europese Richtlijn inzake industriële Emissies. Dat is dezelfde regelgeving voor bijvoorbeeld de petrochemische industrie

Op Europees niveau is afgesproken voor welk soort activiteit de Best Beschikbare Technologie (BBT) is en welke milieuprestaties met die BBT haalbaar zijn. Maar, belangrijke kanttekening, die BBT moeten ook financieel haalbaar zijn. Enkel onder strikte voorwaarden kan van emissiegrenswaarden afgeweken worden. Als lokale milieukwaliteitsnormen (MKN) strengere voorwaarden opleggen, dan moeten die ook opgenomen worden in de milieuvergunning.

Momenteel zijn er 1.905 GPBV installaties vergund in Vlaanderen, waarvan 963 voor veeteeltbedrijven. De meeste installaties liggen in West-Vlaanderen en (428) en Antwerpen (270) of meer dan zeven op de tien voor heel Vlaanderen. Van dat totaalcijfers zijn er iets meer dan de helft pluimveebedrijven.

Dit achtergrondartikel maakt deel uit van de reeks 'Geen kip te zien en toch zijn er te veel'.

Dit onderzoeksartikel kwam tot stand met de steun van het Fonds Pascal Decroos voor Bijzondere Journalistiek.

Uitgelichte afbeelding: © Berber Verpoest

update 15/10: toevoeging alinea 6

update 16/10: toevoeging alinea 17

LEES OOK